terug  begin  verder
[p. 74]

Nicolaas Carel Heinrich Wijngaards
Leiden 29 juni 1911 - Nijmegen 7 augustus 1978

Langzamerhand begint het geslacht ‘onderwijzers’, die - dikwijls door veel zelfstudie - belangrijke figuren in de wetenschap worden, uit te sterven. Niek Wijngaards was nog zo'n figuur.

Hij werd geboren in Leiden als zoon van Carel Jozef Wijngaards en Hendrika Johanna Maria Beek. Zijn vader had een administratieve functie bij het leger; in die tijd niet voldoende om een zoon uit een gezin met vijf kinderen ‘vanzelfsprekend’ te laten studeren. Niek Wijngaards bezocht een aantal jaren het Bonifatius-Lyceum in Utrecht en daarna de Ludgeruskweekschool te Hilversum; slaagde voor de hoofdakte en ging in 1933 naar Java; voor zijn vertrek was hij getrouwd met Dietz van Hoesel. Het jonge paar kwam in Soerabaja, later in Malang, waar Niek als leraar aan de muloschool werkte. In de jaren voor de oorlog begon hij aan de studie Engels mo-a, en schreef hij zijn eerste artikelen, onder andere in Soerabaia's Handelsblad en verschillende onderwijsbladen: artikelen over onderwijskwesties en catholica. Zijn belangstelling begon zich te richten op tekenonderwijs en kunstzinnige vorming; hij schilderde zèlf veel èn goed. In 1939 werden van hem een aantal werden geëxposeerd in Soerabaja, en tijdens een verlofperiode in hetzelfde jaar werden een aantal schilderijen van Niek opgenomen in een expositie Indische schilders, georganiseerd door de Haagse Kunstkring. Oorlogsomstandigheden verhinderden hem het examen Engels mo-a af te leggen, waarvoor hij zich reeds opgegeven had.

Het gezin Wijngaards - er waren toen vier kinderen - werd door de Japanse bezetting in 1941 uiteengerukt; Niek werd naar een werkkamp in Thailand vervoerd, waar hij tijdens zijn gevangenschap - ondanks vele moeilijkheden - Japans én Hebreeuws studeerde. Het eerste leidde tot een aanstelling als tolk in het kamp, hetgeen overigens het kampleven voor hem niet verlichtte. In 1945 bevrijd en weer met vrouw en kinderen herenigd, werd hij - als ernstig malariapatient - vrij spoedig toegelaten tot een van de eerste transporten naar Nederland. Nòch Niek, noch zijn vrouw Dietz zijn ooit erg begerig geweest anderen, die dit alles niet meegemaakt hadden, uitvoerig te vertellen van de moeilijke jaren, voor hem in Thailand, voor háár op Java. Iets van de onheilspellende indrukken, die de Thailandse jaren bij Niek hebben achtergelaten, kunnen we terug vinden in een aantal van zijn schilderijen, want schilderen-en dat in een zeer bij-

[p. 75]

zondere stijl-bleef voor hem iets, dat meer dan een hobby was.

Dat wil niet zeggen, dat hij zich niet met hart en ziel aan het onderwijs gaf: vanaf 1946 doceerde hij aan de kweekschool in Hilversum en vanaf 1953 aan de Peter Kaniskweekschool te Nijmegen.

Inmiddels had hij in 1946 zijn mo-Engels behaald; daarna ging hij - na een collegium doctum eerst in Utrecht, later in Nijmegen Nederlands studeren. In juli 1956 deed hij in Nijmegen cum laude zijn doctoraal examen en precies een jaar later promoveerde hij op een proefschrift Mechteldis van Lom, dichteres, 1600-1653.

In het jaar van zijn promotie, 1957, ontmoette ik Niek Wijngaards voor het eerst: ik moest hem namens de Gelderse Leergangen vragen mee te werken aan de opleiding Nederlands mo.a en b te Arnhem. Het zou later een historisch ogenblik blijken: voor de Gelderse Leergangen, voor hem en voor mij. Hij was een uitstekend docent, die - hij werd al spoedig studieleider - bovendien op een prettige en rustige wijze leiding kon geven aan docenten en studenten. Hij werd aan de Gelderse Leergangen een centrale figuur, die onder andere een aantal jaren een soort studium generale organiseerde (de bekende serie Voordrachten gehouden voor de Gelderse Leergangen te Arnhem), omdat hij terecht meende dat de mo-studenten tè gespecialiseerd studeerden, en alleen datgene tot hun interesse-sfeer rekenden, wat in verband stond met hun mo-examen.

