Majesteit, Koninklijke Hoogheid, Geachte Dames en Heren,
Het is een feit dat onze voorouders uit de zeventiende eeuw bepaald veel universeler waren dan wij. Maar het treft daarbij toch weer hoe veelzijdig de man is wiens vierhonderdste geboortedag we vandaag gedenken: P.C. Hooft.
Hij was drost van Muiden, baljuw van Gooiland en Hoofdofficier van Weesp en Wesperharspel. Dat was geen erebaantje. Hij was de hoogste ambtsdrager in die rechtsgebieden en rechtstreeks ondergeschikt aan de Staten van Holland.
Hij was historicus, toneelschrijver, lyrisch dichter en een epistolair talent dat op zijn levensweg een spoor van brieven achterliet. In zijn monumentale, recent verschenen editie van deze brieven zegt dr. H.W. van Tricht dat de correspondentie, met veel van zijn dichtwerk, behoort tot het meest levensvatbare dat werd nagelaten door deze zeventiende-eeuwse cultuurdrager en cultuurschepper.
In zijn inleiding bij een door hem samengestelde kleine bloemlezing uit de brieven van P.C. Hooft voert dezelfde dr. Van Tricht de beginnende lezer op een alleraardigste wijze binnen in deze wereld van brieven. Op de lagere school kreeg je op een gegeven moment bij de Vaderlandse Geschiedenis zo'n grote schoolplaat met daaronder iets van: Pieter Corneliszoon Hooft temidden van zijn Muiderkring. En je zag elegant geklede mensen gezellig muziek maken, kouten (zoals de meester of de juffrouw dat dan noemde) en poëzie voordragen. Het scheen er heel gezellig en ongedwongen toe te gaan. En kreeg je dan later die brieven voor je, dan keek je wel even op. Want op het eerste gezicht zijn die brieven erg plechtstatig en geleerd. Vol gecompliceerde beleefdheidsformules als: U Edelheid ganschdienstwillighe; U edelheid Onderdaensten, toegedaensten dienaar; Uwer Edel Gestrengheid Verplichte, ootmoedige dienaar. Ze staan ook bol van verwijzingen naar de klassieken, van Latijnse versregels en ingewikkelde allegorieën. Het schijnt een woud van strijkages, pluimstrijkerij en pralen met kennis. Maar Van Tricht geeft in een paar rake trekken weer uit welke geest deze brieven geschreven werden. Al die beleefdheidsfrasen die Hooft han-
teert zijn nog niet de clichés van weledelgestrenge heer en uw dienstwillige dienaar die ze in latere tijd werden. Ze zijn altijd weer anders, die formuleringen bij Hooft, en hij varieert en nuanceert ze naar gelang de inhoud van de brief en de persoon van de geadresseerde.
De beleefdheid is een spel met goede verstaanders. Zoals ook het vertoon van geleerdheid geen loze praalzucht is, maar een manier om in allerlei verwijzingen, krullen en vergelijkingen de gedachten heel precies over te dragen. Het is het spel van de rederijkerskamer. Maar het is niet, zoals de rederijkerstraditie wil, louter het vernuftige en erudiete woordenspel omwille van het woordenspel. Ook weegt mee de wil om anderen te ontzien. Het ontstaat uit een humanistische geest van verdraagzaamheid en de wens, anderen in hun waarde te laten en niet rechtstreeks en bruut te benaderen. Het klopt wel met wat de geschiedenis over de zeventiende-eeuwse verdraagzaamheid leerde. Maar daarbij dacht je meestal ook aan deugdelijke saaiheid en dat klopte dan niet met dat vrolijke gezelschap in de Muiderkring. Lees je in die brieven, dán begrijp je pas hoe ze waren, die mensen in die tijd. Het woordenspel wordt bedreven op de wijze van een galante dans. In variaties op en experimenten met voorgeschreven stijlfiguren wordt de conversatie opgebouwd. Zoals met waaiers waarin een hele taal gesproken kan worden, zo voeren deze taalvirtuozen verhullend en tegelijkertijd onthullend hun gesprekken.
Dat cultiveren van de omgangsvorm doet ook denken aan de stijl van een hofhouding, van bijvoorbeeld Lodewijk de Veertiende, waar getrouwen zich met elkaar onderhielden via een daar tot ritueel geworden systeem van buigingen, knixen, formules en intonaties. Ook dát is de barok, en het is niet zo verwonderlijk dat Hooft in zijn Huis te Muiden een kring van intimi om zich verzamelde, een kring van welgestelde en erudiete mensen, die iets weg had van een hof.
