terug  begin  verder
[p. 213]

Bijlage I Rapport van de jury voor de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1976

De jury van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1976 stelt de leden van de Maatschappij voor de prijs toe te kennen aan de dichter Kees Ouwens. Deze heeft zich in zijn drie tot nu toe verschenen poëziebundels en in zijn roman doen kennen als een zeer persoonlijk, authentiek dichter, wiens werk een uniek karakter heeft, zowel door de werkelijkheid die erin wordt opgeroepen als door de middelen waarvan de dichter zich bedient.

Ouwens maakt het zichzelf noch de lezers gemakkelijk. Uiteraard is dit voor de jury evenmin een reden deze auteur te bekronen als om zulk een bekroning achterwege te laten. Maar de oorzaak van de toenemende densiteit van zijn poëzie is gelegen in de aard van de literaire werkelijkheid waarvan elk zijner gedichten een bouwsteen is. En dit lijkt ons al een eerste verdienste: dat dit werk een zeldzaam grote eenheid vertoont.

Die eenheid vindt haar grond in de thematiek: De in de gedichten voorkomende persona poëtica is op weg van het alledaagse naar het absolute. In Arcadia, Ouwens' debuutbundel, kreeg dit thema zijn uitwerking zodanig dat men Ouwens kon rekenen tot een der nieuwe romantici. De gedichten waren hier mengvormen van prozaïsch aandoende, alledaagse mededelingen of anekdotes en tot grote verhevenheid gaande verstilling. De dichter bouwde vanuit de anekdote aan een uitweg naar een in zijn ogen wezenlijker werkelijkheid. Binnen deze bundel bereikte hij eenheid op grond van het episch element en de vertelwijze, te weten het ironiserend weergegeven relaas van het verlangen naar een vrouwelijk wezen en de ontsnappingen naar masturbantenland die van dit niet vervulde verlangen het gevolg waren.

In Intieme handelingen uit 1973 bleek de zelfbevrediger uit de eerste bundel zich op een hoger plan ontwikkeld te hebben tot misantroop en narcissus, mensenhater en zelfverliefde, aanwezig in de door de breeduitgeschreven verzen wandelende kluizenaar.

Om tot het absolute te geraken, zo blijkt uit deze bundel, is observatie van het bestaande noodzakelijk. Praktisch alle gedichten uit Intieme handelingen zijn dan ook verhalen in de spiegel, zelfbeschrijvingen, oversubtiele waarnemingen van eigen gedrag. Hier al breekt Ouwens radikaal met de opvattingen die sinds 1950 onze poëzie beheersten, en keert hij vermetel terug naar het gebruik van niet beeldende abstracta. Behalve door de een-

[p. 214]

heid van stijl kenmerkt ook deze bundel zich door een grote eenheid van thema. De ik-figuur, goed verzorgd uiterlijk, slank, keurige regenjas, niets dus van de slobberige zwerver, maakt zich voortdurend gereed om op weg te gaan van het ene punt naar het andere. In het grandioze en verschrikkelijke gedicht Een wandeling is als overal in deze gedichten de onzekerheid, het talmen, soms oplopend tot radeloosheid, aanwezig.

Deze is de uitdrukking van de vraag: Hoe moet ik het aanpakken, hoe bereik ik die hoogste Vorm van de Verbeelding? In het slot van dit gedicht kan men deze sfeer van durende vertwijfeling samengevat zien:

 
Bomen boven mij, ik was verbijsterd, hoeven om mij heen, alles van
 
een onwetende aanwezigheid, waarvan ik bang was. Zodat
 
ik voortging, op weg naar legere ruimten, desnoods ook zonder
 
zon en zonder nacht, met niets dan mijzelf, radeloos over mijn
 
stompzinnige lijf.

Ongewild lijkt de dichter hier het solipsisme in praktijk te brengen dat genoeg heeft aan zichzelf, maar het is een afgedwongen solipsisme, niet - nog niet - gekozen, zoals in de nieuwste bundel, Als een beek, waarin radeloosheid teruggedrongen is voor een bedwongen spanningsgevoel.

Weer blijken in de nu te bekronen bundel de thematiek én de vormgeving enerzijds voortgezet te worden, anderzijds valt waar te nemen dat de schrijver zich opnieuw heeft bezonnen op het in zijn poëzie bereikbare. In de meeste gedichten is het vers nog iets breder geworden. Tegelijkertijd blijkt de lengte van het gedicht gereduceerd tot de helft of minder. Waren in Intieme handelingen alle gedichten kleine werelden rondom het ik, hier ontbreekt de ik-figuur nog al eens of treedt hij meermalen in een minder dominerende rol op. De thematiek is gehandhaafd, maar het sfeerbepalend decor is sterk gewijzigd. Van de benauwde duisternis en engte binnen landschappen en huizen komen we nu in dikwijls verbijsterende ruimten en licht. De bewuste opzet daarvan blijkt in het openingsgedicht dat een inleidend karakter heeft:

 
Wie langs de landerijen gaat op een dag na zijn arbeid
 
en met zijn scherpste blik - zo scherp dat licht splijt
 
oprecht verblind vasthoudend naar de hemel kijkt
 
die ziet geboren worden wat niet was, zijn oog
 
doet ze herrijzen: gewaande paradijzen.

