terug  begin  verder
[p. 63]

Ernst Denny Hirsch Ballin
Wiesbaden 27 november 1898 - Amsterdam 15 maart 1975

Ernst Denny Hirsch Ballin werd geboren te Wiesbaden op 27 november 1898. Zijn vader Heinrich Hirsch exporteerde Duitse wijn, vooral naar Engeland, waar hij af en toe verbleef; zijn moeder droeg de naam Amalia Louise Ballin, wat meteen ook de samenstelling van de naam van professor Hirsch Ballin verklaart. Ernst Denny had twee oudere zusters en een tweelingbroer Fritz Maximillian. Het gezin behoorde tot de joodse gemeente van de hoofdstad van het toenmalige Nassau, dat echter in 1866 bij Pruisen werd ingelijfd, maar omdat het buiten hun advies was gebeurd bleven de Nassauers zich hardnekkig ‘Muss-Preussen’ noemen. De familie Hirsch was nauwelijks praktizerend, later trouwens zou Hirsch Ballin de joodse gemeente verlaten zonder ooit tot een ander kerkgenootschap toe te treden.

Na negen jaar Vorschule bezochten de tweelingbroers het Königliches Realgymnasium in hun geboortestad, waar het accent werd gelegd op de studie van de wiskunde en de natuurwetenschappen. De jonge Ernst Denny was van meet af aan een uitblinker. Zijn voorliefde ging naar de scheikunde, maar vader Heinrich had in zijn wijsheid beslist dat zijn zoons, de ene arts en de andere jurist zouden worden. En zo geschiedde het. Weinigen weten dat Hirsch Ballin als jongen ook een grote liefde opvatte voor het tekenen en schilderen en dat hij zulks ook later is blijven doen, tot na de tweede wereldoorlog.

In 1917 verhuisde de tweeling naar München, waar ze inwonend bij en onder het toezicht van een inmiddels getrouwde zuster hun studententijd zouden doorbrengen. In deze stad maakten zij het einde van de eerste wereldoorlog mee en tevens de val van het koninkrijk Beieren en de oprichting van de republiek. Eén semester onderbrak Ernst Denny zijn studies te München. Om toegelaten te worden tot de advocatuur in zijn geboortestad Wiesbaden was het nodig minstens die tijd aan een universiteit van de eigen deelstaat te hebben doorgebracht. Dat gebeurde te Frankfurt am Main. Max Weber was de hoogleraar te München, waarvan de colleges het meest indruk maakten op de jonge Hirsch Ballin. In 1922 voltooide hij zijn dissertatie, onder de ‘leiding’ van prof. dr. Wilhelm Kisch, auteur van het Handbuch des deutschen Patentrechts. Veel ‘leiding’ kwam er inderdaad niet aan te pas: één gesprek van een goed half uur, tijdens hetwelk de

[p. 64]

promovendus duidelijk het gevoel had dat het hem niet vrij stond aantekeningen te maken. Wat niet wil zeggen dat de promotie destijds in München licht werd opgenomen; integendeel de dissertaties werden grondig op de korrel genomen en daarna volgde nog een examen rigorosum, waardoor de hele studie-cyclus nog eens werd overgedaan. Hoe kort het gesprek met de promotor ook was, deze had niettemin voor zijn leerling een grote waardering en verwachtte ook heel wat van hem. Het proefschrift Das Recht aus der Erfindung werd aanvaard summa cum laude en begin 1923 ontving Ernst Denny Hirsch Ballin de graad van doctor utriusque juris.

Van 1921 tot 1924 was Hirsch Ballin eerst in het kader van de verplichte stageperiode als referendaris bij de rechterlijke macht werkzaam, vervolgens in 1924 als rechter in Wiesbaden. In 1925 vestigde hij zich daar als advocaat, en slaagde er spoedig in een bloeiende praktijk op te bouwen. In 1931 kreeg hij de status van notaris (in Duitsland worden de advocaten met een zekere staat van dienst tevens tot notaris benoemd; een gespecialiseerde notariële studie, zoals bij ons, kent men er niet).

