terug  begin  verder
[p. 15]

Levensberichten

[p. 17]

Berend van den Berg
Kornhorn 14 februari 1911-Driebergen 7 juli 1979

Toen de Utrechtse oud-hoogleraar in de Nederlandse taalkunde Van den Berg op 7 juli 1979 stierf, had hij nog geen jaar van zijn emeritaat kunnen genieten. Voor een werkzaam man, wiens werk zijn lust en zijn leven was, betekende dat een bijna symbolische afsluiting: rust is hem nauwelijks vergund geweest.

Berend van den Berg werd op 14 februari 1911 te Kornhorn (gemeente Grootegast) geboren, waar zijn vader hoofd van een school was. Hij was het oudste kind in een gezin van vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Doordat het gezin in 1923 naar 's-Gravendeel verhuisde, bezocht Berend van daaruit de christelijke hbs in Dordrecht, waar hij in 1928 eindexamen deed. Hij ging in Leiden Nederlandse taal- en letterkunde studeren, gelijktijdig werkend voor het staatsexamen gymnasium a, dat hij in 1931 behaalde. In 1934 studeerde hij af, waarna aanvankelijk de werkloosheid hem wachtte, zoals voor zovelen in die dagen. Het lukte hem echter na enige tijd een betrekking te krijgen als huisleraar bij de Nederlandse consul, Luden, te Londen, waar hij van september 1936 tot oktober 1937 zorg droeg voor de opleiding van twee Nederlandse pupillen. In deze tijd bereidde hij zijn proefschrift Oude tegenstellingen op Nederlands taalgebied voor, waarop hij op 10 juni 1938 bij prof. dr. G.G. Kloeke te Leiden promoveerde. In dat jaar lukte het hem ook een betrekking als leraar Nederlands te vinden: in oktober 1938 werd hij verbonden aan het Rotterdamsch Lyceum. In Rotterdam leerde hij aan de balie van de Gemeentebibliotheek Renée C.H. Freni kennen; in 1940 trouwden zij. Uit hun huwelijk werden drie kinderen geboren: twee dochters en een zoon.

Inmiddels was ook de oorlog over Nederland gekomen. Het gezin bleef gespaard voor direkt oorlogsgeweld, maar wel werd bij de razzia van 10 november 1944 Van den Berg naar Duitsland gedeporteerd, vanwaar hij reeds tegen Kerstmis met een ziekentransport mocht terugkeren: een Italiaanse arts had hem afgekeurd voor de kwaal die hem toen het leven al bemoeilijkte: maagklachten, later nog verergerd door een hartziekte. Maar ook in deze jaren al werkte hij door: na lessen te hebben gegeven aan een avond-hbs aanvaardde hij in 1954 een benoeming als docent aan de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag, een functie die hij tot 1969 vervulde. Het leraarschap in Rotterdam verwisselde hij met ingang van fe-

[p. 18]

bruari 1956 voor een leraarschap aan het Stedelijk Gymnasium te Haarlem. Zes jaar later volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar in de Nederlandse taalkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, waar hij op 15 oktober 1962 zijn inaugurele rede hield onder de titel Enkele waarnemingen betreffende de zinsbouw in het Nederlands.

