Petrus Josephus Henricus Vermeeren werd in Maastricht geboren op 11 oktober 1913. Hij was het enige kind uit een weliswaar niet financieel zwak, wel in cultureel opzicht bescheiden gezin. Hij doorliep de hbs in zijn geboorteplaats waar hij in 1931 eindexamen deed. Direct daarop ving hij de studie voor de akte mo Nederlandse taal- en letterkunde aan. Hij volgde daarvoor de opleiding die de Katholieke Leergangen van Tilburg te Roermond hadden gesticht en waaraan L.C. Michels, toen nog doctorandus, en dr. J. Moormann les gaven. In 1935 behaalde hij de begeerde akte. Intussen had hij in verschillende bladen enkele artikelen over literaire figuren gepubliceerd, welke hij bundelde in zijn eerste grotere publikatie De gouden tak die in 1937 verscheen. Hij schreef dergelijk werk onder het pseudoniem dat hij later tot op zijn naambord gehandhaafd heeft: Pierre van Valkenhof. Misschien wenste hij zijn strikt filologische en bibliologische werk duidelijk te onderscheiden van zijn letterkundige activiteit.
Van 1939 tot 1940 werkte hij in het stadsarchief van de gemeente Maastricht. Op 1 april 1940 verhuisde hij naar Amsterdam hoewel hij zijn arbeidsterrein toen in 's-Gravenhage had. In de Koninklijke Bibliotheek ordende en beschreef hij de handschriften van het Willem Kloos-archief, oorspronkelijk verdeeld over de Koninklijke Bibliotheek, en het Haags gemeente-archief. Vanaf 1941 werkte hij in de bibliotheek van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, waar hij tevens als secretaris fungeerde. Een colloquium doctum gaf hem toegang tot de examens aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam. De oorlogsjaren vertraagden de academische studie aanzienlijk. In 1948 legde hij het doctoraal examen af en verwierf het predicaat cum laude. Hoofdvak was de Nederlandse taal- en letterkunde; als bijvakken had hij geschiedenis en algemene taalwetenschap gekozen. Befaamde leermeesters hebben zijn studie begeleid: de professoren Hellinga, Donkersloot, Romein, Presser en Reichling. Direct na het examen werd hij medewerker bij prof. dr. W.G. Hellinga. Onder diens leiding ontstond zijn proefschrift De Bibliotheca Neerlandica van Willem de Vreese dat hij in 1953 verdedigde. Het liet zien dat de literator en filoloog op weg was naar wat later bibliologie zou heten, een tak van wetenschap die veel aan hem te danken heeft. Zijn benoeming in het jaar van zijn promotie tot wetenschappelijk ambtenaar eerste klasse
bij de Koninklijke Bibliotheek in 's-Gravenhage gaf hem de gelegenheid juist die belangstelling te verruimen en te verdiepen. Men droeg hem de leiding van de afdeling handschriften op, die tot dan toe beheerd was door dr. G. van Alphen, de onderdirecteur der Koninklijke Bibliotheek. Weldra volgde een benoeming tot wetenschappelijk hoofdambtenaar. In 1958 aanvaardde hij daarnaast een functie als docent aan de School voor Taal- en Letterkunde, waar hij een zeer gerespecteerde figuur werd wegens zijn helderheid van onderwijzen en zijn precisie inzake de eisen die hij meende te moeten stellen. Op 1 mei 1965 verliet hij beide betrekkingen voor een professoraat in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Keulen. Daar is hij op 2 december 1974 overleden. De regering van de Bondsrepubliek erkende zijn verdiensten door de toekenning van het Grosze Bundesverdienstkreuz.
Vermeeren was een geleerde die tevens een voortreffelijke docent genoemd mag worden. Voegt men daar de breedheid van het door hem bestreken terrein bij dan krijgt men al enige indruk van het singuliere dat hem gekenmerkt heeft. De bibliografie zal die indruk versterken. Het was hem gegeven zowel voor vakgenoten als voor de algemeen belangstellende lezer helder te schrijven zonder concessies te doen aan een eenvoud die snel tot oppervlakkigheid kan leiden. Hoewel hij zich steeds duidelijker concentreerde op de studie van manuscripten en hij dat facet van de filologie met grote inspanning uitbreidde tot een werkterrein van codicologie en bibliologie, bewees hij zijn meerzijdigheid opnieuw in zijn functie van hoogleraar. Aan het eerste herinneren talrijke artikelen en bijdragen in vaderlandse zowel als buitenlandse tijdschriften. Vermelding verdient ook zijn speurderswerk dat hem tot in de Bibliotheca Vaticana voerde waar hij handschriften vond die uit een Utrechtse schrijfschool stamden. Weinig minder verrassend waren zijn ontdekkingen in de Nationalbibliothek te Wenen. Als men weet dat hij telkens voor slechts beperkte tijd in die boekerijen mocht vertoeven, krijgt de hoeveelheid gegevens die hij daar won, nog duidelijker accent.