Met de machtsovername in 1933 begon ook de donkere tijd in het leven van Hirsch Ballin. Als student te München had hij zich buiten de politiek gehouden, maar had toch moeten meemaken hoe rechts-extremistische studenten al deden wat ze konden om het leven van joodse en socialistisch gezinde professoren zuur te maken. Als kind in de joodse gemeente van Wiesbaden moest hij wel ervaren hoe het vaak latente en een enkele keer manifeste antisemitisme zijn stempel drukte op het leven van een vreedzaam joods gezin. Alles te samen werden zijn jonge jaren niet getekend door het racisme. De Nassauer legde een tolerante instelling aan de dag tegenover de andersdenkenden. Dat had de jonge advocaat Hirsch Ballin ondervonden toen hij de Gemeente Wiesbaden onder zijn cliënteel mocht rekenen.

In 1933 werden aan Hirsch Ballin de functies van advocaat en van notaris ontnomen. Op 9 november 1938, na de Kristallnacht werd Ernst samen met zijn tweelingbroer Fritz, gearresteerd en weggevoerd naar het concentratiekamp Buchenwald, waar beide broers dwangarbeid in een steengroeve moesten verrichten. Ten gevolge van mishandeling door een bewaker liep Hirsch Ballin hersenletsel op, iets wat hem heel zijn verdere leven is blijven vervolgen met chronische aanvallen van zware hoofdpijn. Op 12 april 1939, net op tijd, werd Hirsch Ballin, na interventie door familie, vrijgelaten op voorwaarde dat hij, nagenoeg zonder bezittingen, Duitsland zou verlaten. Ernst Denny verkreeg asiel in het vluchtelingen-

[p. 65]

kamp in Amsterdam, de stad waar hij zijn verdere leven is blijven wonen. Rond die tijd kan zijn broer, Fritz Maximillian, uitwijken naar Engeland, waar hij nog steeds woonachtig is in de stad Leeds. Voor hij uitweek naar Nederland, had Hirsch Ballin reeds contacten gelegd met de latere minister-president van de Nederlandse regering in ballingschap te Londen, prof. mr. P. Sj. Gerbrandy en met zijn vrienden prof. mr. J. Oranje en zijn vrouw. Zij hebben hem wellicht geholpen om zich definitief in Nederland te vestigen. Reeds in 1939 nam Hirsch Ballin de taak van co-editor van dr. H.L. Pinners encyclopedie World copyright op zich. Deze encyclopedie werd tussen 1953 en 1960 in vijf delen gepubliceerd door A.W. Sijthoffs Uitgeversmaatschappij te Leiden.

Toen ook voor Nederland de oorlog uitbrak op 10 mei 1940, moest Hirsch Ballin onderduiken voor de hele tijd van de bezetting, tijdelijk ook in Utrecht. Als verstekeling nam hij niettemin deel aan het verzet. In die tijd leerde hij Maria Koppe kennen, met wie hij trouwde in 1947 en die zijn verder leven liefdevol met hem heeft gedeeld. Zij overleed enkele jaren na hem op 24 november 1977. Uit het huwelijk werd in 1950 een zoon geboren, Ernst, thans verbonden aan het ministerie van justitie.

