Omdat de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs de afgelopen twee jaar aan prozawerken is toegekend, heeft de Commissie voor schone letteren haar aandacht thans vooral op de poëzie gericht. Bovendien wil de Commissie duidelijk doen uitkomen dat er sprake is van een aanmoedigings-prijs, zodat zij alleen die auteurs in aanmerking heeft doen komen van wie ten hoogste twee boekpublikaties zijn verschenen.
Het resultaat van haar onderzoek en besprekingen is, dat de Commissie unaniem tot het advies is gekomen de dichtbundel Wat ze zei en andere gedichten, geschreven door Hans Tentije en verschenen in november 1978, met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs te bekronen. Wat ze zei en andere gedichten is de tweede bundel van de vierendertigjarige Tentije, die in 1975 debuteerde met de dichtbundel Alles is er.
De voor bekroning voorgedragen bundel onderscheidt zich in de eerste plaats door een sterke thematische samenhang tussen het openingsgedicht Nog eenmaal en alle daarop volgende afdelingen Schepen, rivieren, Om daar te liggen, Drenkplaatsen, Terwijl de zomer duurt en Wat ze zei.
Het hoofdthema is de onmogelijkheid momenten van intense beleving in hun totaliteit, hevigheid of ook wel leegte vast te leggen. In de steeds herhaalde pogingen daartoe wordt echter door een uiterst trefzeker taalgebruik op magische wijze de geladenheid van een beleving, die daarna tot een ‘dichtgesneeuwd beeld’ is verstard weer opgeroepen.
In de eerste plaats wordt het moment ruimtelijk benaderd: ‘toch een plek te vinden, plaats misschien van bestemming’ is de tweede regel van het openingsgedicht en het woord ‘plek’ wordt verder in de bundel meermalen gebruikt, maar de ontoereikendheid van deze benadering wordt verwoord in: ‘de plek vind je terug, nooit 't gebeurde’ (Schepen, rivieren iv). De oorzaak hiervan is de tijd: ‘een plek die ophoudt / te bestaan zodra ik wegga / die nooit heeft bestaan voordat ik er kwam’ (Drenkplaatsen 6), zodat Tentije het gedicht Fajoem uit de cyclus Om daar te liggen begint met de regel: ‘Er zijn plaatsen te over, er is altijd tijd te kort’.
Toch blijft de dichter proberen, zoals weer in het openingsgedicht is te lezen, ‘'t uitzicht dat zichzelf schildert / als iets wat niet, nee, nergens over gaat / te beschrijven’.
Ook dit ‘uitzicht’ keert, zij het soms als ‘zicht’, ‘'t kijken’, ‘'t beeld’, in
de volgende gedichten voortdurend terug, maar ‘Wat beklijft van 't kijken verzinkt in water’, ‘vergeefs 't waas ook van dit panorama’ (Schepen, rivieren iii) en ‘sneeuw vreet in op 't uitzicht’ (Wat ze zei ii).
Het oorspronkelijk uitzicht, het ongeschonden beeld van het moment waarom het gaat ‘ontsnapt me niet nu, maar voor altijd hierna’ vermeldt opnieuw het inleidend gedicht Nog eenmaal. Hierachter volgen weer talrijke variaties op dit thema van de aantasting der momenten door de tijd, zoals onder meer in: ‘zo haperen de momenten tussen aankomst / en vertrek, als tussen stilstand en verval’ (Schepen, rivieren ii), ‘Landschap dat geen ogenblik langer kan worden vastgehouden’ (Onderweg) en ‘momenten zetten zich tegen momenten af / en raken los’ (Terwijl de zomer duurt). Zo ook is in de cyclus Schepen, rivieren mogelijk (waarvan het eerste gedicht op de afvaart stroomopwaarts, het laatste op de terugkeer betrekking heeft, door welke opbouw hier letterlijk van een cyclus sprake is) de eerste regel van het tweede der vijf gedichten zowel met de ruimte, de voorbijtrekkende oevers, als met de tijd in verband te brengen: ‘Doordrenk me van alles wat voorbijgaat-’.
Niet alleen door de thematiek die als een rode draad door de bundel loopt, ook door de-tegenover deze eenheid juist steeds wisselende-bondige en sterk associatieve schrijftechniek is Wat ze zei en andere gedichten van hoog gehalte. De tekst vereist van de lezer aandacht, maar verdient deze ook. Hiervoor geldt de uitspraak die Kouwenaar eens deed: ‘Is het zo nodig dat de lezer maar tien minuten hoeft te besteden aan een gedicht waar de schrijver dagen lang aan gewerkt heeft?’
Naast vele verrassende formuleringen, zoals ‘bijziende struikel ik prakties over de verte’ (Terwijl de zomer duurt) en over het licht van lampen die zijn als ‘bloemen met stampers van zoveel watt’ (Wat ze zei) staan varianten op gangbare uitdrukkingen als ‘optieser dan bedrog’ en ‘steeds snijdender lijnen’ (Hoe 't is). Verder maakt Tentije soms ook gebruik van klankverwantschappen in regels als ‘geen najaden maar najaar’ en ‘wijngaarden en uiterwaarden’ (Schepen, rivieren i en ii) en in het gedicht Drenkplaatsen 4 zelfs van rijm en alliteratie, hetgeen juist door het sporadisch voorkomen hiervan een optimale uitwerking heeft. Opmerkelijk zijn in deze bundel ook nog de vele temperatuuraanduidingen die het verband met de natuur versterken, zoals brand en hitte tegenover sneeuw, ijzel en dergelijke soms binnen één gedicht.
In een viertal gedichten verwerkt Tentije bestaande teksten, vooral in Drenkplaatsen 3 over de dichter Paul Celan ‘die in 't voorjaar van 1970 een
eind aan z'n leven maakte door in de Seine te springen’, zoals de Aantekeningen achterin toelichten. In dit gedicht, een hoogtepunt uit de bundel, citeert Tentije niet alleen dichtregels van Celan, maar verwerkt ze tevens in zijn eigen tekst en hij evoceert hieromheen het beeld van Parijs in een historisch perspectief vanaf de Gallische oorlog, via de Duitse inval van 1870 en de Commune tot de laatste wereldoorlog met teksten van Caesar, een veertiende-eeuws zangspel en Céline.
Ten slotte moet binnen de beperktheid van dit juryrapport ook nog gewezen worden op de geslaagde compositie van de bundel als geheel. Nog eenmaal, dat de bundel afzonderlijk voorafgaat, fungeert, zoals reeds bleek, duidelijk als een inleiding. Op het cyclisch karakter van Schepen, rivieren is ook reeds gewezen. Daarna volgen in Om daar te liggen een drietal gedichten over de dood. De middelste afdeling Drenkplaatsen neemt een geheel eigen plaats in, zowel door de lossere schrijftrant en vrijere typografie als door een grotere maatschappelijke deelneming die uit sommige van deze los aan elkaar gekoppelde drenkplaatsen spreekt. Terwijl de zomer duurt, beginnend met Onderweg en afgesloten door Terugkeer vertoont weer de cyclische geslotenheid van de eerste afdeling en lijkt geïnspireerd op een zomerreis. De afsluitende afdeling Wat ze zei is de enige waarin van de relatie met de vrouw sprake is zonder dat er van liefdesgedichten gesproken kan worden, eerder van een bij de hoofdthema's aansluitende tegenstem, van wie ‘wat ze zei minder dan niets nog in 't einde’ was.
Het zijn de hierboven-slechts ten dele-geschetste bijzondere eigenschappen van Wat ze zei en andere gedichten, die de Commissie voor schone letteren tot haar advies hebben geleid deze bundel te bekronen.
De Commissie voor schone letteren, (w.g.) Gerrit Borgers, Tom van Deel, Jan G. Elburg, Martin Hartkamp, Judith Herzberg, Anne S. Wadman