terug  begin  verder
[p. 187]

Hans van Werveke
Gent 22 januari 1898 - St. Denijs-Westrem 7 mei 1974

Toen Hans van Werveke in 1924 op nog zeer jeugdige leeftijd aan de Rijksuniversiteit te Gent werd belast met het onderwijs in het Nederlands over de ‘Geschiedenis van België’, wachtte hem geen gemakkelijke taak. Zijn benoeming vond plaats in het kader van de gedeeltelijke vernederlandsing van de Gentse universiteit, die erin voorzag dat een deel der colleges zouden worden ontdubbeld, met behoud van het volledige Franstalige curriculum. Zo zag Van Werveke zich geplaatst naast zijn leermeester Henri Pirenne die hetzelfde college in het Frans bleef doceren en het enorme prestige genoot van de nationale geschiedschrijver, auteur van de toen bijna voltooide zevendelige Histoire de Belgique. Pirenne bevond zich toen op het hoogtepunt van zijn carrière. Hij had zich, ook als rector, steeds heftig verzet tegen het streven naar vernederlandsing, omdat hij van oordeel was dat hierdoor het internationaal niveau van de wetenschapsbeoefening te Gent teloor zou gaan.

Voor deze jonge atheneumleraar, die in 1922 een proefschrift had voltooid over de geschiedenis van het Zuidnederlandse bisdom Terwaan tijdens de middeleeuwen, hield deze part-time opdracht aan de universiteit dus een werkelijke uitdaging in. Op hem en zijn pas benoemde Vlaamse collega's rustte de taak om de sinds ruim dertig jaar op politiek vlak heftig omstreden Vlaamse eis van hoger onderwijs in de moedertaal, waar te maken, en weerstand te bieden tegen de aantijging dat dit niveauverlies zou inhouden. Bovendien bood het te doceren vak alle aanleiding om politieke en culturele engagementen uit te lokken, te meer daar Pirenne dit thema vanuit een sterk uitgesproken Belgisch-nationaal standpunt had behandeld.

Het is kenmerkend voor Van Werveke's persoonlijkheid dat hij in deze emotioneel zwaar geladen omstandigheden met sereniteit en fijngevoeligheid is opgetreden, waardoor hij zich nimmer van zijn leermeester vervreemdde, maar toch voldoende beginselvastheid betoond heeft om een eigen stempel te drukken op zijn onderwijs. Tijdens de veertig jaren waarin hij dit vak heeft gedoceerd voor alle studenten in de letteren- en in de juridische faculteiten, heeft hij de nieuwe generaties Vlaamse intellectuelen een wetenschappelijk fundamenteel verantwoorde visie op hun vaderlandse geschiedenis meegegeven, waarmee zij echter voldoende inzicht verwier-

[p. 188]

ven in de relativiteit van de actuele staatsgrenzen opdat zij zich van engnationalistische interpretaties zouden onthouden.

Door zijn achtergrond was Van Werveke bijzonder goed voorbereid om deze pionierstaak van eerste generatie Nederlandstalige hoogleraren in Vlaanderen te vervullen. Zijn vader was hulparchivaris en later conservator van de oudheidkundige musea van de stad Gent. Van hem kregen niet alleen zijn zoon Hans, maar ook diens broer Leo - die een functie bekleedde als rijksarchivaris - hun historische belangstelling mee. Tegelijk was vader Alfons van Werveke ook bedrijvig in de Vlaamsgezinde liberale culturele vereniging, het Willemsfonds, waardoor hij nauwe contacten onderhield met de historicus en hoogleraar Paul Fredericq. Zowel op vakgebied als inzake de cultuurstrijd, ondervond de jonge universiteitsdocent dus ruggesteun vanuit zijn milieu. Deze rol in de voorhoede heeft hem er overigens toe gebracht tijdens zijn hele leven systematisch aandacht te blijven besteden aan de rol van de Vlamingen in de Nederlandse cultuurgemeenschap en in de Belgische staat.