Intussen bleef hij diligent op een ander deel van het filologisch terrein. Het waren vooral de grote schrijvers van de Nederlandse Renaissanceperiode die hem inspireerden tot uiterst nauwkeurig gedocumenteerde artikelen. Een kenmerkende voorkeur van zijn geest richtte zijn aandacht naar auteurs als Poot, Staring, Potgieter. Hoe verrassend was het dan te merken dat hij in zijn onderwijs eerst aan de School voor Taal- en Letterkunde, later - en toen uiteraard onder het opentrekken van de verschillen-
de registers! - als hoogleraar in Keulen het vermogen toonde moderne dichters als Nijhoff en Van Ostaijen te behandelen. Steeds bleef daarbij de belangstelling voor handschrift en boek een het werk doortrekkende factor.
De strenge eisen van nauwgezetheid en nauwkeurigheid die hij zijn studenten stelde, waren om zo te zeggen deel van hem zelf geworden.
De discipline der filologie had hem gevormd tot in komma's en punten. Met graagte citeerde hij Aby Warburg: ‘Der liebe Gott steckt im Detail!’ Die discipline van studie hield verband met een gedisciplineerdheid die door Vermeerens hoffelijkheid nooit pure vormelijkheid werd. Zijn enorme belezenheid verwierf hij dank zij een tucht van de geest die zich onder andere als economie van de tijd liet merken. Hij had een zeer precies uitgekiend systeem om notities, citaten, vindplaatsen te bewaren. Zijn diepe eerbied voor Balzac was daarin opgeslagen. Toen men in ons land nauwelijks de naam van Heimito von Doderer spelde, stonden in zijn kaartsysteem al talrijke aantekeningen uit diens boeken. Eenmaal hoogleraar in Keulen besloot hij die bewonderde schrijver te introduceren voor een breder publiek dan de paar strikte vakgenoten. Want zelfs zijn Duitse studenten kenden de man nauwelijks. Met de hem eigen volstrekte toewijding begon hij een schema op te zetten voor een geschrift waarvan de tekst in het bijzonder Von Doderers Die Strudlhofstiege zou inleiden en waarbij illustraties van de plaatsen in Wenen waar het verhaal gesitueerd is, dit zouden verluchten. Het heeft niet mogen zijn.
Wanneer men Vermeerens leven overziet, is er reden tot verwondering wegens de kwantiteit en kwaliteit van wat gepresteerd werd. Dit alles zou niet mogelijk geweest zijn als nog niet een andere eigenschap Vermeeren gesierd had: zijn vermogen om het belangrijke van het minder belangrijke te onderscheiden. Vooral blijkend uit zijn streven het werk zodanig te organiseren dat een maximum aan resultaat verkregen werd met een zo bescheiden mogelijk gehouden inspanning. Zijn studenten hebben dat gedemonstreerd gezien op werkcolleges die onder zijn leiding hun doel verdiepten en uitbreidden.
De discipline was in zijn voorkomen, in zijn spreekwijze, in zijn handelen. Zij heeft nooit geleid tot die dorheid waaraan men bij prijzers van het detail geneigd is te denken. Integendeel! Vermeeren was een hartelijke, opgewekte geleerde, graag tot ironie bereid, maar direct bezorgd als hij slechts vermoedde dat iemand zich geraakt kon voelen. Een degelijk, een geheel, een waar man! Zo prees Potgieter de zeventiende-eeuwer Huygens.
Beiden werden door P.J.H. Vermeeren bewonderd. Er is reden de kwalificatie op hem toe te passen.
H.A. Wage
De Bibliotheca Neerlandica Manuscripta van Willem de Vreese. Utrecht 1953 (dissertatie Universiteit van Amsterdam).
Kroniek der handschriftenkunde in Het Boek 32-37, 1955-1965.
Über den Kodex 507 der Österreichischen Nationalbibliothek (Reuner Musterbuch). Den Haag 1956.
Koninklijke Bibliotheek. Inventaris van de handschriften van het Museum Meermanno-Westreenianum. 's-Gravenhage 1960 (in samenwerking met A.F. Dekker).
Codicologie en filologie in Spiegel der Letteren 5-9, 1961-1966 (in samenwerking met W.G. Hellinga).
De kunst der filologie. Groningen 1962 (rede School voor Taal- en Letterkunde).
Willem de Vreese, Over handschriften en handschriftenkunde. Tien codicologische studiën. Bijeengebracht, ingeleid en toegelicht. Zwolle 1962 (Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies ii).
Op zoek naar de librije van Rooklooster in Het Boek 35, 1961-1962, p.134-173.
Voorts publiceerde prof. dr. P.J.H. Vermeeren onder meer artikelen in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1 oktober 1955 tot en met 2 maart 1972, De Tijd van 25 augustus 1955 tot en met 27 mei 1957 en Jahrbuch der Universität zu Köln van 1966 tot en met 1971. Van 1958 tot en met 1974 schreef hij talrijke boekbesprekingen voor Levende Talen en De Gids.
Een uitvoerige lijst van de publikaties van Vermeeren bevindt zich in de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.