Goedemiddag allemaal,
Misschien zou de betekenis van een literaire prijs afgemeten kunnen worden aan de kwaliteit van 't werk van degenen die voorgingen.
Als dat zo is, dan beschouw ik 't als een hele eer vandaag de Van der Hoogt-prijs 1979 in ontvangst te hebben mogen nemen. Want de lijst van prijswinnaars die ik onder ogen heb gehad, ziet er voor mijn gevoel overtuigend genoeg uit. Er komen namen van schrijvers op voor die inderdaad belangrijke dingen hebben geschreven. In een aantal gevallen zelfs betreft 't dichters of prozaïsten die ik bijzonder hoog schat.
Daar gaat niets van af.
Maar met even veel recht zou je kunnen constateren dat bepaalde namen aan 't geheel ontbreken. De namen van minstens drie, vier auteurs schieten me daarbij te binnen.
Zodat de twijfel me terug heeft waar hij me kennelijk altijd hebben wil. En ik geloof dat dat maar goed is ook. 't Idee gearriveerd te zijn zou me eerder achteruit helpen. Net als eerst, net als anders, ben ik bij 't uitzetten van de juiste koers aangewezen op 't ‘allesbehalve schokvrij opgehangen kompas’ waarover W.F. Hermans eens heeft gesproken.
Een zeker soort toevalligheid, of willekeur, schijnt op de een of andere manier met de toekenning van een literaire prijs verbonden te zijn. Ik kan 't niet anders zien.
Waarom ik toch met een gevoel van trots en voldaanheid deze prijs in ontvangst neem, laat zich verder vrij eenvoudig verklaren: omdat ik 't een eer vind aan de lijst van Van der Hoogt-prijswinnaars te worden toegevoegd, vanwege de heldere motivatie van de jury, en vooral ook vanuit de overweging dat 't best eens tot aan m'n begrafenis zou kunnen duren voor ik weer zoveel goede vrienden en bekenden bij elkaar heb...
Ik dank mijn critici: m'n vrouw, m'n vrienden, m'n uitgever voor hun kritiek vooraf; de officiële kritiek naderhand.
Ik bedank de jury voor haar oordeel, de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, de organisatoren van deze middag. Ik bedank ook de leden van 't jazztrio dat hier vanmiddag speelt. De ontdekking van poëzie en jazz heeft zich bij mij vrijwel tegelijkertijd voorgedaan, vandaar. Ten slotte bedank ik Harry ter Balkt voor de werkelijk schitterende gedichten
die hij heeft voorgelezen. In een interview heb ik al eens gezegd dat z'n bundel Boerengedichten uit 1969 mij weer echt aan 't maken van gedichten heeft gezet. Ik heb daar toen niet bij verteld dat ik een bewonderaar van z'n werk ben gebleven. Dat doe ik dan nu. En ik wil er graag aan toevoegen dat m'n bewondering alleen nog maar is toegenomen sinds ik de drukproeven heb gelezen van de bundel waaruit hij daarstraks heeft gelezen, en die binnenkort zal verschijnen: Waar de burchten stonden en de snoek zwom.
Na de pauze komt de film As en diamant van Andrzej Wajda uit 1958. Een film die ik me in z'n overweldigende totaliteit nauwelijks nog precies herinner, maar die indertijd diepe indruk op me heeft gemaakt. Ik kan wel zeggen dat ik de twijfel, de onzekerheid, als 't meest elementaire levensgevoel, nooit zo sterk heb zien uitgebeeld als juist in deze film, ondanks de ietwat theatrale effecten hier en daar. De hoofdrol van Zbigniew Cybulski is me scherp bijgebleven. Op bepaalde feitelijke gegevens uit deze film en op 't tragiese einde dat Cybulski daarna ook privé heeft gevonden, is de titelreeks van mijn bundel Wat ze zei en andere gedichten gebaseerd.
Die cyclus zal ik nu dan ook niet voorlezen, omdat anders 't verband misschien te nadrukkelijk wordt. Ik besluit met een van m'n meest recente gedichten, Schaduw van seringen, dat in 't novembernummer van 't tijdschrift Bzzlletin zal verschijnen.
Twee kanttekeningen daarbij.
Volkomen toevallig komt er 't woord ‘as’ in voor, 't heeft dus niets te maken met de film van straks. - In de openingsregels wordt geciteerd uit 't fameuze begin van The waste land van T.S. Eliot: ‘April is the cruellest month, breeding/lilacs out of the dead land...’. (April is de wreedste maand, bloeiend met seringen uit 't dode land.)