Als enigszins laattijdig - maar zeker niet voorbijgestreefd - vertegenwoordiger van het cultuurflamingantisme, schonk hij steeds veel aandacht, bij zichzelf evenzeer als bij zijn studenten, aan een correct en stijlvol taalgebruik. Hij getuigde overigens zelf dat zijn uit Nederland afkomstige echtgenote hem hiertoe had aangespoord. In dezelfde lijn lag zijn inzet voor een aantal initiatieven van Nederlands-Belgische samenwerking. Hij zag hiertoe de noodzaak vanuit zijn conceptie van de geschiedenis der Nederlanden, wier verleden lang een gemeenschappelijke gerichtheid had vertoond, maar die door een samenloop van omstandigheden uit elkaar waren gegroeid, een nieuw historisch gegeven waarvoor men zijns inziens de ogen niet mocht sluiten, evenmin als voor de vroegere eenheid.

Door nauwere contacten aan te knopen met Nederlandse, maar ook met Noordfranse historici, wilde Van Werveke de nationalistische beslotenheid doorbreken, die rond de eerste wereldoorlog zo'n nefaste invloed had uitgeoefend, ook op zuiver wetenschappelijk gebied. Thans kan men stellen dat zijn streven op lange termijn inderdaad erg vruchtbaar is geweest, en dat, tenminste in de geschiedvorsing, het grensoverschrijdend onderzoek en de uitwisseling dagelijkse werkelijkheid zijn geworden. Als tastbare realisaties vallen op dit terrein te vermelden: zijn rol bij de oprichting en de redactie van de bi-nationale tijdschriften Nederlandsche Historiebladen (1938-1940) en Bijdragen tot de Geschiedenis der Nederlanden (sinds 1945), van het twaalfdelige standaardwerk Algemene geschiedenis der

[p. 189]
Nederlanden (1949-1958), waaraan de hoger vermelde conceptie ten grondslag ligt. Ook was hij jarenlang de organisator van Nederlands-Belgische historische congressen, en bracht hij een uitwisselingsakkoord tot stand tussen de universiteiten van Utrecht en Gent. Al deze verwezenlijkingen zouden ondenkbaar zijn zonder de hechte vriendschappen die hij over de grens heen onderhield, zoals met de hoogleraar C.D.J. Brandt. Voor zijn vele inspanningen op het gebied van de culturele integratie tussen Noord en Zuid, evenzeer als voor de hoge kwaliteit van zijn wetenschappelijk oeuvre, viel hem in 1961 het eredoctoraat van de Utrechtse universiteit te beurt.

Zijn denken over de rol van de Vlamingen in de Belgische staat heeft zich evenmin beperkt tot de studeerkamer. Als ondervoorzitter (1938-1951) en algemeen voorzitter (1951-1962) van het Willemsfonds gaf Van Werveke uitdrukking aan een gematigde maar beginselvaste richting in de Vlaamse Beweging. Zijn oordeel, dat hij niet alleen tijdens academische zittingen, maar ook in kranteartikelen naar voorbracht, werd steeds aandachtig beluisterd, zozeer dat men hem ‘het geweten van de Vlaamse Beweging’ ging noemen. Hoewel hij zijn tussenkomsten in wezen tot de culturele sfeer beperkte, kwam hij omstreeks 1968 via het probleem van de taalregimes in het hoger onderwijs toch direct in aanraking met hete politieke hangijzers. Deze traditie van weloverwogen Vlaams-liberale stellingname, los van het officiële nationale partijbeleid, en niet zelden in conflict daarmee, heeft de vorming van een autonome Vlaamse liberale partij zeker in de hand gewerkt. Van Werveke heeft ongetwijfeld bewust bijgedragen tot de culturele, maar ook tot de politieke emancipatie van de Vlaamse gemeenschap in België.

Al was Van Werveke dus allerminst een kamergeleerde - dat verhinderde ook zijn ruime artistieke belangstelling - zijn belangrijkste activiteiten lagen toch op het vlak van de geschiedwetenschap. Ook op dat gebied begon zijn loopbaan in de schaduw van Pirenne alsmede van enkele van diens oudere leerlingen, maar toch heeft hij geleidelijk zeer persoonlijke accenten gelegd. In 1925 en 1929 werd zijn leeropdracht uitgebreid met de werkcolleges in de middeleeuwse geschiedenis, die door Pirenne te Gent op een zeer hoog peil waren gebracht en er een hoofdbestanddeel vormden in de opleiding. In 1933 volgde de benoeming tot gewoon hoogleraar aan de inmiddels geheel vernederlandste - en door Pirenne verlaten - universiteit. Sinds 1941 gaf hij ook de colleges in de economische geschiedenis. Kenmerkend is dat hij zijn fundamentele uitgangspunten ontleende aan rich-

