Mijnheer de voorzitter, hoog gewaardeerde medeleden,
U hebt mij ietwat onbeholpen en moeizaam naar het podium zien gaan, waarvoor ik mijn excuses aanbied. Het is niet zozeer de last van de zeven kruisjes die ik mee tors als wel een aanval van de lumbago, in het Nederlands ‘spit’ geheten en in het Duits Hexenschuss, hetgeen mijns inziens het displeizier nog duidelijker uitdrukt.
Die aanval maakt het moeilijk om te bewegen en vooral te bukken. Nu is dat laatste voor mij niet zo nieuw. In ander verband was moeilijk bukken er voor mij steeds wel bij - in het gezin, de school, in de maatschappij, in de bezettingstijd, en ook in de partij waarin ik mijn politieke bestemming meende te hebben gevonden.
Dit moeilijk bukken kan vaak een slechte eigenschap zijn; soms heeft het ook een positief effect. Ik dank er vele motieven aan voor mijn werk als romanschrijver, wanneer ik het vertaal in: zucht naar vrijheid; dit dan te verstaan vrijheid onder vele aspecten: vroeger en nu, voor slaven of negers, vrouwen en kunstenaars, vrijheid voor de verdrukten en de proletariërs.
Of die vrijheidszucht iets te maken heeft met mijn Friese afkomst? Van mijn vroegste jeugd af aan heb ik horen spreken over ‘wij vrije Friezen’; een geliefkoosde uitdrukking in mijn kringen was ook de uitspraak: ‘Friezen knielen alleen voor God.’ Overigens is dat natuurlijk geen Fries monopolie. Maar ik wil het wel aan mijn afkomst en opvoeding toesch rijven dat het in mijn leven, tegenover velerlei autoriteiten, nogal eens stroef toeging ...
Voorzitter, ik heb me nu al enige ogenblikken schuldig gemaakt aan grove onhoffelijkheid jegens u en deze vergadering, door over mijzelf te spreken in plaats van van wal te steken met een welgemeend dankwoord voor het erelidmaatschap, dat u mij met een zo vriendelijke laudatio heeft willen verlenen.
U hebt mij daarmee op deze tweehonderd en zoveelste bijeenkomst van ‘de’ Maatschappij een grote eer bewezen, de tweede waarmee u mij begiftigt. Vijfenveertig jaar geleden bood de Maatschappij mij het lidmaatschap aan. Dat was voor de toenmalige vijfentwintig-jarige auteur een gebeurte-
nis die met een rood kruisje gemerkt is; of misschien moet ik zeggen: rood zegel, want nog steeds bewaar ik - uiteraard - met verschuldigd respect het indrukwekkend document met rode lakzegels, waarin dat lidmaatschap was vastgelegd.
Is het een menselijke zwakte wanneer iemand gevoelig is voor een eerbewijs?
Men kan wel eens te veel of onverhoopte eerbewijzen krijgen, zoals mij dezer dagen overkwam, toen ik het laatste deel van de Moderne encyclopedie der wereldliteratuur in huis kreeg, letter v-z. Natuurlijk zoekt men dan eigen biobibliografie op, en toen ik dat deed vond ik daarin de merkwaardige mededeling dat ik na de oorlog enige tijd lid van de Eerste Kamer was geweest voor de cpn.
Ik vermoed dat de redactie van Pijttersens staatsalmanak net als ik zou staan te kijken van dit verrassend nieuws. Dit was nu tè veel eer. Ik kan de mededeling zelfs niet gebruiken om alsnog een extra pensioen van de staat los te krijgen ...
Maar een authentiek eerbewijs is voor de meeste mensen een ding dat hoog op prijs wordt gesteld. Vooral door kunstenaars - mensen met een ziekelijke geldingsdrang wat openbare hulde betreft -; en ik zonder mezelf daarbij niet uit, aangezien ik niet zo bescheiden ben als men soms denkt.
Ik mag, ondanks de moeilijkheden bij het bukken, niet klagen over openbare waardering: mij viel 's lands hoogste letterkundige onderscheiding ten deel, ik kreeg een prijs voor verzetsliteratuur, en begon mijn loopbaan als romancier met een prijs van deze Maatschappij.