Wat ook treft is, dat zo'n hooggeplaatst en aanzienlijk heer als Pieter Corneliszoon Hooft, magistraat en historicus, in zijn zwierige lyrische verzen uiting kon geven aan amoureuze inblazingen zonder dat men daar iets ongewoons in zag. Een magistraat, die zich vrijmoedig in verliefde minnezangen uitleeft, zou in onze tijd hoogst ongebruikelijk zijn. Bij onze voorvaderen lag dat kennelijk wat eenvoudiger... Of moet ik zeggen gecompliceerder? In de barok werd de natuur wel gecultiveerd - men denke aan de architectonische tuinaanleg -, maar het blééf natuur. En in de woordkunst werden gevoelens wél in een stylistisch keurslijf gedwongen. Maar juist bij de steeds met taal experimenterende Hooft zie je dat het gevoelens blijven. In
het hoofs gestyleerde taalgebruik is het mogelijk heel persoonlijke gevoelens te uiten zó dat het niet buiten de bestaande conventie valt en ongepast wordt. Hij verenigt het persoonlijke met het ‘salonfähige’. Die combinatie vond Hooft in de galanterie. Ook de meest hevige passie blijft onderworpen aan de regels van een spel met de beleefdheid, dat de ware hoffelijkheid is. De stijl van die tijd krijgt in Hoofts lyriek een heel persoonlijk accent. De luchtigheid van de galanterie is sterk in tegenspraak met de hevigheid van zijn verliefde gevoelens. Het hartbrekende van verdriet, geuit door een man die het verbergt in lichtvoetige liedjes waarmee men 't gezelschap, op een tokkelinstrument spelend, vermaakt. De schijnbare luchtigheid geeft de verzen juist hun melancholische toon van vergeefsheid. P.C. Hooft: een hoffelijk man, meester van de vriendschap, taalvirtuoos. Eén van onze meest ontroerende lyrici.
Dames en heren, Pieter Corneliszoon Hooft werd vierhonderd jaar geleden geboren, en dat herdenken we nu. Soms zijn herdenkingen als deze een eerbewijs aan mensen die in een lang voorbij verleden aan onze cultuur hebben bijgedragen. Maar ze blijven ver weg. Zo niet bij Hooft! Hooft is een figuur uit de zeventiende eeuw. Uit zijn Histoorien lezen we hoe het er toeging, en uit zijn brieven zijn we getuige van de omgang met elkaar. Maar in alles, en het meest in zijn poëtisch werk horen wij een stem, zó persoonlijk, dat we nu nog door hem aangesproken zijn. De strakke stijlmiddelen van zijn tijd heeft hij zó aangewend dat hij zijn persoonlijke gevoelens kon uiten. Daarmee werd zijn werk een werk van alle tijden en herdenken we iemand die met zijn werk nog steeds in ons midden aanwezig is.
Dames en heren, het is misschien onterecht en een beetje onaardig om het juist vanmiddag te zeggen, nu er zo verheugend veel mensen hier in de Nieuwe Kerk bijeengekomen zijn om één van onze grote, klassieke schrijvers te eren. Maar toch wil ik er niet omheen: Wij Nederlanders springen soms wat onachtzaam met de grote auteurs uit het verleden om. We eren ze van tijd tot tijd wel, maar ermee leven is toch wat anders.
Het deed me daarom een groot genoegen dat de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde deze herdenking heeft georganiseerd met alle luister die Hooft toekomt, en wel zo, dat het niet bij een eerbetoon blijft, maar dat ‘de schim des Drossaarts’ werkelijk door de grijze poort van het verleden in ons midden treedt. Hooft is niet dood, hij leeft, constateerde Boekblad aan de vooravond van dit feest. Laat deze herdenking een begin zijn van Hoofts levende aanwezigheid in het hart van ons hele volk. En deze her-
denking zal pas een waar feest zijn als het een begin is van een grote, warme, algemene belangstelling voor onze rijke literaire cultuur. Laten we er niet alleen op hopen, laten we vooral doen wat we kunnen op de plaats waar wij staan om dat te verwezenlijken.
Ik dank u.