De regionaal ingestelde historicus Lammert Buning schonk twee regioenen zijn bestendige belangstelling: Drenthe (waarmee hij zich door herkomst en familie sterk verbonden voelde) en Vlaanderen (door een bijzondere vondst daarheen gedreven).
Twee uitspraken mogen voor hem kenmerkend heten als wetenschappelijke beginselverklaring: ‘Diepte en kleur krijgt het geschiedverhaal echter pas wanneer het regionaal eigene, het van het doorsneepatroon afwijkende in het licht wordt gesteld.’1 En: ‘Mijn eigen standpunt ... doet weinig of niet ter zake; ik heb objectiviteit nagestreefd; maar kan het hart worden stilgezet?’2
Geschiedbeoefening was voor Buning bepaald niet ‘blote juisthedenjagerij’,3 al rustte hij niet vóór hij alle (voor een onderhanden studie mogelijk van nut zijnde) materiaal bijeengegaard had, waarbij hij ook op zeldzaam hardnekkige wijze nieuwe kenbronnen wist aan te boren. Maar hij benaderde historische figuren als mede-mensen, trachtte ze van-binnen-uit te begrijpen; zag ze in de regionaal-eigene ‘ambiance’. Wie zijn hart níet buitensluit kan de ziel van een samenleving (en de acteurs daarin) stellig beter verstaan. En juist daardoor kreeg dr. Buning's relaas altijd weer ‘diepte en kleur’; won het ook aan zuiver waarheidsgehalte. Koos hij wel ooit voor zijn historische nasporingen onderwerpen, die zijn hart níet hadden? Het behoedde hem voor de bij sommige geschiedschrijvers (zogezegd ‘eigentijdse’) ontluisteringsneiging.
Lammert Buning stamde uit een practisch werkzame familie, die tot dan weinig neiging vertoond had tot wetenschappelijke studie. Zijn vader verliet Lammert's geboortestad Assen reeds toen deze nog maar vier jaar oud was, om in het siertuinrijke Westen (van 's-Gravenhage uit) een hoveniersbedrijf op te bouwen. Hij verwachtte niet anders dan dat zijn enige zoon in het weldra florerende bedrijf zijn medewerker, en later zijn opvolger zou worden. Maar al jong bezielde de leergierige Lammert een nog onbestemde lust tot studie. Een schoolvriendje zou naar de destijds befaamde Kweekschool van het Haagsch Genootschap gaan. Dàt was het dus! Lammert zette door, en zo kwam hij bij het onderwijs.
Eenmaal naar wens op glee behaalde hij akte na akte: Naast de onderwijzersakte (1934) ook die voor godsdienstonderwijs (1934); daarop de
Hoofdakte (1936), lo Frans (1937), lo Duits (1938), lo Engels (1943); dan, op hoger niveau: mo Nederlandse Taal en Letterkunde (1949), mo Geschiedenis (1954). Daarop volgde tenslotte Buning's academische studie aan de Rijksuniversiteit te Groningen; stoer volgehouden bij een steeds meer van hem vergende werkkring als adjunctdirecteur zijner Kweekschool: kandidaatsexamen (1957), doctoraal (1960); dit alles bekroond met een feestelijke promotie (1966).
Voor die academische studie ging Buning's hart uit naar de geschiedenis. Maar de leidende historici bleken weinig tegemoetkomend. Wat wilde hij eigenlijk zonder gymnasiale voor-opleiding? Hij week nu uit naar de faculteit der sociale wetenschappen, vond daar in prof. dr. P.J. Bouman een melevende mentor en in prof. dr. H. Baudet zijn promotor. Uiteraard richtte zich zijn interesse daar vooral historisch-sociografisch.
Buning's werkkring evolueerde met de voortgang zijner studie. Als ‘kwekeling met akte’ aan Haagse scholen begonnen, ontving hij zijn eerste ‘echte’ benoeming in de gemeente Naaldwijk (ols Maasdijk). Via het vglo kwam hij in 't voorjaar van 1944 bij het ulo in Gorinchem, vandaar in 1950 bij het Kweekschoolonderwijs in Winschoten. Deze opgang culmineerde in 1971 in zijn benoeming tot docent geschiedenis aan de nieuw-opgezette leraren-opleiding Ubbo Emmius te Groningen. Voor welke leeftijd Buning ook kwam te staan, hij verwierf er faam als boeiend verteller, vooral wanneer hij de kans kreeg zijn gehoor in eigen omgeving de historische achtergrond te leren zíen.
