terug  begin  verder
[p. 39]

P.C. Hooft-herdenking 1581-1981

[p. 41]

Toespraak in het muiderslot op 10 maart 1981
Bij het in ontvangst nemen van vier uitgaven betreffende P.C. Hooft door de minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk, mevrouw M.H.M.F. Gardeniers-Berendsen

Dames en Heren,

Verschoon mij, dat ik het bij deze korte aanhef laat. Ga ik namen noemen, dan moet ik mij immers ook richten tot de auteurs en medewerkers, die de vier bijzondere uitgaven die in dit P.C. Hooftjaar verschijnen, mogelijk hebben gemaakt. En hun aantal is zo verheugend groot, dat het noemen van hun namen al een groot deel van de mij toegemeten spreektijd in beslag zou nemen. Daarom laat ik het bij het simpele Dames en Heren, ook al besef ik terdege dat deze aanhef wel heel schril afsteekt bij de vernuftige kunst van het deftig, stijlvol en uitgebreid aanspreken, die juist P.C. Hooft met zoveel deftige gratie bedreef. Maar aangezien edele wedijver met deze grandioze, zeventiende-eeuwse meester van de beleefdheid voor de, wat stijl betreft, toch al kale twintigste-eeuwer een verloren zaak is, laat ik het nu zo.

Dit is een merkwaardige plechtigheid, dames en heren. Want we vieren nu, de tiende maart, zogezegd de ‘Christmas-eve’ van de échte herdenking van de vierhonderdste geboortedag van de grote Hooft. En dan ook zullen de vier P.C. Hooft-uitgaven die ik zonet mocht ontvangen - vier uitgaven die ik met een gevoel van dank aanvaard - in de boekwinkel verschijnen. Het licht der schitterige dagen, Hooft, Overvloed van vonken en Uyt liefde geschreven. We zien elkaar ongetwijfeld wéér op de achttiende maart. Toch heb ik uw uitnodiging om hier vandaag op deze vooravond van de herdenking in uw midden te zijn met graagte aanvaard.

Als iets duidelijk is, dan is het dat het oeuvre van Hooft tot het cultuurbezit van heel ons volk dient te behoren. Ik zeg: dient te behoren: Want men bezit, om dat wat vervelende woord nu maar te hanteren, men bezit een cultuurgoed eerst als men het bewust bezit. De cultuurschatten van het verleden moeten steeds weer wakker gemaakt en steeds wakker gehouden worden. En dat willen bezitten van de grote culturele erfenis, dat wakker zijn op dit punt: vergis ik me of wil het ons volk daar nog weleens aan schorten?

[p. 42]

Toen dit jaar 1981, het Hooftjaar, in het zicht kwam, heb ik gehoopt dat er op tijd tekenen kwamen dat dit, anders dan bij Vondel, een signaal zou zijn dat dit gevierd zou gaan worden, met alle luister deze grote vaderlandse schrijver waardig. En tot mijn grote vreugde bleek dat de Maatschappij, en in het bijzonder Mevrouw Schenkeveld-van der Dussen, de heer Visser en de secretaris, de heer Breugelmans al aan alle denkbare touwen aan het trekken waren om inderdaad een groots opgezet P.C. Hooftjaar van stapel te laten lopen. Er kwam een taakverdeling tot stand, er in resulterende dat er een ere-comité werd ingesteld voor de eer en een werkcomité voor het werk. Maar de eer van het werk heeft natuurlijk het tweede comité, dat veel verzet heeft uit pure geestdrift en liefde voor het werk van P.C. Hooft.

Het is een uitstekende gedachte geweest van de Maatschappij om de viering te doen plaatsvinden aan de Dam, in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, in volle openbaarheid. Men zou kunnen zeggen, in het geestelijk hart van het hele volk. Dat is de plaats waar de aandacht voor deze grote klassieke schrijver wakker moet zijn.

Het is een even goede gedachte geweest om een aantrekkelijk boek over Hooft's leven uit te geven en zijn lyrische poëzie voor een groot publiek dichterbij te halen.

Maar anderzijds: een klassiek auteur leeft niet ècht onder een volk, als velen zijn werk wel kennen, maar als niet ook zijn beeld en betekenis steeds weer in wetenschappelijke studies wordt zuiver gehouden. De publicaties in dit Hooftjaar zouden niet compleet geweest zijn zonder een aantal essays en wetenschappelijke studies.

 

Dames en heren, Hooft schreef voor een kleine kring gelijkgestemden én - getuige niet in de laatste plaats zijn Historiën - voor het hele volk. Deze zinvolle paradox vinden we terug in de publicaties met uitgaven voor een kleine kring en uitgaven voor de grootst mogelijke kring. De laatste uitgaven konden trouwens niet zonder de eerste ontstaan. In hun totaliteit pas doen zij recht aan wat P.C. Hooft voor ons moet betekenen. Het is ook op grond van genoemde paradox denk ik, dat er naast de viering in grote kring behoefte was aan deze Muiderkring vanmiddag.

Het lijkt me geheel in de geest van de man die we dit jaar eren, dat er ook een besloten plek moet zijn. Een plek, waar men beleefdheden uitwisselt, hoofse woorden, waarachter - geheel in Hoofts traditie - echte dank een vorm vindt.

terug  begin  verder