Waar de burchten stonden en de snoek zwom, de achtste gedichtenbundel van H.H. ter Balkt, voorheen Habakuk ii de Balker, bestaat uit twee afdelingen, waarvan de eerste, Onze hersens die in het hoofd zijt, bid voor ons dat het niet afvalt, zijn titel ontleent aan het laatste gedicht van de tweede component, de cyclus Joseph Beuys. In beide afdelingen van zijn bundel getuigt Ter Balkt, als in zijn vroegere werk, van een warme belangstelling voor ‘het onderliggende’: verouderde, overbodig geworden, onderschatte of nutteloos geachte zaken die, slachtoffers van een zekere culturele repressie, in poëzie hun eerherstel vinden. Zo zijn er de aardappelsorteermachine, ‘de gedeuktste onder de werktuigen’, de bascule, de schaarse appel Yellow, de lelijke gebloemde tuinstoelen die in een donkere winkel hun ‘straf’ uitzitten, en de scherven van flessen waarmee de dichter een ‘wijnkelder’ begint. Via de dingen komt ook de mens in het geding: zo heten de ‘armere hotelgangen’ ‘holen van bange dieren’ en wordt de Yellow opgeroepen tot verzet tegen de bijl, de mens die de bomen rooit.
Ter Balkts solidariteit met ‘het lager geplaatste’, zoals hij het in een gesprek met de interviewers S. Kuyper en J. Diepstraten noemde (Bzzlletin nr.60), vindt haar oorsprong in een principiële, haast bozige bemoeienis met onze cultuur, waarin het kleine het aflegt tegen het grote, waarin ‘leven’ tot ‘productie’ wordt en de natuurlijke eenheid van de mens en zijn leefmilieu steeds verder verloren gaat. Dat de poëtische behandeling van met name dit laatste thema bij alle ernst ruimte laat voor ironie, illustreert een gedicht als De bascule, waarin mensen bij wijze van zondagmiddagvermaak eventjes de weg van het varkensvlees gaan:
Zo'n licht humoristische toets doet weinig af van datgene waar het Ter Balkt in zijn poëzie om begonnen is: een vernieuwing van de maatschappij
en een reconstructie van de eenheid van mens en natuur. Over wat de kunstenaar in dat verband kan en niet kan, lezen we in het eerder aangehaalde interview: ‘Het helpt allemaal niks, maar je moet wèl geloven dàt het helpt. [...] Vroeger was kunst een soort wegbereider, gaf kunst een nieuwe richting aan. Hoe de mens geholpen is op weg naar een nieuwe mens, daar kun je een sloot namen van kunstenaars voor opnoemen. Dan zie je toch dat de kunst iets doen kan.’
Kunst als wetenschap, als een bereider van nieuwe inzichten. Tegen de achtergrond van deze opvatting verschijnt in de cyclus Joseph Beuys een honingpomp ten tonele, een door Beuys ter gelegenheid van Documenta 6 in Kassel geconstrueerd object, dat lijnrecht tegenover de kerncentrale van Kalkar wordt geplaatst, tegenover de ‘plutoniumpomp’ die sinds de grote protestdemonstratie van september 1977 tot symbool van de repressieve technologie is geworden. Over die honingpomp, die hij als een soort van reanimator interpreteert, herinnerend aan zulke vitale ontdekkingen als die van het vuur en de opwaartse druk die boten doet drijven, schrijft Ter Balkt in de laatste regels van zijn bundel:
Waar de burchten stonden en de snoek zwom reflecteert een sterk sociaal gericht bewustzijn, waarin tal van cultuur-historische noties met een grote natuurlijkheid zijn geïntegreerd. De wijze waarop dit sociaal-cultureel bewustzijn in poëzie gestalte heeft gekregen, getuigt van een uitzonderlijke inventiviteit en een groot beeldend vermogen. Het is om deze in de Nederlandse poëzie vrij unieke combinatie van eigenschappen dat de jury van de Henriette Roland Holst-prijs het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft geadviseerd de prijs in 1980 toe te kennen aan de dichter H.H. ter Balkt voor zijn bundel Waar de burchten stonden en de snoek zwom.
De jury, (w.g.) Garmt Stuiveling (voorzitter) Wiel Kusters, Anthony Mertens
Uit het feit dat u de u toegekende prijs wilt aanvaarden, meneer Ter Balkt, en dat u ook naar de niet beminde randstad hebt willen reizen om haar in ontvangst te nemen, mogen we denk ik opmaken dat u blij bent met de toekenning ervan. En waarom ook niet. In hetzelfde interview in Bzzlletin nummer 60 waar ook het juryrapport uit geput heeft, zegt u, graag gelezen en vooral begrepen te willen worden, en ik kan me dat van u goed indenken. U bent natuurlijk ook een woorden-constructeur, dat is nu eenmaal uw vak als dichter en iemand die een zekere affiniteit met de rederijkers belijdt, heeft zeker geen bezwaar tegen vakbekwaamheid. Maar u haalt de rederijkerstijd toch vooral naar voren als een periode waarin poëzie als groepswerk werd beoefend, waar mensen er met elkaar iets mee deden. En al ziet u nu niets meer in een gemeenschappelijk maken van poëzie bij wijze van therapie, ik denk dat u wel een genezingsproces op gang hoopt te zetten bij de lézers van uw gedichten. In uw eigen woorden ‘poëzie is een soort wonderolie’ en, het is al eerder aangehaald, ‘het helpt allemaal niks maar je moet wèl geloven dàt het helpt.’ En al zegt u waarschuwend: ‘vermijd het zoeken naar de graal’, volgens mij bent u toch wel degelijk een beetje Parcifal - hij komt in uw bekroonde bundel voor als aanduiding voor die aardige aardappelsorteermachine.