Tot zover is dit een weinig opvallende levensloop te noemen: hoeveel docenten, lectoren en hoogleraren zijn geen zoons van hoofdonderwijzers! Hoe normaal was het niet dat een leraar promoveerde en hoe gewoon was ook niet de werkloosheid in de crisistijd van kort voor de oorlog. Iets minder gewoon was echter een benoeming tot hoogleraar, in die tijd een grotere onderscheiding dan nu en stellig een uitverkiezing tot een veel aantrekkelijker werkkring dan nu! Maar hoewel het doorstromen van het leraarschap naar het hoogleraarschap geen uitzondering was, het gebeurde alleen maar met de coryfeeën in een vak en als zodanig mag Van den Berg beschouwd worden. Hij was niet alleen een leraar die met plezier zijn beroep uitoefende en goed met de leerlingen kon omspringen, maar ook iemand die in zijn vak een vooraanstaande positie wist in te nemen. Dat was al begonnen met een drietal artikelen over dialectologische onderwerpen, die hij al vóór zijn promotie publiceerde. Die liefde voor de dialectstudie heeft hem nooit verlaten, evenmin als zijn diepgaande belangstelling voor de historische taalkunde. Dit aspect van het vak kwam natuurlijk vooral tot zijn recht bij Van den Bergs mo-lessen in Den Haag en tijdens zijn jarenlange werkzaamheid als examinator in de examencommissie Nederlands mo-b. Maar daarnaast had ook het - toen nog zo genoemde - vhmo zijn aandacht. Daarvan getuigen zijn Beknopte Nederlandse spraakkunst die in 1952 voor het eerst verscheen en die vier maal herdrukt werd, en een aantal artikelen over zinsontleding en woordvolgorde die typisch in de dagelijkse praktijk van de leraar-Nederlands hun oorsprong vonden. De belangrijkste publikatie uit deze tijd is echter stellig de Foniek van het Nederlands geweest; de eerste druk verscheen in 1958 en het werk vormde toen al een praktisch leerboek voor studenten en mo-cursisten. Het is dat gebleven tot de laatste druk van twintig jaar later, maar hoe anders is die achtste druk van 1978 in vergelijking tot de eerste! Van den Berg is nooit moe geworden zijn werk te herzien en bij te werken om het aan te passen aan de eisen van zijn tijd. Foniek werd voor velen een begrip en het werd de naam van een vak: een combinatie van fonetiek en fonologie, waarvoor Van Haeringen deze nieuwe term ‘foniek’ had voorgesteld, die door Van den Bergs titel algemeen aanvaard raakte.

[p. 19]

De benoeming tot hoogleraar te Utrecht betekende voor Van den Berg een erkenning van zijn wetenschappelijke verdiensten en tevens de mogelijkheid zich geheel en al aan de Nederlandse taalkunde te wijden. Het hoogleraarschap bracht ook nieuwe contacten en vooral die met de studenten gingen hem goed af. Hij hield een spreekuur voor zijn studenten aan huis en ook tentamens nam hij thuis af. De gemoedelijkheid van de ervaren leraar sloeg bij de Utrechtse studenten goed aan en hij had er, samen met zijn vrouw, genoegen in leden van de kring van neerlandici De Tafelronde thuis te ontvangen. Het was niet ongewoon dat studenten in tamelijk groten getale op Van den Bergs verjaardag verschenen, een nogal opzienbarende gebeurtenis voor iemand die zelf als oud-Leidenaar alleen maar een veel vormelijker en gereserveerder type studenten had leren kennen.

Aan de gezelligheid kwam echter van lieverlee een einde, en wel door verschillende oorzaken. Vooreerst nam het aantal studenten na enkele jaren steeds sterker toe, wat persoonlijke contacten noodzakelijkerwijs tot een minimum terugbracht, maar bovendien voltrokken zich aan de universiteit veranderingen van sociale aard, die studenten en docenten soms als partijen tegenover elkaar deden staan. Dat hele complex van veranderingen dat onder de naam ‘democratisering’ de geschiedenis zou ingaan, manifesteerde zich vooral als ‘een spel van zinnen van Meest Al die om inspraak roepen’ - om het wat letterkundig te zeggen -, maar die inspraak had bij tijd en wijle gevolgen die moeilijk te verteren waren voor een doorgewinterd neerlandicus als Van den Berg was.