De gedichten die volgen zijn als het ware visioenen die in deze tekst worden aangekondigd. De dichter heeft daarbij zijn taalmateriaal zo drastisch

[p. 215]

ingekrompen dat de moeilijkheidsgraad van het vers erdoor verhoogd is. Die verhoging wordt nog door iets anders veroorzaakt. Dichters gebruiken meestal beelden om gedachten concreter te maken. Nu zijn in Intieme handelingen al tamelijk veel abstracte begrippen te vinden. Welnu, in de nieuwe bundel zijn deze zozeer in aantal toegenomen dat enige critici zich hebben afgevraagd of dit gebruik van abstracta niet de doodsteek is voor Ouwens' poëzie en of er zo geen einde zal komen aan zijn ontwikkeling als dichter. Wij zijn van mening dat het tegendeel het geval is. Ouwens biedt deze abstracta namelijk niet zomaar aan. Hij manipuleert ze naar het concrete begrip toe, zoals ook omgekeerd voorkomt. In bijvoorbeeld de regel ‘Schoongewassen schoonheid in de vertrekken schreef een brief’ wordt niet, zoals een dichter als Kloos zou gedaan hebben, het abstracte gepersonifieerd, maar een concreet begrip, een personage, tot abstractie verheven. Terwijl we dit vaststellen zijn we niet geheel zeker van onze conclusie en het is deze aarzeling die ook de dichter bevangen heeft: de werkelijkheid die hij oproept zit tussen het concrete en het abstracte in; ze zou idealiter beide begrippen moeten verenigen. Ons lijkt deze bijna voortdurende koppeling van abstracta en concreta het eigene van Ouwens' dichterlijke vondst.

Over het licht dat het donker van de vorige bundel vervangt - en ons inziens een soortgelijke functie vervult - geeft bijvoorbeeld het gedicht Smet uitsluitsel. We laten het hier volgen:

 
Het heil in de middag dat de dag toeschijnt uit zijn goudster
 
vreugde brengt op de grond maar toch verval toelaat, al eerder
 
toeslaat dan het grond toekwam
 
zomer's dood te zien in spullen
 
van het landschap tijdens restzomer -
 
het scheen op het geharkt voorhof van de stede waar het teken bracht
 
aan het gewassen grind tot aan de opstal blinkend liggend en
 
onaangeroerd door smet

Aan de concrete zon worden in de eerste regel zowel een abstractum (‘Het heil in de middag’) als een concretum (‘goudster’) toegevoegd. En nog zo'n opheffing: Het abstracte cliché (‘Het heil ... brengt vreugde’) vervalt even later als cliché door de concrete plaatsbepaling ‘op de grond’. Van de zon (concreet), getransformeerd tot heil wordt in de laatste drie regels gezegd dat hij (het) ‘teken’ brengt aan het gewassen grind etc. Wat is dat in vredesnaam? Abstrahering alweer van het zo niet concrete, dan toch min-

[p. 216]

der abstracte ‘een teken’. Op dezelfde manier functioneert het titelwoord ‘smet’ in de laatste regel. Je kunt je - en je mág je - als lezer niet concreet voorstellen één vorm van smet, maar krijgt alleen de keuze tussen vormen van smet. Deze techniek, van het weglaten van lidwoorden, past Ouwens veelvuldig toe. Ze draagt bij tot een verdere abstrahering en verabsolutering van de werkelijkheid.

Voor alles streeft Kees Ouwens er in zijn werk met succes naar om werkelijkheden steeds zo te structureren dat zij als het ware dé werkelijkheid lijken te zijn. De wereld wordt op hanteerbare schaal gebracht, gemeten in het door de dichter vastgestelde bestek. Hij staat stil bij één bepaald moment in één bepaalde ruimte en verstrekt daaromtrent zeer precieze informatie.

Wat zijn werk dan het hermetisch karakter geeft is tegelijk zijn verdienste: niet alleen de emotie wordt geboden maar ook de reflecties die daarbij passen; beide grijpen op dikwijls harmonische wijze in elkaar. Dat vermoeden wij tenminste, want de eerlijkheid gebiedt ons te bekennen, dat elk gedicht uit de bundel Als een beek de lezer voor een taak stelt die deze niet in een oogopslag zal kunnen volbrengen, en zulks is ook niet door ons gedaan.

Wij menen, dat deze poëzie, wel verre van zich te vermeien in het modieuze anekdotische, getuigt van een belangrijk en moedig dichterschap. Belangrijk omdat Kees Ouwens in de vermenging van het abstracte en het concrete tot hoog te waarderen resultaten komt als geen ander hedendaags Nederlands dichter. Moedig, omdat de auteur bij zijn streven er blijk van geeft niet stil te blijven staan bij het eventuele succes van zijn werk, maar telkens doorwerkt naar een vernieuwing waartegen verzet van buitenaf denkbaar is, doch die hem zelf noodzakelijk voorkomt.

In Als een beek blijkt de dichter zich bovendien geheel losgemaakt te hebben van invloeden die in zijn eerste werk hier en daar zichtbaar waren. Wij zijn buitengewoon benieuwd naar de verdere ontwikkeling van deze dichter en hopen daartoe bij te dragen door hem de aanmoediging van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs toe te denken.

 

Namens de Commissie voor Schone Letteren, (w.g.) Wam de Moor.

terug  begin  verder