[p. 190]

tingen die Pirenne had geëxploreerd, maar welke hij zowel thematisch als methodologisch verder uitwerkte. Zijn resultaten brachten hem op vele punten tot nieuwe inzichten. Deze werkwijze is gematerialiseerd in de heruitgave die hij tot tweemaal toe (1963 en 1968) bezorgde voor de Presses Universitaires de France van Pirennes synthese Histoire économique et sociale du moyen âge, die hij aanvulde met een substantiële Annexe bibliographique et critique aldus de wetenschappelijke produktie van dertig jaar verbindend aan het oorspronkelijke betoog. Daarmee werd tevens het bewijs geleverd dat het internationale forum de Vlaamse hoogleraren wel degelijk als evenwaardige historici erkende ten opzichte van hun Franstalige voorgangers.

Van Werveke voelde zich sterk aangetrokken door kwantitatief onderzoek, en deinsde niet terug voor het gebruik van een dosis cijfermateriaal die nu wel frequent voorkomt, maar althans de meesten van zijn generatiegenoten afschrikte. Dankzij deze belangstelling verrichtte hij baanbrekend werk op het gebied van de munt- en financiële geschiedenis, de historische demografie en de (kwantitatieve) sociale geschiedenis. In de lijn van Pirenne en van zijn eigen familietraditie voelde hij zich vooral aangetrokken tot de studie van stedelijke samenlevingen, en in het bijzonder van zijn vaderstad Gent. Gezien het enorme gewicht van het verschijnsel ‘stad’ in de Nederlanden, en van het belang van Gent, was deze voorkeur begrijpelijk en gerechtvaardigd.

Zijn tientallen artikelen zijn telkens welafgebakende, afgeronde deelonderzoeken die steunen op fundamenteel en diepgaand speurwerk, hoofdzakelijk in onuitgegeven archiefmateriaal, en die tot helder geformuleerde besluiten leiden. Het opmerkelijke is evenwel dat de veelheid van grondige originele bijdragen telkens door Van Werveke zelf in een groter geheel werden ingepast, en uiteindelijk via verwerking in een aantrekkelijke boekvorm aan een breed publiek werden bekend gemaakt. Ook op het strikt wetenschappelijke vlak trad hij dus niet op als een kamergeleerde, maar als een onderzoeker die voortdurend streefde naar vulgarisatie van zijn volgens rigoureuze methoden verworven nieuwe inzichten. In dat zelfde licht moet ook zijn bijdrage worden gezien aan grote voor het brede publiek bewerkte uitgaven als de zesdelige Geschiedenis van Vlaanderen (1936-1949), de Algemene geschiedenis der Nederlanden en de Wereldgeschiedenis (vier uitgaven van 1940 tot 1965). Vanzelfsprekend hing deze werkwijze samen met de vraagstellingen aan het historisch bronnenmateriaal. Er kan bij Van Werveke een duidelijke maatschappelijke betrokkenheid worden geconstateerd. In 1931 leidde hij een studie over de economische en sociale gevol-

[p. 191]