De zeven ulo-jaren in Gorcum, waar hij ook in het plaatselijk verenigingsleven actief was, brachten voor hem als hoogtepunten zijn huwelijk (Gieten, 1946), met de Drentse Hendrika Kramer en de geboorte van hun twee dochters: Erica en Marlien.
Bij de overgang van Gorcum naar Winschoten, na zijn benoeming aan de Rijkskweekschool aldaar, besloot Buning zich in zijn vrije tijd niet meer in allerlei verenigingswerk te verstrikken, maar ‘nu eens echt te gaan studeren’. Dat nam niet weg dat hij zich ook in Winschoten boven alles met kracht inzette voor zijn schoolarbeid, en wat zich daar buiten de lesuren aan toevoegde voor een mee-levend leraar. Werkweken bijvoorbeeld, in het Drentse Grolloo (1958) en in het Vlaamse Brugge (1963). Hoe goed herinner ik mij nog de werkweek in de Berenkuil te Grolloo waar hij sprak over De jeugd in de moderne samenleving en ik (op zijn verzoek) Over de mythe van de jongere generatie, die altijd gelijk heeft. Hoe zeer hij ook mee wilde denken met zijn Kwekelingen, de roerigheid der latere Pedagogische Acade-
miestudenten werd hem wel eens te machtig. Mede daardoor begroette hij met vreugde zijn benoeming tot docent Geschiedenis aan ‘Ubbo Emmius’, de Groninger-Leeuwarder leraren-opleiding, mede opgericht door de Rijksuniversiteit te Groningen. Toch berustte die vreugde vooral ook daarin, dat hij zich nu geheel aan zijn lievelingsvak kon wijden.
Van de historisch-sociografisch gerichte belangstelling van Buning's academische studie getuigt met name zijn proefschrift Het Herenbolwerk. Met noeste vlijt werd hier (deels nieuw gevonden) materiaal verzameld en naar de eis van het gestelde doel geanaliseerd en geordend. Ondanks de lacunes in het materiaal, waarover Buning bij herhaling klaagde, ontstond het overtuigende beeld van die historisch-sociografisch zo boeiende Drentse regentencercle der ‘Asser Heren’, die met hun Herensociëteit als sociabel verenigingspunt in de Olde Lantschap gedurende een tweetal eeuwen de politieke en sociale dominante vormden. Deze studie verkreeg bijzondere betekenis door het regionaal-eigene van Drenthe's ontwikkelingsgang, door de auteur zo duidelijk in het licht gesteld.4
In de Drentse beweging was Buning een waardevolle kracht. Als schrijver en als spreker.5 Hij was lid der redactie van de aloude Nieuwe Drentse Volksalmanak, het culturele jaarboek voor Drenthe. Hij gaf leiding aan het ‘Drenthe College 1965’ van het Drents Genootschap. De eminente Hoogeveense publicist Lammert Huizing getuigde ervan: ‘Onvergetelijk voor alle deelnemers was de magistrale wijze, waarop Buning in twee avondvullende sessies als openingscollege een schildering gaf van Land en Volk van Drenthe in het verleden. Diep onder de indruk was ieder van de manier, waarop hij als een geboren docent langs grote lijnen het Drentse verleden tot leven bracht.’6 Als eerste voorzitter van de kortelings opgerichte Historische Vereniging Drenthe werd veel van zijn inspirerende leiding verwacht. Veel verwachting wekte ook Buning's medewerking aan het onder leiding van Rijksarchivaris dr. J. Heringa in voorbereiding zijnde grote geschiedboek van Drenthe. Over Drenthe had Buning meer in voorbereiding.7 De pen is hem helaas te vroeg uit de hand genomen...
Buning's belangstelling voor Vlaanderen en de Vlaamse Beweging werd al vroeg gewekt door een grote fietstocht die hij er als kwekeling met drie vrienden ondernam. Als Nederlander vaderlands gezind, trof hem ginds de op velerlei wijze speurbare anti-Belgische stemming der Vlaamse Belgen. ‘Voor 't Belsjiekse Niekse...’ placht hij - ervan vertellend - deze gevoelens te noemen. Het werd hem duidelijk, dat Vláánderen voor hen het eigenlijke vaderland was.