Niek begon in de jaren na zijn promotie in vrij hoog tempo studies op het gebied van de Nederlandse letterkunde te publiceren, daarbij meestal gedreven door een neiging tot onderzoek, die hem beheerste op een wijze, die velen hem konden benijden. Hoe hij hier de tijd voor kon vrijmaken - naast ook nog zijn baan aan de pedagogische akademie - zal voor velen een raadsel blijven. Enige malen kwam zijn werk voort uit een regeringsopdracht: zo zijn publikaties over Jan Harmensz Krul (1959), Cornelis van Engelen (1964 - 1965) ontstaan. De studie over Jacob Duym is onvoltooid gebleven. Zijn belangstelling ging - naast de pedagogiek - uit naar verschillende perioden van onze letterkunde. Hoewel hij aan de Gelderse Leergangen doorgaans de letterkunde van de middeleeuwen behandelde, publiceerde hij behalve over de middeleeuwen (abele spelen, Floris ende Blanchefloer), ook over de letterkunde van de zeventiende en achttiende eeuw (Vondel, Huygens, Van Engelen) en de moderne letterkunde (A. Roland Holst). Zijn veelzijdigheid kan verder blijken uit de bibliografie: publikaties op het gebied van de esthetica, het onderwijs, de taalkunde, de lerarenopleiding enzovoort. Zijn bijdrage aan de bekende Didactische

[p. 76]
handleiding voor de leraar in de moedertaal (1967), betrof het spraakkunstonderwijs; hij verleende zijn medewerking aan een nieuwe grammatica van het Nederlands, De structuur van het Nederlands (1961), dat in samenwerking met dr. A.J.J. de Witte geschreven werd. Toen de uitgeverij W.J. Thieme & Cie te Zutphen een redactie zocht voor een vernieuwde uitgave van het Klassiek letterkundig pantheon, meende ik geen betere naam te kunnen noemen voor deze functie dan die van Niek Wijngaards.

Ik had hem aan de Gelderse Leergangen leren kennen als een bijzonder bekwaam neerlandicus, en bovendien als een bijzonder inspirerende en betrouwbare persoonlijkheid. Hij werkte vol enthousiasme mee aan het opzetten en uitbouwen van een vernieuwd Klassiek letterkundig pantheon en gaf aan de reeks zèlf een belangrijke bijdrage, door zeven tekstedities te verzorgen. Dat zelfde enthousiasme en diezelfde prettige samenwerking ondervond ik, toen wij in 1967 begonnen aan het opzetten van een literatuurgeschiedenis Letterkundig kontakt, gevolgd door een tweedelige bloemlezing.

Een van zijn opvallendste eigenschappen was, dat hij nooit schrok van iets nieuws. Welke moderne opvatting dan ook, hetzij op zijn vakgebied, hetzij op school, hetzij ten aanzien van de studie, de maatschappij of de kerk, vond in hem nooit een directe bestrijder. Hij wist op rustige manier afstand te nemen en meestal ook nog waardering op te brengen voor allerlei nieuwe ideeën.

Hij was sinds 1959 lid van de examencommissie Nederlands mo-a en later ook van de b-commissie. In 1970 werd hij benoemd tot voorzitter van deze commissie; Niek heeft een belangrijke bijdrage geleverd in deze functie aan de vernieuwing van de mo-examens Nederlands. Zijn werkzaamheden in dezen dwongen hem wel zijn bezigheden te beperken. Hij zag af van enige lessen aan de Akademie voor Hoger Economisch Onderwijs te Arnhem, beperkte zijn medewerking aan de Gelderse Leergangen tot uitsluitend de mo-b-opleiding, en beperkte ook zijn werkzaamheden aan de pedagogische akademie. In 1972 nam hij ontslag als leraar aan laatstgenoemde instelling, wegens zijn benoeming tot hoofddocent aan de Nieuwe Leraren Opleiding van de Gelderse Leergangen te Nijmegen. Blijkbaar heeft hij met de opzet van deze nieuwe opleiding te veel van zijn krachten gevergd; hij werd in 1974 afgekeurd en bleef alleen nog enige uren aan de mo-b-opleiding lesgeven. Ziekte verhinderde hem zijn vele plannen ten uitvoer te brengen. Zijn laatste regeringsopdracht, een studie over Jacob Duym, een late rederijker uit het eind van de zestiende eeuw, over wiens

[p. 77]

‘Oranje-stukken’ hij reeds eerder gepubliceerd had, zou helaas onvoltooid blijven. Duyms spel Het moordadich stuck van Balthasar Gerards zou de laatste uitgave van Niek Wijngaards voor het Klassiek letterkundig pantheon worden (1977). In 1977 nam hij ontslag als docent aan de Gelderse Leergangen en na een langdurig ziekbed overleed hij 7 augustus 1978.