gen van de muntpolitiek tijdens de veertiende en vijftiende eeuw in met de volgende passus: ‘De toestanden, die we sedert 1918 in België zelf hebben beleefd, vertonen een zekere gelijkenis met die ik hieronder zal beschrijven; ze wekken des te meer onze belangstelling. Dankzij die overeenkomst kunnen betrekkelijk schrale gegevens volstaan om ze op voldoende wijze te doen kennen.’ Ook publiceerde hij toen enkele bijdragen over muntgeschiedenis in de Revue de la Banque. Vanuit die optiek is ook de generaliserende opzet te begrijpen die sommige van zijn bijdragen kenmerkt, en waarin hij trachtte ideaaltypen te formuleren als ‘Rekenmunt’, ‘De middeleeuwse hongersnood’ en ‘De middeleeuwse stad’. In deze laatste twee benaderingen, die dateren van 1965, knoopte hij opnieuw aan bij een tendens die hij bij het begin van zijn loopbaan ook had gevolgd, en welke aansloot bij visies die Pirenne vooral vóór de eerste wereldoorlog had ontwikkeld. Daarin vormden herhaalbaarheden en vergelijkingen sleutelbegrippen. Van Werveke heeft evenzeer de economische als de sociale geschiedenis bestudeerd, en ook steeds in nauw onderling verband: stedelijke patriciaten en ambachten, als sociale groepen en kaders van industriële en commerciële activiteit. Bijzonder boeiend zijn zijn analyses van de mechanismen van besluitvorming, inspraak en verstarring in de ambachten. De mens, ook als individuele psyche, heeft hij, ondanks alle kwantificering, nooit uit het oog verloren. Dit blijkt uit zijn biografisch boekje Jacob van Artevelde (1942), maar vooral uit zijn laatste boek Filips van de Elzas, een stuk uiterst fijnzinnige psychologische geschiedschrijving, dat in 1976 is verschenen.

Dezelfde thema's als hij zelf behandelde, heeft hij opgedragen aan zijn vele studenten als onderwerpen voor scripties en proefschriften. Van Werveke heeft inderdaad een grote schare leerlingen om zich heen gehad die even rijk geschakeerd is als hun meester. Wel dient men dit verschijnsel van schoolvorming minder volgens de kwantitatieve kant te bekijken dan volgens zijn essentiële voorwaarde, die berust in de persoonlijkheid van de meester: innemend, zachtmoedig, ruimdenkend, toegankelijk, origineel en loyaal. Er ligt in Van Werveke's oeuvre, evenals in zijn hele levenswan del, een boodschap die jongere generaties nog sterk moet aanspreken.

 

w.p. blockmans

Voornaamste geschriften

De belangrijkste levensberichten, die ook een overzicht bieden van het wetenschappelijk oeuvre, zijn dat door A. Verhulst in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschie-

[p. 192]

denis 53, 1975, p.669-678, en door W. Prevenier in Tijdschrift voor Geschiedenis 88, 1975, p.1-5.

De volledige beschrijving van de loopbaan vindt men in Rijksuniversiteit Gent. Liber Memorialis 1913-1960, 1. Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte, Gent 1960, p.280-284. De volledige bibliografie, tot 1967 vindt men bij H. van Werveke, Miscellanea Mediaevalia, Gent 1968, p.xxix-xxxix; een uitvoerige analyse van het oeuvre werd daarin gepubliceerd door F.L. Ganshof op p.xiii-xxviii.

Ter gelegenheid van zijn emeritaat in 1966 en van zijn zeventigste verjaardag verschenen twee bundels artikelen: de Miscellanea Mediaevalia, Gent 1968, waarin zijn belangrijkste en moeilijk toegankelijke bijdragen over de sociale en economische geschiedenis van de middeleeuwen werden herdrukt; en Langs Clio's paden. Brugge 1969, waarin de auteur zelf een aantal opstellen groepeerde die hij voor een groter publiek dan dat der vakgenoten had bestemd, en waarin men de ‘andere Van Werveke’ weerspiegeld vindt met belangstelling voor de individuele psyche, de Vlaamse Beweging, de kunst en ‘een heimwee naar de mens’.

Gezien al dit voorwerk kan deze bibliografie verder beperkt blijven tot de publikaties in boekvorm.

Het bisdom Terwaan van den oorsprong tot het begin der veertiende eeuw. Gent 1924.

Kritische studiën betreffende de oudste geschiedenis van de stad Gent. Antwerpen 1933.

De Gentsche stadsfinanciën in de middeleeuwen. Brussel 1934.

Brugge en Antwerpen. Acht eeuwen Vlaamsche handel. Gent 1941 (vertaald in het Frans: Brussel 1944).

Jacques van Artevelde. Brussel 1942 (Nederlandse vertaling: Den Haag 1963).

Gent. Schets van een sociale geschiedenis. Gent 1947 (gelijktijdig verschenen in het Frans).

‘Burgus’: versterking of nederzetting? Brussel 1965.

Een Vlaamse graaf van Europees formaat. Filips van de Elzas. Bussum 1976.

terug  begin  verder