terug  begin  verder
[p. 132]

Josephus Johannes de Witte
Roosendaal 1 mei 1911 - Nijmegen 6 of 7 maart 1977

Triest is het en voor buitenstaanders welhaast onbegrijpelijk, dat iemand, levend in een kloostercommuniteit, volslagen eenzaam kan sterven. De juiste sterfdatum van Toon (zoals zijn kloosternaam luidde) of Joost de Witte zal onbekend blijven, omdat hij pas in de late avond van dinsdag 8 maart dood in zijn kamer werd aangetroffen, waarvan de deur eerst geforceerd moest worden. Typerend is het echter wel voor zijn wat verschanste wijze van leven: nimmer vertelde hij wanneer of voor hoelang hij uitging en steeds sloot hij zijn kamerdeur af. Vandaar dat zijn medebroeders Joosts afwezigheid aanvankelijk niet opmerkten, maar dit ontglipt zijn aan confraterlijke aandacht en zorg heeft hun wel erg veel pijn gedaan.

Joost de Witte werd geboren op 1 mei 1911 te Roosendaal, studeerde van 1923 tot 1929 aan het gymnasium aldaar en trad in de Orde der Dominicanen op 17 september 1929. 25 juli 1935 ontving hij de priesterwijding. Twee jaar later deed hij lectoraatsexamen theologie, waarna hij in dat zelfde jaar de opdracht kreeg om aan de Nijmeegse universiteit Nederlands te gaan studeren. 13 juni 1945 deed hij zijn doctoraal examen en 8 juli 1948 promoveerde hij tot doctor in de letteren en wijsbegeerte op een proefschrift getiteld De betekeniswereld van het lichaam.

In dat zelfde jaar werd hij benoemd tot leraar Nederlands aan het Dominicuscollege te Nijmegen, welke functie hij tot 1965 vervulde. Vanaf september 1957 was hij als docent verbonden aan de mo-opleiding Nederlands van de Gelderse Leergangen te Arnhem. In 1965 werd hij benoemd tot lector in de logica aan het filosoficum van de Dominicanen te Zwolle, het jaar daarop verhuisde hij naar het Albertinum te Nijmegen, waar hij naast logica ook criteriologie doceerde. Op zijn vijfenzestigste nam hij ontslag als studieleider en docent aan de mo-a-opleiding en een maand vóór zijn dood besloot hij ook de vier lessen die hij gaf aan de mo-b-opleiding te stoppen.

Al vanaf 1972 voelde hij, zoals uit een notitie blijkt, de noodzaak zijn krachten te sparen. Hij wilde gaan werken aan een soort geestelijk testament, een boek over ‘geloof, gebed, verkondiging, getuigenis van een taalman’. Het is er niet meer van gekomen. Maar het zou zijn tweehonderdzesenzestigste publikatie zijn geworden!

In persoonlijke aantekeningen heeft Joost zich herhaaldelijk rekenschap gegeven van de lijnen waarlangs zijn studie zich ontwikkelde. Zo noteerde

[p. 133]

hij in 1970 bij het verschijnen van zijn Aula-boek De functie van de taal in het denken: ‘In 1945 zei Jac van Ginniken me: ‘Je moet eerst goed thuis raken in de semantiek (De betekeniswereld van het lichaam 1948), dan de principen van de grammatika achterhalen (o.a. De struktuur van het Nederlands 1961) en dan zul je in staat zijn de functie van de taal in het denken te gaan begrijpen’. Ik was het daarmee eens en dit boek is het einde van deze trits. Nu rest me nog dit uit te diepen, terwijl de nood van de tijd me meesleept naar taal en theologie, in feite verkondiging, de goed gehermeneutiseerde vertaling van de oude gegevens naar 1970 en volgens de Engelse analyse in goed te begrijpen gewone bewoordingen’.

Jac. van Ginniken overleed in 1945; Joost heeft de weg die deze in zijn laatste levensjaar voor hem had uitgestippeld, nauwkeurig gevolgd.

Zijn eerste periode van 1943 tot 1948, is die van de semantiek. Na enkele voorstudies gepubliceerd te hebben vooral in het Tijdschrift voor Filosofie, werd deze fase in 1948 afgesloten met het proefschrift De betekeniswereld van het lichaam, (promotor prof. L.C. Michels).

Een directe toepassing van het taalkundig resultaat op de psychologie was: Het lichamelijke in de voorstelling in Lichamelijkheid, herdenkingsbundel bij het vijftigjarig bestaan van het filosoficum te Zwolle (1951).

Na 1948 volgde een soort overgangsperiode waarin Joost zich oriënteerde in de moderne stromingen op het gebied van de linguïstiek. Vooral verdiepte hij zich in deze jaren in de inzichten van de zogenaamde signifische beweging. Hij publiceerde over de verhouding van significa en linguïstiek, onder andere in het tijdschrift Synthese.

Te midden van didactische activiteiten en de publikatie van schoolboeken, begint vanaf 1955 de tweede periode, die loopt tot midden van de jaren zestig. Het is de periode van de grammatica. Enkele voorstudies monden uit in het samen met N. Wijngaards geschreven De struktuur van het Nederlands (1961).

De derde periode, van 1966 tot 1970 omvat enkele publikaties over kennen en taal en wordt afgerond met De functie van de taal in het denken (1970).

In deze jaren breekt eigenlijk een vierde periode aan: taal en theologie. Een eerste aanzet was al gepubliceerd in 1955, een artikel in Studia Catholica The situation of theological word. Hij schrijft een tweetal artikelen in het Tijdschrift voor Theologie, vanaf 1966 talrijke recensies in dit tijdschrift, een tiental preken en een meer theoretische beschouwing in Kerugma. In een werkgroep werkte hij als taalwetenschapper mee aan een boek over

[p. 134]

theologie van de secularisatie, en hij leverde een bijdrage aan een artikel over de toekomst van de theologie, geschreven onder leiding van Ted Schoof. Aan een nieuw boek over taal en theologie is hij, zoals gezegd, niet toegekomen. Al deze jaren bleven ook de schone letteren hem boeien. Als het ware ‘tussen de bedrijven door’ schreef hij over Vondel, Hooft, Aart van der Leeuw, Henriette Roland Holst en Hella Haasse.

 

r.l.j. bromberg o.p.

Voornaamste geschriften

Analogie. Roermond, J.J. Romen en Zn., 1946 (Wijsgerige grondbegrippen 16).

De betekeniswereld van het lichaam. Taalpsychologische en taalvergelijkende studie. Utrecht, Het Spectrum; Antwerpen, Standaard-Uitgeverij, 1948 (Universitaire bibliotheek voor psychologie; dissertatie Nijmegen).

Het lichamelijke in de voorstelling in Lichamelijkheid. Utrecht, Het Spectrum, 1951, p.157-187.

Leerboek voor de tekstverklaring. i, ii, iii. Breda, Parcival, 1952-1956.

Naar een nieuwe grammatica. Arnhem 1958.

De struktuur van het Nederlands. Een evolutief-klassieke synthese. 's-Hertogenbosch, L.C.G. Malmberg, 1961 (samen met N.C.H. Wijngaards).

Nederlands voor het vhmo. i, ii. 's-Hertogenbosch, L.C.G. Malmberg 1961-1962 (samen met N.C.H. Wijngaards).

Het negende Internationale Linguïstencongres van augustus 1962 te Cambridge in de Verenigde Staten. Groningen, J.B. Wolters, 1962.

Strukturele historische grammatika van het Nederlands. Klankleer. 's-Hertogenbosch, L.C.G. Malmberg, 1964.

De mens in zijn taal gevangen. Groningen, J.B. Wolters, 1965.

P.C. Hoofts Geeraerdt van Velsen. Zutphen, W.J. Thieme & Cie., 1969 (herzien en ingeleid).

De functie van de taal in het denken. Utrecht, Het Spectrum, 1970 (Aula-boeken 441).

P.C. Hoofts Theseus en Ariadne. Zutphen, W.J. Thieme & Cie., 1972 (met een inleiding en aantekeningen).

Uitgangspunt van deze lijst was de door Joost de Witte zelf in 1969 opgestelde Keuze uit publicaties. Zijn volledige bibliografie wordt bewaard in het Archief van de Nederlandse Provincie der Dominicanen.

terug  begin  verder