Op verzoek van de jaarvergadering 1975 waren deze criteria voorgelegd aan de jaarvergadering 1976 en thans in licht gewijzigde vorm aan de jaarvergadering 1977. Na een korte gedachtenwisseling werden de selectiecriteria door de vergadering aangenomen.
Selectiecriteria voor het lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde:
1. Voor het lidmaatschap van de Maatschappij komen in aanmerking al diegenen die óf beroepshalve, óf als amateurs zich verdienstelijk maken op één van de drie hoofdterreinen van de Maatschappij, te weten: letterkunde, taalkunde en geschiedenis met betrekking tot de Nederlandse cultuur, en in het bijzonder ook zij die door hun lidmaatschap een bijdrage zouden kunnen leveren tot de verinniging van de relaties tussen deze terreinen.
2. Het spreekt vanzelf dat (een) publikatie(s) op één of meer van deze terreinen een belangrijk criterium zal (zullen) blijven voor het lidmaatschap. Aangezien het evenwel vrij vaak voorkomt dat een tijdrovend werk iemands eerste publikatie wordt, is het in een dergelijk geval voldoende dat
er redelijke aanwijzingen zijn voor vakgenoten dat er kwalitatief behoorlijk werk wordt verricht met het doel om tot publiceren te komen. In een dergelijk geval dient het lidmaatschap open te staan in beginsel, zulks om te bevorderen dat iemand reeds van het lidmaatschap profiteert gedurende deze vruchtbare jaren, én om het ledenbestand van de Maatschappij zo jong mogelijk te houden.
3. In het algemeen dient men er voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde van te blijven uitgaan dat haar leden zich bewegen op het gebied van de Nederlandse cultuur, waarbij ‘Nederlands’ gedefinieerd kan worden in ruime zin.
Dit brengt dus met zich mee dat naarmate de activiteiten in verwijderd verband met die Nederlandse cultuur staan, de overige selectiemaatstaven strenger worden gehanteerd. Als er heel weinig relatie met de Nederlandse cultuur meer is aan te wijzen dan moet, met andere woorden, het kwaliteitscriterium des te zwaarder wegen.
4. Er blijft, naast diegenen die zonder meer binnen de hierboven aangegeven criteria vallen, nog een - vrij kleine en ook zeer beperkt te houden - groep personen over voor wie een lidmaatschap kan worden bepleit omdat zij op grond van hun functie of positie regelmatig met het werk van de Maatschappij in aanraking komen.