Arie Kampman is één van de merkwaardigste mensen die ik heb leren kennen. Als een type met karakteristieke eigenschappen zal hij in mijn herinnering voortleven en ik weet dat ik niet de enige ben op wie hij een onvergetelijke indruk heeft gemaakt.
Hij is geboren in Dordrecht en aan deze stad van zijn jeugd is hij gehecht gebleven zelfs nadat hij de wereld had afgereisd. Gedurende zijn gymnasiumtijd toonde hij eigenschappen die hij later in zijn leven zou ontplooien. Hij richtte een toneelvereniging op die met een stuk van Shakespeare in het openbaar kwam, hij organiseerde een fietsclub en een wandelclub; zo toonde hij zich reeds als gymnasiast de geboren organisator. Velen zullen in de eerste plaats aan hem terugdenken als een man die zijn organisatietalent met toewijding in dienst stelde van de wetenschap die hem lief was.
Ik heb Arie Kampman al spoedig leren kennen nadat hij als student in Leiden was aangekomen. Hij wilde geschiedenis studeren maar had een bijzondere belangstelling voor de culturen van het oude nabije Oosten en daarin hebben we elkaar gevonden. We zaten samen onder het gehoor van professor F.M. Th. de Liagre Böhl en beoefenden onder diens leiding het spijkerschrift. Wat in die begintijd van onze vriendschap bijzondere indruk op me maakte was de energie van mijn studiegenoot. Een sterk staaltje daarvan toonde hij in de zomervakantie tussen zijn eerste en tweede jaar. Hij reed op zijn fiets over de Alpen naar Rome en weer terug. Daarmee bebewees hij zijn lichamelijk uithoudingsvermogen. Maar nog meer was ik onder de indruk van het feit dat hij in Rome toegang had gekregen tot de studeerkamer van professor Deimel. Ik wist dat deze geleerde zo beziggehouden werd door zijn werk aan het Sumerische lexicon dat hij bekwame vakgenoten buiten de deur hield. De tweedejaars Arie Kampman zag daarentegen kans de beroemde sumeroloog anderhalf uur op te houden.
De naam van Kampman is in Nederland en België onverbrekelijk verbonden aan het Genootschap Ex Oriente Lux. Bij de oprichting daarvan ben ik op 22 mei 1933 aanwezig geweest. We zaten in een klein gezelschap bijeen in de studeerkamer van B.A. van Proosdij die onze voorzitter zou worden. Kampman werd onze secretaris-penningmeester en deze functie heeft hij waargenomen tot 1974 toe. De bloei van het Genootschap is aan
twee factoren te danken. In de eerste plaats waren er de sensationele ontdekkingen van de archeologen die de publieke aandacht trokken. Daardoor kwamen de beschavingen van het oude Egypte, van Mesopotamië, Klein-Azië en de bijbelse landen in een kring van belangstellenden die veel wijder was dan die van de specialisten op oudheidkundig gebied. Daarom kon het geen verwondering wekken dat lezingen over oudheidkundige onderwerpen een talrijk gehoor vonden en dat niet alleen in de academiesteden.
Het oprichten van studiekringen in heel Nederland, het aantrekken van erkende sprekers en daaronder ook buitenlanders, is het met succes bekroonde werk van Kampman geweest. Hij begreep ook dat de band tussen de belangstellenden moest worden versterkt door publikaties. Daaraan hebben we de lijvige delen te danken van de Jaarberichten van het Genootschap Ex Oriente Lux, waarin op den duur niet alleen Nederlandse vakgeleerden hun licht lieten schijnen, maar waaraan ook buitenlanders graag hun medewerking hebben verleend. Deze Jaarberichten en daarnaast de serie Mededelingen en Verhandelingen hebben internationaal een reputatie verworven. Daarbij mogen de adviezen van de professoren A. de Buck en F.M. Th. de Liagre Böhl niet worden vergeten. De verdiensten van Kampman werden erkend door het Genootschap dat hem bij het veertigjarig bestaan in 1973 tot erelid benoemde.