Velen, onder wie talrijke vakgenoten, hebben hem in zijn werk zeer gewaardeerd. Een man die veel organiseerde (hij is jarenlang de drijvende kracht geweest van de ‘Zuidoostelijke tak’ van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde), die veel, zeer veel werk kon verzetten, en naar buiten toe een rustig, vriendelijk-kalme houding aannam. Of hij zo rustig en afstandelijk was, zal betwijfeld worden door hen, die de spanning en geladenheid gezien hebben op zijn schilderijen, die hij ook op latere leeftijd nog maakte...

Ook dat was een facet van zijn karakter.

 

W.A. Ornée

Voornaamste geschriften

Babasa Melaju. Culemborg 1947.

Kunst, kunstenaars en kunstwaardering. i De weg naar de kunstwaardering. 's-Hertogenbosch 1951 (vele malen herdrukt).

Kunst, kunstenaars en kunstwaardering. ii De kunst in de historie. 's-Hertogenbosch 1952 (vele malen herdrukt).

Ons tekenen voortgezet. Amsterdam 1952 (in samenwerking met W.A. Jungschleger en A.J. Plasman).

Kunst, kunstenaars en kunstwaardering. iii De kunstenaars. 's-Hertogenbosch, 1953 (vele malen herdrukt.).

Didactiek en kunstwaardering. Culemborg 1956.

Minderbroeders en Annunciaten in Bijdragen voor de Geschiedenis van de Provincie der Minderbroeders in de Nederlanden 21, 1956, p.385-387.

Taal en taalonderwijs in Handboek der bijzondere didactiek. 's-Hertogenbosch 1956, p.29-88 (onder redactie van Jos Aarts).

Mechteldis van Lom, dichteres, 1600-1653. Zwolle 1957 (dissertatie Nijmegen).

Mechteldis van Lom, Liederen. Voorafgegaan door de Transcedronkroniek van Barbara de Put. Zwolle 1957 (Zwolse drukken en herdrukken 25).

Nogmaals een fragment uit een Annuntiatenhandschrift in Bijdragen voor de Geschiedenis van de Provincie der Minderbroeders in de Nederlanden 23, 1957, p.259-261.

Over Vondels Harpoen. Een nalezing in Spiegel der Letteren 1, 1957, p.177-190.

Voor de derde maal over een merkwaardige kruiswegoefening in de Nederlanden uit de xve eeuw in Ons Geestelijk Erf 31, 1957, p.422-426.

Adaptatie bij de kritische studie van grotere literaire gehelen. Groningen 1959 (Voordrachten gehouden voor de Gelderse Leergangen te Arnhem 2).

Jan Harmens Krul als schrijver voor de Amsterdamse klopjes in Spiegel der Letteren 3, 1959, p.134-147.

[p. 78]

Pleidooi voor integrale transpositie van westerse poëzie in Levende Talen nr.202, 1959, p.590-600.

Andreas Cappelanus ‘De arte honeste amandi’ en de abele spelen in Spiegel der Letteren 5, 1961, p.218-228.

De struktuur van het Nederlands. 's-Hertogenbosch 1961 (in samenwerking met A.J.J. de Witte).

Meesters in de taalklas in Valcooch. Tweemaandelijks blad voor opvoeding en onderwijs nr.70, 1961, p.7-9; nr.71, 1961, p.7-10; nr.72, 1961, p.5-6.

Nederlands voor het vhmo. 's-Hertogenbosch 1961 (twee delen; in samenwerking met A.J.J. de Witte).

Poëzie op de lagere school in Valcoogh nr.74, 1961, p.13-14; nr.75, 1961, p.12-14; nr.77, 1962, p.12-14.

Geschiedenis-taal in Valcoogh nr. 86, 1962, p.9-11.

Rekentaal in Valcoogh nr.85, 1962, p.9-10.

Structuurvergelijking bij de abele spelen in Levende Talen nr.215, 1962, p.322-327.

De plaats en de betekenis van Jan Harmens Krul in het literaire leven van Amsterdam in de zeventiende eeuw in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1962-1963. Leiden 1963, p.57-74.

Het taalaspekt van de verschillende vakken op de lagere school in Valcoogh nr.84, 1963, p. 10-12.

Lezen in verschillende diepte in Valcoogh nr.82, 1963, p.12-15.

Sara Herlins oorspronkelijke meditatieboek in Ons Geestelijk Erf 37, 1963, p.40-62.

The shadowy waters van Villiam Butler Yeats en Adriaan Roland Holst in Spiegel der Letteren 6, 1963, p.197-209.

Aan de bronnen van onze nationale romantiek (Cornelis van Engelen) in De Nieuwe Taalgids 57, 1964, p.65-75.

Het leven, de werken en de betekenis van Jan Harmens Krul, 1602-1646. Zwolle 1964 (Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies 14).

Topen en symbolen in de roman van Floris ende Blanchefloer in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 80, 1964, p.93-115.