Het is tekenend voor de figuur, voor de innemende persoonlijkheid, voor de hoogstaande menselijkheid van Hirsch Ballin, dat hij over deze droeve dagen uit zijn leven zelden of nooit sprak, behalve dan wellicht met hen die tot zijn meest strikte intieme kring behoorden. De pijnlijke details, in dit levensbericht vermeld, vernam de schrijver dezes nooit uit zijn mond; pas later, na zijn dood, werden ze hem meegedeeld door zijn zoon. Nooit hebben zijn leerlingen van hem een bitter woord gehoord, ook niet aan het adres van zijn vroegere landgenoten. Hij die de vervolging aan den lijve had gevoeld, weerde dit onderwerp uit zijn gesprekken. En velen van hen die hem goed kenden, geloven niet dat hij dit deed zo maar om zijn angst te verbergen en een bittere bladzijde uit zijn leven als vergeten om te slaan. Het was een wezenlijk kenmerk van zijn beleefd humanisme, van zijn diepe zin voor recht en rechtvaardigheid, van zijn edele wijsheid en zijn subliem verstand. Vanaf de oprichting van het Internationale Gesellschaft für Urheberrecht was hij bestuurslid en later erelid van deze in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde internationale vereniging. Bij de heroprichting in 1954 werd hij al dadelijk een vast medewerker van de Ufita (Archiv für Urheber-, Film-, Funk- und Theaterrecht). In 1959 nam hij de ‘Richard-Strauss-Medaille’ van het Duitse bureau voor muziek-auteurs-rechten gema in ontvangst en ten slotte, in 1962, aanvaardde hij in Den

[p. 66]
Haag uit de handen van de ambassadeur van de Bondsrepubliek de hoge onderscheiding van het Grosse Verdienstkreuz. Allemaal onderscheidingen die zijn vroegere landgenoten hem wellicht minstens verplicht waren, maar door ze te aanvaarden van een volk dat de zwaarste verantwoordelijkheid droeg in de afschuwelijke misdaden die zijn rasgenoten werden aangedaan, gaf Hirsch Ballin meteen blijk en ook een schitterend voorbeeld van nobele verdraagzaamheid en onafhankelijkheid des gemoeds. Onafhankelijkheid, die hij tevens tegenover zichzelf en zijn rasgenoten in stand hield toen hij met een katholieke vrouw in het huwelijk trad en zich met haar liet opnemen in de schoot der Nederlandse gemeenschap.

In Nederland begon Hirsch Ballin met moed een tweede leven. Na de oorlog was hij werkzaam als juridisch adviseur op het gebied van de intellectuele rechten. Reeds in 1947 werd hij privaatdocent aan de Rijksuniversiteiten te Utrecht en te Leiden. In 1948 verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit. In 1949 vertoefde hij enkele maanden in Parijs als deskundige bij de Division du droit d'auteur van de unesco. In het begin der jaren vijftig terug in Nederland, legt hij zijn onderwijstaak te Utrecht neer en wordt docent te Leiden en naderhand gewoon lector in het auteursrecht en het recht van de industriële eigendom, beiden zowel nationaal als internationaal. Zijn deskundigheid op het gebied van het auteursrecht tekent zich met de jaren meer en meer af. De waardering volgt. Hirsch Ballin wordt bestuurslid van de Nederlandse groep van de Association Littéraire et Artistique Internationale, lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden en lid van de Adviescommissie voor het Auteursrecht bij het ministerie van justitie.

De bekroning van zijn carrière in Nederland voltrekt zich aan de Universiteit van Amsterdam. In 1958 wordt hij vanwege de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond aangesteld tot bijzonder hoogleraar in het nationaal en internationaal auteurs- en uitgeversrecht. In 1962 wordt hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar, bij gelegenheid waarvan zijn leeropdracht wordt uitgebreid met het nationaal en internationaal recht met betrekking tot de industriële eigendom, en in 1966 tot gewoon hoogleraar. Om deze schitterende loopbaan te besluiten neemt hij na zijn emeritaat op 1 september 1969, hij werd opgevolgd door Herman Cohen Jehoram, nog gedurende een paar jaar een gasthoogleraarschap waar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Bijna al wie in Nederland met het auteursrecht te maken heeft, werd door hem gevormd of onderging zo niet zijn invloed. Sinds 1966 was Alexander

[p. 67]
Komen, thans hoogleraar in de encyclopedie der rechtsgeleerdheid, zijn medewerker. Achtereenvolgend promoveerden bij professor Hirsch Ballin: Eduardus Bogaart (Titelbescherming, 1960); schrijver dezes (De morele rechten van de auteur, 1961); Louis van Vollenhoven (De zaak Televizier, 1970) en Alexander Komen (De bescherming van werken van letterkunde, wetenschap of kunst en van merken, 1971).

Zijn gezondheidstoestand verslechterde in het begin van de jaren zeventig. In 1973 mocht hij niettemin nog beleven dat de Universiteit van München zijn Doktorswürde vernieuwde, een typisch Duitse onderscheiding, die men kan vergelijken met een eredoctoraat, aan de eigen universiteit dan, bij ons. In 1974 werd hij erelid van de Vereniging voor Auteursrecht (vroeger alai), waarvan hij vice-voorzitter was geweest. In maart 1975 moest hij onverwacht een operatie ondergaan. Kort daarop, zaterdagavond 15 maart, overleed Ernst Denny Hirsch Ballin. De crematie vond volgens zijn wens in stilte plaats op dinsdagochtend 18 maart 1975.

Het zou onbegonnen werk zijn een beschouwing van het omvangrijke wetenschappelijke werk van Hirsch Ballin in deze korte tekst te willen geven. Afgezien van zijn academisch proefschrift Das Recht aus der Erfindung werd een keuze uit zijn voornaamste werken ondergebracht in Auteursrechtelijke opstellen, bij Kluwer te Deventer in 1970 uitgegeven en ingeleid door zijn leerling A. Komen. Het is zeker zinvol daaruit andermaal Hirsch Ballins vermaarde trilogie naar voor te brengen, de openbare lessen en de inaugurele rede, waarmede hij zijn loopbaan als hoogleraar inzette, respectievelijk te Utrecht (1947), Leiden (1947) en Amsterdam (1959): Auteursrecht in wording, Uitgeversrecht in wording en Maken en vervaardigen, waarin hij wel het meest kernachtig zijn auteursrechtelijke opvattingen en inzichten synthetiseerde. Wanneer men daarnaast de blik laat glijden over de lange bibliografische lijst van zijn volledige bijdragen aan de rechtswetenschap, dan springen drie dingen in het oog. In de eerste plaats de stijgende produktiviteit, de naar volledigheid groeiende manier waarop Hirsch Ballin de rechtspraak en de rechtsliteratuur op het gebied van het auteursrecht op de voet volgde en commentarieerde, niet alleen in Nederland en Europa, maar over de hele wereld heen. Vervolgens hoe zijn voorkeur ging naar de grondige en dan volledig uitgediepte analyse en bespreking van zeer specifieke, acuut gestelde en doorgaans ook moeilijke problemen. Tenslotte de uitgebreide talenkennis van deze geleerde, die naast het Duits en het Nederlands, zijn artikelen ook schreef in het Engels, het Frans en het Italiaans.

[p. 68]

Men mag gerust zeggen dat de geleerdheid van Hirsch Ballin op het gebied van het auteursrecht spreekwoordelijk was geworden. Geen boek, noch artikel, geen vonnis of arrest, of Hirsch Ballin kende het en hield het als een computer in zijn geheugen geborgen, om het ten gepaste tijde, ter demonstratie van zijn stellingen, naar voor te brengen. Deze overvloed van kennis maakt de lectuur van zijn werk niet eenvoudig. Sommige van zijn geschriften worden meermaals per regel onderbroken door verwijzingen naar rechtsleer en jurisprudentie. Deze moeilijke kant in het werk van Hirsch Ballin wordt echter vanzelfsprekend aanvaard in ruil voor de schat van kennis die men er in vindt.

Nog boeiender en innemender was zijn verschijning als mens. Zelden zal men een hoogleraar hebben ontmoet die zich zo mild en minzaam, zo nederig ten dienste stelde van zijn leerlingen. Een der meest markante kanten van zijn persoonlijkheid was de stille bescheidenheid waarmee hij zijn grote geleerdheid zo sympathiek en ontvankelijk wist aan te bieden. Professor Hirsch Ballin zal in de herinnering blijven leven van zijn vele leerlingen, niet alleen als een geleerd maar ook en vooral als een minzaam man. Voor hen die op een of andere wijze in zijn spoor lopen, blijft hij een lokkend voorbeeld als geleerde, als hoogleraar en als mens.

 

Berkenrode, 13 december 1977

frans van isacker

Voornaamste geschriften

Voor een overzicht van de publikaties tot 1970 van E.D. Hirsch Ballin kan verwezen worden naar E.D. Hirsch Ballin, Auteursrechtelijke opstellen, Deventer, AE.E. Kluwer, 1970. Hierin is naast een keuze uit zijn werk ook een bibliografie opgenomen. Aan deze bibliografie dienen de volgende sinds 1970 verschenen publikaties en nog enkele voor 1970 te worden toegevoegd.

Kurt Runge, Urheber- und Verlangsrecht in Gewerblicher Rechtsschutz und Urheberrecht 1948, p.311-312 (bespreking).

Comité d'experts en droit d'auteur in Nederlands Juristenblad 1949, p.574 en volgende.

Comité d'experts en droit d'auteur in Gewerblicher Rechtsschutz und Urheberrecht 1949, p.409.

Ludwig Delp, Die Kulturabgabe in Nieuwsblad voor de Boekhandel 1950, p.515 (bespreking).

Richard Vetter, Die Rechtsbeziehungen zwischen Verfasser und behindertem Verleger in Deutsche Rechts-Zeitschrift Tübingen 1950, p.262.

Televisie en boek iii in Nieuwsblad voor de Boekhandel 1951, p.489.

De grote bezoeking van de televisie in Nieuwsblad voor de Boekhandel 1951, p.586.

M.J. Langeveld, Einführung in die Pädagogik, Stuttgart 1951 (vertaling).

Universele auteursrecht-conventie in Nieuwsblad voor de Boekhandel 1952, p.921 en volgende.

[p. 69]

Quelques considérations sur les lois récentes et les projets de réforme en préparation du droit d'auteur in Rapport général, Congrès d'Amsterdam, Association Littéraire et Artistique Internationale 1956.

La protection des oeuvres d'art appliqué à l'industrie in Revue Internationale du Droit d'Auteur 36-37, 1962.

Discussiebijdrage inzake preadvies mr. C.H. Beekhuis over ongeoorloofde mededinging in Handelingen Nederlandse Juristen Vereniging 93:11, 1963, p.34-38.

Herziening van de Auteurswet 1912 in Nederlands Juristenblad 1965, p.719-721.

Discussiebijdrage inzake preadvies jhr. mr. P.J.W. de Brauw over de bescherming van de persoonlijke sfeer in Handelingen Nederlandse Juristen Vereniging 95:11, 1965, p.19-21.

Auteursrechtelijke opstellen. Een keuze uit het werk van prof. dr. E.D. Hirsch Ballin. Deventer, AE.E. Kluwer, 1970 (met volledige bibliografie; woord vooraf door A. Komen).

Het ja zuster, nee zuster-arrest in Nederlands Juristenblad 1970, p.744 en volgende.

Bouwwerk en bouwdoos. Over artikel 18 der Auterurswet 1912 in Bouwrecht 1970, p. 379 en volgende.

Annotatie bij Cour d'Appel Bourges, 1 juni 1965, Cour d'Appel Orléans, 20 februari 1967 en Cour de Cassation, 12 februari 1969 in Schulze Ausland Frankreich 17, 19, 21, 1970.

Annotatie bij Tribunal Correctionnel de Paris, 17 januari 1968 in Schulze Ausland Frankreich 20, 1970.

Annotatie bij Suppreme Court of Canada, 1 april 1968 in Schulze Ausland Kanada 1, 1970.

Gino Galtieri, Proprietá letteraria e artistica 1 in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 57, 1970, p.378 (bespreking).

Horst Locker, Das Recht der bildenden Kunst in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 58, 1970, p.377 (bespreking).

Mephisto in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 59, 1971, p.21 en volgende.

Annotatie bij Hof van Beroep, Brussel, 11 april 1969 in Schulze Ausland Belgien 6, 1971.

Annotatie bij Hof van Beroep, Brussel, 3 juni 1969 in Schulze Ausland Belgien 7, 1971.

Annotatie bij Hof van Beroep, Brussel, 12 november 1969 in Schulze Ausland Belgien 8, 1971.

Annotatie bij Cour de Cassation, Paris, 5 januari 1970 in Schulze Ausland Frankreich 22, 1971.

Annotatie bij Cour d'Appel, Paris, 30 juni 1970 in Schulze Ausland Frankreich 23, 1971.

Annotatie bij Pres. Rechtbank Amsterdam, 4 maart 1969 in Schulze Ausland Niederlande 4, 1971.

O.S. Reschenauer und A. Stankowski, Firmenimage, Markentypologie, Werbe-elemente, Kompaktwerbung in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 59, 1971, p.369 (bespreking).

Krausse, Katluhn und Lindenmaier, Das Patentgesetz in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 61, 1971, p.382 (bespreking).

Over het recht tot verveelvoudiging van een werk. Kanttekeningen bij de Auteurswet 1912 in Recht in beweging. Opstellen aangeboden aan prof. mr. Ridder R. Victor. 1. Deurne-Antwerpen 1972, p.551 en volgende.

D'après-Werke in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 64, 1972, p. 117 en volgende (ook gepubliceerd in Festschrift für Georg Roeber. Berlin 1973, p.191 en volgende).

[p. 70]

Annotatie bij Pretura di Bologna, 20 april 1971 in Schulze Ausland Italien 19, 1972.

Copinger and Skone James, On copyright in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 65, 1972, p.377 (bespreking).

Klauer und Möhring, Patentrechtskommentar in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 65, 1972, p.384 (bespreking).

Besinnung auf Rechtsvergleichung in Mario Rotondi, Buts et methodes du droit comparé. Padova-New York 1973, p.369 en volgende.

Annotatie bij Tribunal de Grande Instance, Paris, 11 januari 1971 in Schulze Ausland Frankreich 24, 1973.

Eduard Reimer, Wettbewerbs- und Warenzeichenrecht iii in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 66, 1973, p.379 (bespreking).

Wilhelm L. Pastor, Wettbewerbs-Alphabet in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 66, 1973, p.380 (bespreking).

Zum Vorentwurf einer gesetzlichen Regelung des Verlagsrechts in den Niederlanden in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 73, 1975, p.17 en volgende (met vertaling van de tekst van titel 8 van boek 7 ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek op p.220 en volgende).

Over de invloed van het positivisme op de rechtswetenschap in Nederlands Juristenblad 1975, p.1053 en volgende (vertaling van het in 1947 in het Zeitschrift für schweizerisches Recht verschenen artikel Über den Einfluss des Positivismus auf die Rechtswissenschaft).

Peter von Foerster, Das Urheberrecht des Theaterregisseurs in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 74, 1975, p.371 (bespreking).

Eduard Reimer und Otto Friedrich Frhr von Gamm, Wettbewerbs- und Warenzeichenrecht in Archiv für Urheber-, Film-, Funk-, und Theaterrecht 75, 1976, p.383 (bespreking).

Ludwig Leiss, Verlagsgesetz in Archiv für Urheber-, Film, Funk-, und Theaterrecht 75, 1976 (bespreking).

Verder schreef D.E. Hirsch Ballin een groot aantal aankondigingen in het Nederlands Juristenblad in de jaargang 1970.

terug  begin  verder