Een gebeurtenis van grote betekenis was de oprichting van het Nederlands Archaeologisch Instituut voor het Nabije Oosten. Deze vond plaats op 17 augustus 1939 en kreeg als adres Noordeindsplein 4a in Leiden. De doelstelling van dit Instituut was het organiseren van cursussen en lezingen, het verlenen van onderdak aan vakgenoten die Leiden bezochten en het vormen van een bibliotheek. Hier kreeg Kampman een kamer, van waar uit hij de werkzaamheden leidde, hier werd hij op den duur de directeur. Dit Instituut werd aanvankelijk gefinancierd door particulieren, door de nalatenschap van Frank Scholten, door de verkoop van boeken en eigen publikaties. Eerst in 1958 en 1960 kreeg men subsidie van de overheid. Een ieder die met het Instituut in aanraking is gekomen zag de in omvang groeiende bibliotheek. Wat hij niet zag maar waarvan de vakgenoten op de hoogte waren, was de rol die het Instituut speelde wat betreft de culturele betrekkingen tussen Nederland en de landen in het nabije Oosten.
Een tweede ingrijpende gebeurtenis was in 1943 de oprichting van het tijdschrift Bibliotheca Orientalis. Het begin was bescheiden naar vorm en
inhoud, de bestemming leek niet verder te gaan dan het publiceren van recensies. Het tijdschrift is in omvang toegenomen, het is een internationaal positief gewaardeerd tijdschrift geworden waarin niet alleen uitvoerige besprekingen in de moderne talen voorkomen, maar ook als regel artikelen verschijnen die een actueel probleem aan de orde stellen. Dit is vooral te danken aan de internationale relaties die door Kampman werden aangeknoopt.
Een activiteit die reeds vóór de oorlog door hem werd ontplooid was het reizen en ditmaal niet per fiets maar per boot of vliegtuig naar de plaatsen waar spectaculaire oudheidkundige ontdekkingen waren gedaan. Eén van die plaatsen was Klein-Azië met zijn centrum van het oude Hethietische rijk. Dit maakte op Kampman zulk een indruk dat hij in het Jaarbericht van Ex Oriente Lux een groot aantal artikelen aan de Hethieten wijdde en op 12 december 1945 in Leiden promoveerde op een proefschrift met als titel De historische betekenis der Hethietische vestingbouwkunde. Zijn promotor was professor De Liagre Böhl. Na deze promotie heeft Kampman zijn gehoor geboeid met lezingen over de Hethieten en die werden niet alleen voor de kringen van het genootschap Ex Oriente Lux gehouden.
De jonge doctor ontwikkelde zich tot reiziger, niet alleen naar de landen die zijn wetenschappelijke interesse hadden maar ook en vooral naar internationale congressen. Bij enkele gelegenheden heb ik hem op zulk een congres meegemaakt en me daarbij ook wel geamuseerd over de relaties die hij aanknoopte. Zo werd hij in de kring van onze vakgenoten een algemeen bekende en gevierde man. Dat drong nog eens goed tot mij door toen ik op Schiphol een Engelse geleerde had afgehaald die terugkeerde van een congres van oriëntalisten dat hij in Istanbul had bijgewoond. Ik informeerde naar zijn ervaringen en vroeg terloops of hij Kampman had gezien. Het antwoord kwam met de laconieke vraag: ‘Who did not see Mister Kampman?’ Daarbij zag ik de bemoeienissen van mijn vriend Kampman helder voor mij. Hij sprak oude kennissen aan, maakte nieuwe en betrok geleerden uit de hele wereld in zijn zaak, dat wilde zeggen het schrijven van artikelen en recensies in de onder zijn leiding verschijnende tijdschriften en series.
Het waren echter niet alleen congressen die hij bezocht, hij reisde ook naar landen die zijn belangstelling hadden vanwege hun waarde voor de archeologie en wist toegang te krijgen tot de overheden van deze naties. Soms had een reis van Kampman grote en blijvende gevolgen, zoals bij voorbeeld zijn bezoek aan Persepolis in Iran. Hij speelde een belangrijke
rol in het aanknopen van culturele betrekkingen tussen Nederland en de landen van het nabije Oosten en zo werd hij onder andere de oprichter van het Genootschap Nederland-Iran en in verband daarmee de stichter van het tijdschrift Persica dat sinds 1964 met enige regelmaat is verschenen. Een hoogtepunt in het werkzame leven van Kampman was de opening van het van ons land uit geleide Instituut voor de Orientalistiek in Instanbul. Het werd in 1958 door Prins Bernhard geopend, dat was een waardige erkenning van het streven van Kampman die zich zozeer had ingespannen voor de totstandkoming van dit instituut. Het heeft niet alleen gastvrijheid verleend aan geleerde onderzoekers, het heeft ook internationaal gesproken door de uitgave van zesendertig waardevolle monografieën. De band met Istanbul werd nog versterkt door de opdracht die de universiteit aldaar aan Kampman verstrekte om als bijzonder hoogleraar gedurende enkele uren de kunstgeschiedenis van de antieke wereld te komen doceren. Deze werkzaamheid werd in de lente van 1965 aanvaard.
Velen heeft Kampman aan zich verplicht door het organiseren en leiden van groepsreizen naar de landen van het nabije Oosten. De deelnemers waren bij hun thuiskomst ingenomen met de wijze waarop hun leider de tochten langs belangwekkende plaatsen had georganiseerd en daarbij begrijpelijke voorlichting had gegeven. Hij is ook een geliefde reisleider van de jeugd geweest. Een aantal malen is hij met leerlingen van de middelbare school naar Italië geweest. Deze tochten hielden verband met een functie die Kampman bij al zijn drukke werkzaamheden nog op zich had genomen. Wij hebben het als buitenstaanders nauwelijks kunnen geloven dat hij een uitstekende leraar geschiedenis was geworden in Schiedam, eerst sinds 1948 aan de hbs, daarna sinds 1951 aan het gymnasium. Hij heeft dat tot zijn pensionering in 1976 volgehouden en uit de rapportcijfers van zijn leerlingen bij het eindexamen bleek hoe rijpe vruchten zijn inspirerend onderwijs had afgeworpen. Maar dit onderwijs in de school was hem niet genoeg, hij organiseerde reizen in de paasvakantie naar Rome en omgeving en wist de jongens en meisjes met belangstelling voor de antieke wereld te bezielen.
Hiermee meen ik globaal het werk van Arie Kamphuis te hebben gekarakteriseerd. De ruimte ontbreekt me om op details van zijn arbeid in te gaan. Het heeft hem niet aan blijken van dankbaarheid en positieve waardering ontbroken. Hij werd erelid van de Vereniging tot Bevordering van de Antieke Beschaving, die een Bulletin met internationale erkenning publiceerde, hij verwierf een koninklijke onderscheiding. Hij werd lid
van adviescolleges die zich bezighielden met onze culturele betrekkingen tot Turkije en Iran, hij organiseerde de Rencontres Assyriologiques Internationales, die in 1952, 1962 en 1972 in Leiden plaatshadden. Hij stimuleerde de Scholae de Buck die belangrijke geleerden voor lezingen hebben aangetrokken.
Toen hij zich teruggetrokken had uit zijn functies als directeur van het Nederlands Archaeologisch Instituut voor het Nabije Oosten en als hoofdredacteur van Bibliotheca Orientalis, verhuisde hij van Leiden naar Bemelen bij Maastricht. Zijn tweede vrouw, Lucy Dankelman, had hem de liefde tot Limburg bijgebracht. Zij zette in Bemelen haar taak als voortreffelijke gastvrouw voort. Wie hier op bezoek kwam ondervond hartelijkheid en kwam onder de indruk niet alleen van de inrichting van het huis, maar ook van de kolossale bibliotheek die Kampman zich had verworven. Zijn laatste huis was bepaald geen rusthuis, de bewoner bleef organiseren en publiceren totdat de dood hem onverwachts wegnam. Dit heengaan is door velen in de wereld van de oriëntalisten betreurd, de herinnering aan de warm meelevende vakgenoot blijft leven.
m.a. beek