Men dient bij dat alles in het oog te houden dat de studie in de neerlandistiek aan de Nederlandse universiteiten decennia lang onveranderd was gebleven. Iemand die in - laat ons zeggen - 1964 universitair Nederlands ging studeren vond vrijwel hetzelfde studieprogramma op hem wachten als dat van 1939 of zelfs wat Annie Romein in haar memoires Omzien in verwondering schetst. Daar moest nu ineens van alles aan veranderd worden, deels door wensen van bovenaf die in steeds hernieuwde modellen (in y- of i-vorm) aan de zo nodig geachte herprogrammering gestalte moesten geven, deels door inspraak van onderaf: ook de studenten hadden hun wensen, wensen die ze niet zelden al bij voorbaat voor hun docenten onverteerbaar maakten door ze als eisen te poneren. Nu vielen achteraf beschouwd die Utrechtse studenten-Nederlands best mee; ze waren zelfs heel redelijk en welwillend in vergelijking met de onvermurwbare bezetters die sommige andere universiteiten teisterden. Maar dat nam toch niet weg dat er soms turbulent vergaderd werd en op één van die eindeloze,

[p. 20]

rokerige avondbijeenkomsten in het Instituut De Vooys, toen pas sinds kort aan de Emmalaan gevestigd, was er één student die uiterst welbespraakt een stroom van grieven en verwijten over de hoofden van de docenten uitstortte, die al naar hun aard rood van woede of bleek van afgrijzen dit alles aanhoorden. Op dat moment stond Van den Berg op uit het hoekje waar hij stilletjes had gezeten en sprak op vaderlijk-verwijtende toon tot de charismatische redenaar: ‘Maar Adri...!’ Dat had een volkomen onverwacht effect: het verzet verdween als sneeuw waar men kokend water over giet, de vergadering verliep geheel en al, en na korte tijd was het Instituut De Vooys al weer in nachtelijk duister gehuld. De woorden ‘Maar Adri...!’ werden onder de stafleden legendarisch; het werden gevleugelde woorden die veel geciteerd werden en steeds opnieuw de milt kittelden. Maar die woorden waren ook kenmerkend: voor de invloed van een vaderlijk man, die met een oprechte vermaning al dat revolutionaire elan tot zijn ware proporties terugbracht: die student bleek ineens niet zo kwaad en iedereen voelde achter de eenvoud van dat vermaan de persoonlijkheid van een wijs man. Want dat wás Van den Berg.

Toen dan die democratisering in wat geordender banen terecht was gekomen, werd het er niet makkelijker op. Het getij bleek niet meer te keren: overal in den lande werd geducht aan de historische component van het vak geknabbeld en ook de historische taalkunde werd drastisch gereduceerd. Het was voor Van den Berg niet makkelijk het vak dat hem lief was, tezienineenschrompelen, maar studenten die nog nooit met die historische grammatica kennis hadden gemaakt, wisten in vertegenwoordigende lichamen zoveel stemmen te winnen dat die historische grammatica een steeds kleinere plaats in het studieprogramma kreeg. En ook met de taalkundige interpretatie van oudere teksten ging het die kant uit. Zo kwam het dat twee werken op dit gebied eigenlijk geheel buiten het onderwijs om hun ontstaan vonden: de Inleiding tot de Middelnederlandse syntaxis van 1971 en het Retrograad woordenboek van het Middelnederlands van 1972. Vooral met dit laatste werk, dat grotendeels door de computer geproduceerd werd, maar waartoe Van den Berg het initiatief had genomen, verplichtte hij alle morfologen die historisch materiaal nodig hebben, aan zich.

Intussen behield ook de moderne taalkunde zijn aandacht. In de eerste jaren van zijn hoogleraarschap hield hij zich vooral bezig met problemen van de Nederlandse woordvolgorde. Uit een kritische evaluatie van Van der Lubbes woordgroepleer groeide een nieuwe, lineaire benaderingswijze van de syntaxis, die Van den Berg in een reeks artikelen uiteenzette en die