En om deze kant van uw poëzie hebt u vast een zekere verwantschap met Henriette Roland Holst naar wie de prijs genoemd is. ‘Sombre gedachten schiep een sombre tijd’, schreef zij indertijd, maar die uitspraak staat dan toch in De nieuwe geboort, en al zult u, een beter kenner van de waarheid van het landleven, al weer wat minder optimistisch zijn over ‘de nieuwe kracht die ons omhoog zal dragen’, als het aan u en uw poëzie ligt, zullen er weer Yellow-appels geteeld worden.
Het is mede daarom dat ik blij ben u namens de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde de Henriette Roland Holst-prijs voor het jaar 1980 te mogen uitreiken.
M.A. Schenkeveld-van der Dussen
Geachte aanwezigen, toehoorders, letterkundigen,
Ik geloof noch in ‘socialistische’ kunst, noch in ‘imperialistische’, noch in geëngageerde kunst. Wat is geëngageerde kunst, eigenlijk? Een knipoog. Wat weinig! Ik geloof in kunst als middel om de kwaliteit van het leven te verbeteren.
De geloofwaardigheid van de dichtkunst schijnt mij toe groter te zijn dan die van de politiek.
Politieke dope wordt momenteel vanaf de Heilige Land Stichting per wielrenfiets door het hele land verspreid, tot in onze voormalige kolonie Indonesia.
Tolueen en andere academische stoffen spelen verstoppertje in de Nederlandse bodem en maken dit land nog stukken platter dan het al is.
Door de ferme Hollandse hemel roeien de piepstemmetjes van de omroep Veronica, van ouwejurkende platenruiters (‘Wat heb je daar gehad? Een koekje, een koekje met een gat’), van onderjurken in mensengedaante. Het spookt hier.
Een gek geworden Jan van Schaffelaar springt elke dag van de zendmast.
Vanachter hun stamtafel regeert het Team van tros-Aktua onze doodsbleke polders.
Hoera! Het is 1980.
Nog dertienhonderd nachtjes slapen en het is zover, zeggen de doemdenkers Tom Poes, W. Waggel en Sickbock.
Kunst en politiek kun je allebei opvatten als een spel. Nog erger: als een spelletje, een zevensprong, een ollebolleke.
Een stoelendans in een kleuterschool.
En zitten de kleuters eenmaal op hun stoeltjes, dan willen ze er soms niet meer af!
Dit heet hier te lande regeren. Op verjaardagen een atoomkop met slagroom.
Het kankerstrijkje speelt een walsje.
Stoeltje! Walsje! Strijkje!
Ja, want je bent hier in Nederland waar alles klein is, heel, heel klein.
Kunst is geen spel. Poëzie is géén spel, zelfs geen kinderspel...
Poëzie is een vlag op een modderschuit, een vrolijke vlag die wappert boven de woede.
Omringd door stuiversromans en sprookjes als wij zijn, door de godheid disco-disco, de onechte zoon van bla-bla en zijn mama abacadabra, zou er iets moeten zijn dat ons troost gaf.
De kunst bij voorbeeld.
Domheid en kleurloosheid omringen ons en op tal van ingestorte kerkjes zitten agogen als torenhaantjes vermomd, die per walkie-talkie berichten doorgeven aan de in ruïnes verblijvende Marokkanen, psalm-
boeken, paters en Turken.
‘Waar zullen wij dan ons hoofd neerleggen?
Vrekken en gekken verordonneren de wetten’
Domheid en kleurloosheid van ongeïnspireerde politiek die ons 't sprookje in 't oor fluistert dat ze kleurrijk is, wat zeg ik: luisterrijk, nuttig, bijdehand, geïnspireerd.
Giscard d'Estaing, de zoutstrooier, of hoe hij heten mag, Van Negenoog, Thatcher, Carter, ze spreken ons welwillend toe, samen met het Braakselverwekkend Voedsel Concern MacDonald's, één en al Veronicaglimlach:
‘Ik ben de waarheid en de macht.’
Mispoes! De waarheid zit in de zandkorrel die jullie onder jullie voet vertrappen. In de zoutkorrel. In 't ijzeroxyde. In 't voetpad.
Niet in jullie tandpasta, in jullie kapsel, Hamburgerserveerders!
Regeerders en bestuurders geven niet thuis als er wordt aangebeld aan hun bloedmooie villa.
Het waterleidingbedrijf dat leidingwater leverde aan Lekkerkerk-West wist al in 1975 dat zijn drinkwater niet deugde. De directie van dat Waterleidingbedrijf hield de mond stijf dicht.
Dichtkunst mag dat niet doen.
Wanneer ze in orakeltaal spreekt is ze niet ver verwijderd van de directiekamer van dat Waterleidingbedrijf voor Lekkerkerk-West.
Kunst; dichtkunst, mag dat niet doen. Kunst is in 1980 verantwoordelijk, ze moet verantwoordelijkheid willen dragen. Er wordt van haar een mening gevraagd. Geen boodschap maar een mening.
Als je aanklopt bij dat huis moet ze thuis zijn en antwoord geven. Misschien zelfs wel raad of troost.
De media zijn snel, de poëzie moet nog sneller zijn. (De schildpad die de haas verslaat.)
Ik dank de Maatschappij, ik dank de jury die mij de Henriette Roland Holst-prijs 1980 toekende, te weten, Wiel Kusters, Anthony Mertens en Garmt Stuiveling, ik dank Willemien zonder wie ik stukken slechter schreef, en ik dank u allen.
H.H. ter Balkt