terug  begin  verder
[p. 112]

Bijlage III Rapport van de jury voor de toekenning van de prijs voor meesterschap 1979

De Commissie voor schone letteren wil graag Ida G.M. Gerhardt voordragen voor de Prijs voor Meesterschap. De prijs komt haar toe vanwege haar gehele oeuvre, waaronder begrepen worden haar dichtbundels, vertalingen en dissertatie. In het hier volgende rapport geeft de Commissie een indruk van Ida Gerhardts verdiensten.

In haar dissertatie Lucretius. De natuur en haar vormen (1942) beschreef Ida G.M. Gerhardt diens werk als een ‘worsteling om van chaos tot kosmos te komen’. Twee jaar daarvoor was zij als dichteres gedebuteerd met de bundel Kosmos, waarvan het titelvers door alle jaren heen haar ars poetica bleef, geheel in de geest van haar Lucretius-waardering. Zij vindt in de kosmos van het voltooid gedicht de ‘wetten van wisseling en wederkering’ terug die in de natuur gelden en vergelijkt de groei van het vers met die van een plant:

 
‘... het levend zich ontvouwen
 
van vorm naar vorm, weer rustend in de regelmaat
 
die fijn vertakt door bloem en blad en stengel gaat.’

In de dichter is

 
‘... het eigen leven
 
verborgen arbeidend; totdat het diepst verlangen
 
tot rust wordt in het woord. Dan ligt voor onze ogen
 
de vorm, waarin het trillende is ingevangen.’

In al haar volgende bundels heeft Ida Gerhardt zich toegelegd op dit in de vorm ‘invangen’ van het diepste verlangen en steeds schiep zij uit de chaos de kosmos van het vers. Dat vers heeft zij bovendien-uit verwondering-in talloze gedichten tot onderwerp van bespiegeling gemaakt en steeds weer blijkt hoe zij het als een organisme ervaart, waarvan alle onderdelen in een zinvol verband zijn opgenomen. Bezit het gedicht eenmaal die beheerste spanning, dan kan het ‘een samenhang ontraadselen’ die gelijk staat aan inzicht in de grond van alle dingen. Door een gedegen organisatie van klank, zinsbouw en betekenis worden haar gedichten dan kleine heelallen die het wezenlijke openbaren.

Met deze poëzie-opvatting sluit Ida Gerhardt duidelijk aan bij de generatie van (overigens heel verschillende) symbolisten als Verwey, Leopold,

[p. 113]

Roland Holst en Nijhoff. Het is een symbolisch concept dat aan haar schrijven ten grondslag ligt, al zijn er ook klassieke invloeden denkbaar, die ertoe hebben geleid dat Ida Gerhardt haar ‘opdracht’-zoals zij het dikwijls noemt-in ‘zelftucht’ opvat als een ordenende.

In haar hele werk, maar sterker in het latere-met mogelijk als hoogtepunt Het levend monogram (1955)-blijkt die behoefte om geconcentreerd en ernstig ‘binnen de strofe en haar trotse zomen’ haar innerlijke ervaringen vorm te geven. Niet ten onrechte sprak Vestdijk van een ‘triomf der kunstmatigheid’ en prees hij de beperking die Ida Gerhardt zich zelf en haar vers oplegt, alsmede de groei van haar beeldend vermogen.

Van het

 
‘... overvele dat
 
het trillend vers zoekt na te streven
 
en in zijn eenheid samenvat’

kan hier maar een enkel ding worden aangeroerd. Wat speciaal opvalt in Ida Gerhardts werk is de beleving van het Hollandse landschap. Te meer daar zij geregeld scherpe kritiek formuleert op het leven dat zich in ons land de laatste decennia heeft ontwikkeld, is die evocatie van het Hollandse landschap opmerkelijk. Zij houdt van het land

 
‘om licht waarbij geen licht ter wereld haalt,
 
de geur van water om uw havenhoofden,
 
een aalscholver die op een ducdalf daalt.’

In dat land maakt zij een jeugd door die in veel verzen gereleveerd wordt. Vooral de bundel ten dele gewijd aan haar moeder, Het levend monogram, geeft een buitengewoon doordringend en opzienbarend beeld van die kinderjaren.

Was toen ons land nog vrijelijk natuur, nu moet men op reis om stilte te ontmoeten en het ware landleven te kunnen leven. Van dat verlangen naar eenvoud en natuurlijkheid getuigen talloze van Ida Gerhardts gedichten. In zekere zin kan van de verontwaardigde Kwatrijnen in opdracht (1947) de briljante Georgica-vertaling (1949) de tegenhanger heten.

In de natuur openbaart zich het goddelijke. Zo getuigen veel gedichten van Ida Gerhardt van een diep religieus gevoel, dat zij als een der weinigen (christelijk) vorm geeft. Dat blijkt zeer in het bijzonder uit de veelgeprezen vertaling van De Psalmen (1972) uit het Hebreeuws, die zij samen met Maria H. van der Zeyde maakte.

Het is in zo'n kort bestek niet mogelijk een adequaat beeld te geven van

[p. 114]

dit dichterschap. Daarvoor is het te veelzijdig en te ernstig. Ida Gerhardt laat zien, in een periode van poëtische diversiteit, dat er nog poëzie van allure geschreven kan worden die volop staat in de poëtische traditie. Zelf benadrukt zij dikwijls die schatplichtigheid aan de traditie en het geeft haar wel het verwijt in de pen:

 
‘De erfenis der meesters slecht beheerd,
 
het ambacht van de kunstenaar verleerd,
 
het hoog geheim verraden.’

Wie dat gedaan heeft, Ida Gerhardt zelf zéker niet. Haar oeuvre is het bewijs van een zeldzaam soort aandacht voor een traditie van leven en taalverre van gemakzuchtig en in hoge ernst.

Daarvan is In den beginne uit De slechtvalk (1966) een getuigenis:

 
‘Ik zet mijn verzen als een schelpdier aan
 
in diepten waar geen sterveling mij kent,
 
ik adem in en uit, en zij ontstaan
 
uit stille kernen, in het element
 
dat was van den beginne. Altijd blijft
 
het grote stromen in mij overgaan.
 
Ik ben alleen. Een maatgang schrijft en schrijft:
 
ademende zet ik de mantelen aan.’

Er is over de poëzie van Ida Gerhardt nog betrekkelijk weinig geschreven. Moge de Prijs voor Meesterschap 1979 niet alleen de volle aandacht doen uitgaan naar het werk van een bijzondere dichteres, maar ook leiden tot een diepgaande bestudering van haar oeuvre.

 

De Commissie voor schone letteren, (w.g.) Gerrit Borgers, Tom van Deel, Jan G. Elburg, Martin Hartkamp, Judith Herzberg, Anne S. Wadman

terug  begin  verder