Eer is een belangrijk goed, een van de weinige abstracties in het bestaan die een machtige concrete inhoud kunnen hebben, ja, tot een inspiratie naar het ‘hoger en beter’ kunnen groeien. Tenzij men als Heemskerk de eer aan het land moet laten om voor Gibraltar te sneven (ieders leven heeft nu eenmaal vroeg of laat zijn Gibraltar).
Ik wil daarmee maar zeggen dat ‘eer teer is’, en in ons taalgebruik een treffende rol speelt. Soms heeft dat een echt deugdelijk-vaderlandse strekking: ‘de eer gespaard, het geld bewaard’. De Nederlander vindt ook dat ‘arm met ere, niemand kan deren’ (waarbij men geneigd is een vraagteken te plaatsen); een wat frivoler variant daarvan is ‘een kusje met ere, kan niemand deren’. Dit kan echter ongewild tot iets anders leiden, namelijk tot meisjes die haar ‘eer’ kwijt raken; iets wat de meisjes van anno 1977 ongetwijfeld als een historisch fenomeen beschouwen. Het is overigens
niet de dochter, maar de man die ‘de eer van het huis uitmaakt’. Bij de devaluatie van het begrip is daarmee natuurlijk ‘weinig eer te behalen’; ons manvolk rest dan nog wel ‘eer te doen’ aan tafel of glas, en uiteraard aan hun goede hart.
Bestaan de levensdriften, na honger en liefde, eigenlijk niet voor een goed deel uit de jacht op eer? Eer, geluk en rijkdom, verbetert men mij misschien. Ten aanzien van dat ‘geluk’ ben ik persoonlijk wat sceptischer geworden; de ‘rijkdom’ neemt de fiscus ons af, tenzij we over een geheim Zwitsers banknummer beschikken. Blijft dus de eer, en dan bedoel ik weer de authentieke eer.
Die eer is mij heden aangedaan, en in niet geringe mate. U, mijnheer de voorzitter, hebt mij verzekerd dat ik ze verdien. Ik wil dan ook niet ‘bedanken voor de eer’ wat dubbelzinnig zou klinken, maar u liever zeggen dat ik zeer erkentelijk ben voor het ontvangen eerbewijs. Ik acht die eer chemisch, of liever menselijk gesproken van een zuiverder gehalte dan die, waar door velen in aller heren landen naar gestreefd wordt. Ik mag hier misschien de anekdote vertellen van een Sovjetgeneraal, die een groot zwak had voor uiterlijke, zichtbare eerbewijzen. Hij bezat er zeer vele, waarschijnlijk wel eerlijk verworven. Toen deze militair trouwde met een vrouw die een hoofd boven hem uitstak en twee maal zo breed was als hij, zei iemand van hem: ‘Natuurlijk. Hij had voor al zijn eretekens niet genoeg aan z'n eigen borst’.
Ik beschik over zulke uiterlijke eretekenen niet; mijn gemoed is daarvoor misschien ook te republikeins. Wat ik graag draag is het kettinkje, dat mijn moeder met het bijbehorende horloge als meisje van achttien heeft gekregen, en dat ik - ook met ere - hoop te blijven dragen.
Deze kleine schakeltjes verbinden mij aldus ook uiterlijk met mijn Friese afkomst, met de ‘wieg van mijn bestaan’. Ik heb op die Friese afkomst al eerder gezinspeeld, en ik mag er bij verklaren dat ze voor mij bij het klimmen van de jaren steeds inniger gehalte krijgt.
Op dagen zoals vandaag vloeien heden en verleden, gevoelswaarden en nostalgie onweerstaanbaar in elkaar over. Friesland en Amsterdam, Leiden en de wijdere wereld, het ik en de mensheid - al die emotionele en historische verstrengelingen; dat wat ik verloor, en dat wat ik nog hoop te ervaren (want de hoop en de verwachting blijven in het leven onze stille metgezellen).
Wat zal ik nog zeggen?
Er staat in Goethes West-östlicher Divan een gedicht dat veel beter dan ik
het hier probeer die emotionele ontmoeting van waarden uitdrukt. Ik zou daarom dit gedicht tot slot in mijn dankwoord aan u allen willen citeren: