terug  begin  verder
[p. 120]

Hubert Paul Hans Teesing
Amsterdam 6 maart 1907 - Utrecht 19 augustus 1973

Dat voor een hoogleraar de mogelijkheid was geschapen om met vijfenzestig jaar emeritaat aan te vragen vond Hans Teesing de laatste jaren van zijn leven, toen een blijvende moeheid hem parten speelde, een geruststellende gedachte. Dat deze mogelijkheid echter nog geen verplichting was vond hij zo mogelijk nog geruststellender. Hans Teesings leven was ten nauwste verbonden met het werk dat hij deed en waarvan de hoofdtaken - die van leermeester en die van wetenschapsbeoefenaar - in een zeldzaam evenwicht tot elkaar stonden.

Hans Teesing werd op 6 maart 1907 te Amsterdam geboren als zoon van H.A.H. Teesing en B.J. Hanewacker (zijn moeder was Duitse). Zijn vader verloor hij al vroeg, een omstandigheid die niet zonder invloed bleef op zijn opleiding die hij dan ook via omwegen heeft voltooid. In 1924 behaalde hij het eindexamen van de hbs. Na anderhalf jaar in de handel werkzaam te zijn geweest behaalde hij in 1926 de onderwijzersakte, werd onderwijzer te Amsterdam en verwierf het diploma Duits mo-a. In 1927 legde hij staatsexamen af en werd hij benoemd aan een meisjesschool te Assen. De universitaire studie volgde hij te Groningen en Heidelberg (aan de Duitse universiteit verdiepte hij zich vooral in de filosofie). In 1935 deed hij doctoraal examen in de Duitse taal- en letterkunde. Hierna volgde een tijd van wisselende betrekkingen bij het middelbaar onderwijs, tijdelijke of gedeeltelijke aanstellingen te Groningen, Utrecht, Middelburg, en Tiel. Van 1942 tot 1953 was hij verbonden aan het Amsterdams Lyceum. In de cursus 1945-1946 vervulde hij tevens een leeropdracht voor Duitse literatuur aan de Universiteit van Amsterdam. In de periode 1950-1952 was hij ook docent aan het noib te Breukelen (Nijenrode). Op 10 december 1948 promoveerde hij te Groningen cum laude op het proefschrift Das Problem der Perioden in der Literaturgeschichte (Groningen, Wolters). Op 21 maart 1952 volgde zijn benoeming tot lector in de nieuwere Duitse letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht en op 5 mei 1956 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar in de nieuwere Duitse letterkunde en de theoretische literatuurwetenschap aldaar. De dubbele leeropdracht werd in 1971 gesplitst en zijn leeropdracht was vanaf dat tijdstip de theoretische literatuurwetenschap. Hij vervulde twee gastdocentschappen in het zomersemester van 1955 te Keulen en in 1961-1962 te Ann Arbor.

[p. 121]

Uit zijn eerste huwelijk met Rebecca Koster - dat reeds ontbonden in de bezettingstijd opnieuw werd gesloten ter bescherming van mevrouw Koster - had hij twee dochters, Isolde en Erika, waarvan de oudste (Isolde) in de hongerwinter kwam te overlijden. In 1953 trouwde hij met Masha Polak.

Hans Teesing die zelf de weg van onderwijzer via staatsexamen en mo-opleiding naar de universitaire studie heeft doorlopen, is altijd veel in de mogelijkheid van een studie naast een dagtaak blijven zien. De talrijke ontberingen die de mo-studie met zich mee bracht en het doorzettingsvermogen dat van de studenten werd gevraagd (studenten die bovendien in veel gevallen de zorg voor een gezin hadden), waren hem bekend. Het was dan ook voor hem vanzelfsprekend dat hij zich als docent en examinator in de examencommissies mo-a en mo-b voor deze opleiding bleef inzetten. Professor J.A. Huisman heeft in zijn In memoriam H.P.H. Teesing (Duitse Kroniek 26, 1974) juist zijn verdiensten op het gebied van de buiten-universitaire opleiding voor leraren onder de aandacht gebracht. Huisman memoreert Teesings begrip voor de moeilijkheden van de avondcursisten en hij vermeldt als bijzonderheid het feit dat Teesing met dr. Emmy Kerkhoff de mo-cursus Duits van het Nutsseminarie heeft opgezet (naar men mij heeft verteld aanvankelijk bij hem aan huis).

Hij heeft een belangrijk aandeel gehad in vernieuwingen van het programma en het valt mij niet moeilijk om te gissen dat deze vernieuwingen voornamelijk gezocht moeten worden in een sterkere concentratie op de literaire tekst. Teesing bleef tot aan zijn overlijden verbonden aan de cocma te Utrecht. Een van zijn laatste activiteiten was het voorzitterschap van de zogenaamde Commissie-Teesing. Deze commissie heeft zich ingezet voor het behoud van de mo-studie (ook naast de uitbreiding van de lerarenopleidingen) en de grote maatschappelijke betekenis ervan onderstreept.

Met de universitaire docent Teesing mocht ik als deelnemer aan werkcolleges voor kandidaten kennismaken. Ook hier beschouwde hij de concentratie op een bepaalde tekst en de nauwkeurige analyse ervan als basis van het college. Deze tekstgerichte benadering had echter geenszins een beperkend karakter. Een versregel of een zin of een alinea uit roman, novelle of essay vormden de aanleiding tot een boeiende uiteenzetting over cultuurhistorische samenhangen, die de erudiet Teesing toonde en de ‘immanentie’ van de benadering doorbraken. Zo zal ik een blijvende herinnering houden aan de geëngageerde en indringende wijze waarop hij Nederlandse studenten Nietzsches houding ten aanzien van de relatie tussen

[p. 122]

Frankrijk en Duitsland na 1871 trachtte duidelijk te maken, en wel naar aanleiding van de zin: ‘Die öffentliche Meinung in Deutschland scheint es fast zu verbieten, von den schlimmen und gefährlichen Folgen des Krieges, zumal eines siegreich beendeten Krieges zu reden’, waarmee Nietzsche de Erste Unzeitgemässe Betrachtung opent.

Teesings vrees was altijd wel dat de signalen van ironie door zijn studenten niet zo goed zouden worden begrepen. Deze vrees heeft hij rechtstreeks van zijn leermeester Van Stockum overgenomen die herhaaldelijk zijn twijfels uitgesproken moet hebben over de ontbrekende reactie van zijn studenten op ironie. Teesing heeft - zelf begiftigd met een fijn oor voor ironische klanken (dit tot troost voor Van Stockum) - zijn uiterste best gedaan om zijn studenten voor dit verschijnsel gevoelig te maken: Heine, Nietzsche, Wieland, Thomas Mann, Morgenstern waren bronnen waaruit hij kon putten.

Eigen inzichten en kennis drong hij echter nooit aan de studenten op. De hoogleraar Teesing kon luisteren of op een zacht aanmoedigende wijze de student tot spreken brengen. Tentamens bij hem aan huis plachten lang te duren - niet omdat er zoveel vragen werden gesteld, maar omdat er een gesprek werd gevoerd. Had de student al de vrijheid om zijn mening te kennen te geven en als gesprekspartner te worden beschouwd - in nog veel grotere mate viel dit de promovendus ten deel. Teesing wist dat mensen verschillend kunnen reageren en hij stelde zich er op in: de promovendus die hem een afgewerkt manuscript overhandigde waardeerde hij evenveel als degeen die stapsgewijs en met tussentijdse besprekingen het werk voltooide. Stukjes of hele manuscripten - bij het in ontvangst nemen ervan leek het wel als of Teesing juist op dit werk had zitten wachten. Heel spoedig vernam je wat hij ervan dacht. Zijn inzicht in de psyche van de mens bewaarde hem ervoor, door uitstel of trage reactie iemand te kwetsen in een periode van creativiteit.

Zodra iemand eenmaal een zekere deskundigheid had verworven en op grond daarvan als medewerker bij de universiteit was aangesteld, achtte Teesing hem waardig om gehoord te worden. Peter Delvaux wijst in zijn herdenking Herinneringen aan een verre vriend in het reeds genoemde nummer van Duitse Kroniek juist op het feit dat Teesing al vroeg voorstander was van medezeggenschap van de wetenschappelijke staf. Hij heeft menig pleidooi hiervoor gevoerd in de vele jaren dat hij als lid, secretaris en voorzitter van de faculteit der letteren in dit gremium zijn mening te kennen kon geven. Aan bestuurlijke taken heeft hij zich nooit onttrokken; ook niet

[p. 123]

wanneer hij vond dat men de deskundigheid uit het oog begon te verliezen en collega's het wel eens aan ‘Zivilcourage’ (zoals hij het noemde) lieten ontbreken door zich te voegen bij het jeugdige protest tegen elke vorm van traditie en continuïteit, een protest dat hij bij de jonge mens kon waarderen maar waarvan hij vond dat het de ouderen misstond. In de nieuwe bestuursstructuur was hij lid van de eerste universiteitsraad en voorzitter van de vakgroepsraad.

Op Teesings wetenschappelijke verdiensten heb ik bij twee gelegenheden mogen ingaan. In 1972 toen collega's uit binnen- en buitenland, vrienden en leerlingen hun waardering voor de wetenschapsbeoefenaar mochten uitspreken door hem voor zijn vijfenzestigste verjaardag een feestbundel aan te bieden onder de titel Dichter und Leser. Studien zur Literatur (Groningen, Wolters, 1972, Utrechtse Publikaties voor Algemene Literatuurwetenschap 14) en een tweede keer in mijn bijdrage tot het herdenkingsnummer van Duitse Kroniek. Dichter und Leser is citaat en vertaling van een door Teesing in 1959 gehouden lezing waarin hij de communicatie tussen dichter en lezer als een door de dichter steeds gevoelde bedreiging beschrijft, een bedreiging die zijn oorsprong vindt in de ontoereikendheid van de taal. Deze ontoereikendheid en beperktheid van menselijk communiceren was het ook die zijn aandacht heeft gericht op het fenomeen van de ironie, die zonder het bewustzijn van de discrepantie tussen ideaal en werkelijkheid niet zou kunnen bestaan. Ook al verschillen de vormen van ironie bij de door Teesing bestudeerde schrijvers (de romantische ironie van Heinrich Heine is een andere dan de intellectualistische preciositeit van Thomas Mann, die wederom sterk verschilt van de speelse scherpte van een Christian Morgenstern) - de fundamentele discrepantie blijft de gemeenschappelijke achtergrond.

De meest algemene en methodologisch meest verstrekkende wetenschappelijke bijdrage van Teesing vormt echter zijn boek Das Problem der Perioden in der Literaturgeschichte. Een gewijzigde herdruk van dat boek in de reeks Konzepte van Niemeyer in Tübingen bleek door Teesings overlijden onuitvoerbaar te zijn geworden. Het boek, op het cruciale moment van de aflossing van de ‘geisteswissenschaftliche Methode’ door de ‘textimmanente Interpretation’ geschreven, zal alleen al als document van deze methodologische heroriëntering belangrijk blijven. Bovendien echter anticipeert het op een ontwikkeling, die de literatuurwetenschap op dit moment verwerkt, namelijk de belangstelling voor het werk in zijn historische context, zonder de objectiviteitspostulaten van het historisme, maar in de

[p. 124]

overtuiging dat een theoretische constructie de basis van het onderzoek is. In veel opzichten sluit Teesings boek - hoewel onafhankelijk ervan ontstaan - nauw aan bij de voor het methodologisch fundament van ons vakgebied zo belangrijke inzichten van het Russisch formalisme en het Tsjechische structuralisme. De aflossing van ‘stijlen’ en de relatieve autonomie van het literaire systeem, dat anderzijds in herkenbare relatie tot andere systemen staat, zijn punten van overeenkomst.

Een van Teesings laatste publikaties vóór zijn overlijden vormde de neerslag van zijn nadenken over het pobleem van de fictionaliteit. Het was tegelijk de slotrede die hij hield als ondervoorzitter van het tweeëndertigste Nederlands Filologencongres te Utrecht in 1972 (hij heeft dikwijls bij deze congressen een actieve rol gespeeld; in 1946 reeds heeft hij een lezing gehouden; ook hieruit spreekt weer zijn grote belangstelling voor het werk van de leraren voor wie de filologencongressen in eerste instantie waren bedoeld). ‘Na-denken’ was overigens typerend voor Hans Teesing. Tot het zich verdiepen in het onderwerp van de fictionaliteit werd hij namelijk gestimuleerd door het boek Literatuurwetenschap van de hand van zijn leerling F.C. Maatje. Teesing was de man van het aanbrengen van nuances en hij heeft dit uitvoerig gedaan in Literatuur en werkelijkheid. Het probleem der fictionaliteit. De conclusie waartoe hij is gekomen is deze: onder de oppervlakte van de fictionele elementen in literaire werken vinden we een heel net van verwijzingen naar de historische werkelijkheid. De relatie van de fictionele elementen tot de ons omringende werkelijkheid wil hij ‘symbolisch’ noemen.

De problemen diep doordenken, tot onder de oppervlakte trachten door te dringen, nuances aanbrengen - dit was de wetenschappelijke habitus van mijn leermeester Teesing. Zoals hij het op prijs heeft gesteld om opgesloten in zijn studeerkamer zijn gedachten te ordenen en te formuleren, zo stond hij anderzijds open voor het sociale collegiale contact binnen en buiten het universitaire verband, vooral ook daar waar in dit contact de grenzen van de eigen discipline werden overschreden. Zo was hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en van het Provinciaal Utrechts Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen, lid van de vroegere Studiekring voor Taal- en Letterkunde (tegenwoordig de Vereniging voor Algemene Literatuurwetenschap); hij was lid van de internationale verenigingen van comparatisten en van germanisten, en lid en voorzitter van de afdeling Utrecht van het Genootschap Nederland/Duitsland. Hij was mederedacteur van de Utrechtse Publikaties voor Algemene Literatuur-

[p. 125]

wetenschap en van de secties algemeen en Duits van Neophilologus. Door deze talrijke contacten hield hij een open oog voor zich aankondigende ontwikkelingen, die hij - als zij hem de moeite waard leken - van harte steunde. Zo heeft hij zich ingezet voor de comparatistiek als eigen afdeling naast de theoretische literatuurwetenschap in Utrecht, en heeft hij een groot aandeel gehad in de vestiging van een instituut voor theaterwetenschap. Samen met zijn collega's Brandt Corstius, Bomhoff, Meeuwesse en Kamerbeek heeft hij in het kader van de Academische Raad gewerkt aan de erkenning van de algemene literatuurwetenschap als bovenbouwstudie. Dat deze erkenning in 1967 werd gerealiseerd is mede aan zijn inspanningen te danken.

 

elrud ibsch

Voornaamste geschriften

Das Problem der Perioden in der Literaturgeschichte. Groningen 1948 (dissertatie Groningen).

Literatuurgeschiedenis en literatuurwetenschap. Groningen/Djakarta 1952 (openbare les Utrecht).

Ironie als literair spel. Groningen/Djakarta 1956 (inaugurele rede Utrecht).

The Chicago School in Théories et problèmes. Contributions à la méthodologie littéraire.

Copenhague 1958, p.198-206 (Orbis Litterarum Supplement 2).

Capriolen van Pegasus in Levende Talen 1959, p.394-408.

Dichter en lezer. Utrecht 1959 (Voordrachten en redevoeringen Centrale Opleidingscursussen voor Middelbare Akten 9).

Die Magie der Zahlen. Das Generationsprinzip in der vergleichenden Literaturgeschichte in Miscellanea litteraria. Groningen 1959, p.147-173 (Studia Litteraria Rheno-Trajectina 4).

Het genre in Handelingen van het zesentwintigste Nederlands Filologencongres Groningen 1960, p.98-105.

Der Standort des Interpreten in Orbis Litterarum 19, 1964, p.31-46.

Probleme der kunstwissenschaftlichen Wertung in Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte en Psychologie 56, 1964, p.246-251.

Perodisierung in Reallexikon der deutschen Literaturgeschichte. Band 3. Berlin 1966. (Herausgegeben von Werner Kohlschmidt und Wolfgang Mohr; zweite Auflage).

Ironie als dichterisches Spiel. Ein stilistischer Versuch an Hand von Wielands Schach Lolo in Stil- und Formprobleme in der Literatur. Heidelberg 1969, p.258-266 (Herausgegeben von Paul Böckmann).

Romantische ironie bij Heinrich Heine in Het spel in de literatuur. Wassenaar 1970, p.95-118.

Literatuur en werkelijkheid. Het probleem der fictionaliteit in Handelingen van het tweeëndertigste Nederlands Filologencongres Utrecht 1972. Amsterdam 1974, p.18-27; Duitse Kroniek 26 1974, p.11-23 (speciaal nummer: Prof. dr. H.P.H. Teesing 1907-1973).

Literaturgeschichte und Literaturkritik in Zeitschrift für Ästhetik und allgemeine Kunstwissenschaft 20, 1975, p.14-25.

terug  begin  verder