Aan de bronnen van de nieuwe esthetiek (Cornelis van Engelen) in De Nieuwe Taalgids 58, 1965, p.145-155.

Het oorsprongsveld der abele spelen in Leuvense Bijdragen 54, 1965, p.73-79.

Open en gesloten vormen in het middeleeuws drama. Groningen 1965 (Voordrachten gehouden voor de Gelderse leergangen te Arnhem ii)

‘Een wijs Hoveling’ van C. Huygens, gezien in het licht van de Theophrastische traditie in De Nieuwe Taalgids 69, 1966, p.338-346 (verhandeling gehouden op het Derde Internationale Germanisten Congres te Amsterdam op 23 augustus 1965 onder de titel: Die Abwandlung theophrastischer Tradition in Constantijn Huygens' ‘Een wijs hoveling’).

Joost van den Vondel, Jeptha, of Offerbelofte. Ingeleid en van aantekeningen voorzien. Zutphen [1966] (Klassiek letterkundig pantheon 115).

Vondels ‘Hollantsche transformatie’ in De Nieuwe Taalgids 59, 1966, p.302-312.

De beroepsopleiding van de leraar. Groningen 1967 (Voordrachten gehouden voor de Gelderse Leergangen te Arnhem 21).

Het spraakkunstonderwijs in Didactische handleiding voor de leraar in de moedertaal. Groningen

[p. 79]

1967 (onder redactie van L.M. van Dis).

Samuel Coster, Boere-clucht van Teeuwis de boer, en men juffer van Grevelinckhuysen. Ingeleid en van aantekeningen voorzien. Zutphen [1967] (Klassiek letterkundig pantheon 172).

De oorsprong der abele spelen en sotternieën in Handelingen der Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 22, 1968, p.411-423.

Het literair opstel bij het examen voor Nederlands MO-B. Rotterdam 1968.

Letterkundig kontakt. Overzicht van de geschiedenis van de letterkunde in Noord- en Zuid-Nederland. Zutphen 1968 (in samenwerking met W.A. Ornée).

Letterkundige bloemlezing. Zutphen 1969 (in samenwerking met W.A. Ornée).

The function of the audience in satiric drama in De Nieuwe Taalgids 64, 1971, p.185-192 (voordracht gehouden op 26 augustus 1970 te Princeton (u.s.a.) bij gelegenheid van het Vierde Internationale Germanistencongres).

Cornelis van Engelen, Bloemlezing uit het werk van Cornelis van Engelen (1726-1795). Keuze, inleiding en aantekeningen. Zutphen [1972] (Klassiek letterkundig pantheon 195).

Some sociological aspects of Simon Stijl's ‘De torenbouw van Brikkekiks in het landschap Batrachia’ in Documentatieblad Werkgroep 18e eeuw nr.15-16, 1972, p.65-83 (voordracht gehouden op het derde symposion van de Werkgroep 18e eeuw onder de titel: Literairsociologische aspekten van Simon Stijls ‘Torenbouw van het vlek Brikkekiks in het landschap Batrachia’).

De zogenaamde Oranjestukken en hun publiek in Handelingen van het tweeëndertigste Nederlands Filologencongres, gehouden te Utrecht op 5, 6 en 7 april 1972. Amsterdam 1974 p.117-131.

Joost van den Vondel, Lucifer. Treurspel. Ingeleid en van aantekeningen voorzien. Zutphen [1974] (Klassiek letterkundig pantheon 8).

Simon Stijl, De torenbouw van het vlek Brikkekiks in het landschap Batrachia. Ingeleid en van aantekeningen voorzien. Zutphen [1974] (in samenwerking met A.N.M. Wijngaards; Klassiek letterkundig pantheon 211).

Joost van den Vondel, Palamedes. Ingeleid en van aantekeningen voorzien. Zutphen [1976] (Klassiek letterkundig pantheon 49).

Jacob Duym, Het moordadich stuck van Balthasar Gerards: begaen aen den doorluchtighen Prince van Oraignen (1584) van Jonkheer Jacob Duym (1606); vergeleken met Auriacus, sive Libertas saucia (1602) van Daniël Heinsius. Ingeleid en van aantekeningen voorzien. Zutphen [1977] (in samenwerking met L.F.A. Serrarens; Klassiek letterkundig pantheon 218).

Voor de serie Graded readers, Groningen schreef hij 1952 A dog's life, or Peter takes a hand; From the adventures of Turco Bullworthy, his dog Shrimp and his friend Dick Wynyard; The bisonhide en in 1953 Siam adventure; Black fish mystery; Adventure on the alm; alle boekjes zijn vele malen herdrukt.

Voorts schreef hij hoofdartikelen in De Katholieke Gids te Soerabaja en artikelen over onderwijs en catholica in Het Soerabaia's Handelsblad en in talrijke andere onderwijsbladen.

terug  begin  verder