[p. 21]

hij ook in praktijk trachtte te brengen via de vierde druk van zijn Beknopte Nederlandse spraakkunst, denkelijk de enige schoolgrammatica waarin vrij expliciet op de woordgroepleer wordt ingegaan. Het tekent de man en de taalkundige dat hij de moed opbracht dit zelf ontwikkelde systeem (met zijn terminologie) weer te laten varen. Na aanvankelijke aarzeling aanvaardde hij de uitgangspunten van de generatief-transformationele grammatica en hij bracht zijn gewonnen inzichten tot uiting in de behandeling van modern en historisch taalmateriaal en vooral in de latere drukken van Foniek. Het komt niet vaak voor dat iemand die al tegen de zestig loopt nog een nieuw paradigma in de wetenschap kan accepteren; Van den Berg was dit gegeven en hij verraste vele vakgenoten met zijn dikwijls gedurfde aanpak van oude problemen op nieuwe wijze. Dat nieuwe paradigma kwam echter te laat voor hem om nog groot werk toe te laten; het bleef bij kleinere artikelen en men kan zich als beschouwer-achteraf niet aan de indruk onttrekken dat Van den Berg juist in die laatste jaren niet meer heeft kunnen tonen wat hij waard was.

Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. De tijdgeest - antihistorisch, zoals we hierboven reeds zeiden - werkte wel erg tegen. Van den Bergs gezondheid liet steeds meer te wensen over, en vergaderingen, werkoverleg, commissiewerk en wat dies meer zij, eisten een steeds grotere tol van zijn tijd. Het viel zijn medewerkers aan het Instituut De Vooys dikwijls op dat vergaderingen hem niet zelden zichtbaar onwel deden worden. Men sloeg dat met bezorgdheid gade, maar hij onttrok zich niet aan onaangename vergaderplichten en deed naar vermogen mee daar waar zijn inzet gevraagd werd. Ook buiten de universiteit deed men beroep op zijn vakkennis: sinds 1962 tot aan zijn dood toe heeft hij deel uitgemaakt van de Dialectencommissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Sinds 1968 tot aan het einde van de werkzaamheden in 1975 was hij lid van de Werkgroep Frequentie-Onderzoek van het Nederlands; hij was jarenlang voorzitter van het Belgisch-Nederlands Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, het orgaan waarin alle kroondocenten in de Nederlandse taalkunde in België en Nederland zitting hebben; en als lid van de Sectie Nederlands van de Academische Raad, de zogenaamde snar, nam hij het initiatief tot de oprichting van een Beleidsorgaan voor het Neerlandistisch Onderzoek, waarin naast de taalkundigen ook de letterkundigen en de taalbeheersingsdocenten zouden participeren. Dat alles deed hij met grote persoonlijke inzet. Zijn plichtsbesef was van een ouderwets-degelijke signatuur; het leidde ertoe dat hij weigerde bui-

[p. 22]

tenlandse reizen te maken tijdens de collegeperiodes en alleen ernstige hartklachten konden hem ertoe brengen een college af te zeggen. Dat plichtsbesef uitte zich ook in zijn werk als redacteur van De Nieuwe Taalgids. Sinds 1963 maakte hij deel uit van de redactie en de laatste jaren was hij als nestor van dit kleine gezelschap de centrale figuur, die alle kopij in ontvangst nam, de correspondentie met auteurs en uitgevers verzorgde, vele recensies, aankondigingen en mededelingen schreef, en het hele tijdrovende karwei van de correctie van de revisie voor zijn rekening nam. Tot zijn dood toe heeft hij dat werk verricht en hij verplichtte daarmee zijn mederedacteuren aan zich; als redacteur naar buiten toe heeft hij álle vakgenoten aan zich verplicht. Voor De Nieuwe Taalgids was hem niet gauw iets te veel en juist als redacteur heeft hij zich in brede neerlandistische kring verdiensten verworven.

Van den Berg bezat geen zeer opvallend voorkomen. Zijn eenvoud en zijn bescheidenheid - denkelijk zijn meest kenmerkende eigenschappen - vonden hun weerspiegeling in zijn uiterlijke verschijning. Hij was wars van iedere vorm van kouwe drukte en zijn hoogleraarschap heeft hem eerder de betrekkelijkheid van wetenschappelijke eer en verdienste doen beseffen dan dat het hem merkbaar zelfbewustzijn verschafte. Hij was een introvert mens, misschien meer dan goed voor hem was als maag- en hartpatiënt; vriendelijkheid en gelijkmatigheid van humeur kenmerkten hem in de omgang en studenten die met hem te maken kregen, voelden dat dikwijls intuïtief aan en hervonden iets in hem van het vaderlijke leraarstype dat velen op school hebben leren kennen óf juist gemist hebben. Zijn relativerende aard verleende hem ook een stil gevoel voor humor; hij was een groot liefhebber van Tom Poes-verhalen en wist er bij tijd en wijle vaardig uit te citeren! Zijn gezondheid was steeds zijn grootste handicap; om zich tegen guur weer te beschermen schafte hij zich op latere leeftijd nog een auto aan: ‘Ik moet eigenlijk een overdekte fiets hebben’, zo verklaarde hij zijn aankoop. En zo werd het een vertrouwd beeld dat men hem met winterjas aan en hoed op in zijn pruttelende Daf door de Emmalaan zag rijden, een beeld dat velen nog steeds voor ogen hebben.

Die slechte gezondheid maakte hem het werken steeds moeilijker, ook na zijn afscheid van de universiteit, afscheid waaraan luister verleend werd door de aanbieding van een feestbundel en een huldenummer van De Nieuwe Taalgids. Het was voor iemand wiens voornaamste liefhebberij zijn studie was, moeilijk niet meer alle energie voor het werk te kunnen gebruiken. Veel anders dan dat was er, buiten zijn huiselijk leven om, niet

[p. 23]

voor hem. Hij speelde wel piano (in zijn jeugd zelfs wel orgel in de kerk van 's-Gravendeel) en ging graag met vakantie ‘naar warme landen’, maar ook wat dat laatste betreft frustreerde zijn wankele gezondheid hem. Van een reis naar Zuid-Afrika, waar hij de linguïst R.P. Botha had zullen bezoeken, voor wie hij altijd een vaderlijke genegenheid koesterde, moest hij ook al weer wegens die gezondheidstoestand afzien. Wel had hij in 1977 Polen nog kunnen bezoeken waar hij aan de universiteiten van Warschau en Wroclaw gastcolleges gaf.

Van den Berg was zich zeer wel bewust van zijn vege leven en hij hield zo sterk rekening met het naderende einde dat hij de laatste weken voor zijn dood nooit een wandeling in zijn eentje ondernam zonder thuis een briefje met bestemming en vertrektijd achter te laten. Na zijn dood trof zijn vrouw een briefje aan waarop precies stond in welke bureaula de stukken voor De Nieuwe Taalgids lagen. In de Verzamelde gedichten van Bloem waarin hij had zitten lezen, had hij een bladwijzer gestoken bij het gedicht Grafschrift.

 

M.C. van den Toorn

Voornaamste geschriften

Een bibliografie van Van den Bergs werk vindt men in Nieuwe tegenstellingen op Nederlands taalgebied. Een bundel opstellen aangeboden aan prof. dr. B. van den Berg. Onder redactie van P.C.A. van Putte en H.J. Verkuyl. Utrecht 1978.

De vele door hem geschreven Aankondigingen en mededelingen in De Nieuwe Taalgids zijn geregistreerd in het Register op de jaargangen 61-70. Samengesteld door J.A.A.M. Biemans. Groningen, Wolters-Noordhof, 1979. Buiten deze bibliografieën vallen de volgende later verschenen opstellen:

De grammatica van het standaardnederlands. Groningen, Wolters-Noordhof, 1978 (afscheidscollege).

De afleiding van de onderliggende vorm in De Nieuwe Taalgids 72, 1979, p.118-123.

Nog eens: een schat van een kind in De Nieuwe Taalgids 72, 1979, p.247-251.

Taalverandering in De Nieuwe Taalgids 72, 1979, p.308-315.

Soorten van taalverandering tussen 1879 en 1979 in Taalverandering in de Nederlandse dialekten. Muiderberg, Coutinho, 1979, p.53-62 (onder redactie van Marinel Gerritsen).

Verandering van een regel in de grammatica van het dialect van Enschede in Liber amicorum Weijnen. Assen, Van Gorcum, 1980, p.159-163 (onder redactie van J. Kruijssen).

terug  begin  verder