Toen Buning vele jaren later voor zijn proefschrift in de pastorie van Beetsterzwaag belandde, liet de toenmalige dominee hem als curiosum een notulenboek zien van een zijner voorgangers, Dominee Domela Nieuwenhuis Nyegaard. Dit boek bleek de memoires van die befaamde voorganger te bevatten. Buning besefte meteen: Dit is een waardevol historisch document. Domela toch, was tijdens de eerste wereldoorlog in Vlaanderen werkzaam geweest en daar radicaal activist geworden - Vlaming met de Vlamingen! Na de oorlog in het herstelde België ter dood veroordeeld, had hij in Nederland asiel kunnen vinden. De vroegere toeristieke belangstelling voor de Vlaamse beweging herleefde in de historicus Buning. Sindsdien heeft hij speurtocht op speurtocht ondernomen om het leven en werken van deze Domela te reconstrueren. Uit wijd-verspreide archivalia, maar ook door schriftelijke en mondelinge navraag bij Domela's nog levende vroegere ‘strijdmakkers’. Hij heeft ze praktisch allemaal per auto opgezocht.
Het resultaat werd het boek Vlaming door keuze. Vele kleinere publicaties hierover verschenen nog. Vooral Buning's medewerking aan het Nationaal Biografisch Woordenboek en de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging verdienen vermelding.8
Het over dit onderwerp bijeengegaarde materiaal, keurig in mappen geordend, is als De Vlaamse Collectie van dr. L. Buning ondergebracht in het Rijksarchief van Noord-Brabant, afdeling Nederlandse collecties over de Vlaamse beweging.9
Was het aanvankelijk een zekere parallellie met Drenthe's lotgeval tijdens de Republiek (de ‘Achtste der Zeven Proviciën’ immers - met nawerking tot op onze dagen!), nadere studie bracht dr. Buning op breder terrein met wijder horizon: de Groot-Nederlandse Gedachte. Verbreding had vanzelfsprekend voor de regionaal-historicus zijn wonen en werken in Groningerland al meegebracht - getuige verschillende publicaties onder andere in de Winschoter Courant. Verbreding manifesteerde zich vooral in Buning's lezing Oost-Friesland, Groningen en de Nederlanden (mei 1979) in Aurich, tijdens een ‘studie-uitstap’ van de Vlaams-geboren Nederlandse vereniging Zannekin naar Oost-Friesland.10
Hoe grondig Buning zich in de samenhang der gebieden die hem bijzonder belang inboezemden, is gaan verdiepen, blijkt uit de tekst van de rede, die hij zich voorstelde uit te spreken bij zijn afscheid van Ubbo Emmius wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd op 1 december 1979: De Groot-Nederlandse Gedachte - Iets over de idee, geschiedenis en histo-
riografie. Buning's conclusie: ‘Het algemene beeld, geldend voor Nederland èn Vlaanderen, is dat de Groot-Nederlandse Gedachte in de politieke interpretatie haar greep op de gemoederen verloren heeft. De gedachte is zeker niet dood, leeft hier en daar voort, maar treedt zelden met élan aan de oppervlakte. Ze leeft stellig in de harten van sommigen, maar wordt weinig in de mond genomen. Zij gaat wellicht vaak schuil achter het culturele grootnederlandisme, dat - zie ik het goed - sterker is dan ooit en geen enkel probleem oplevert, nóch in Noord, nóch in Zuid.11
Buning aarzelde niet deze verhandeling over de Groot-Nederlandse Gedachte te besluiten met een citaat ‘uit het poëtisch oeuvre van Ward Hermans, rebel tegen België en ’Trouw Diets’ gebleven’ [...]:
De afscheidsrede zou Lambert Buning's zwanezang worden. Ze lag al geruime tijd in manuscript gereed toen hij ziek werd en niet meer zou herstellen. Hij overleed op 17 oktober 1979.
Postuum, op verzorgde wijze, in druk gegeven door de Stichting Ubbo Emmius, toont de rede dr. Buning nog in zijn volle kracht als wetenschappelijk historie-beoefenaar.
Dat het handschrift voor de rede reeds zó tijdig gereed lag zegt ook iets van de mens Lammert Buning, systematisch zijn tijd indelend, trouw aan zijn taak. Trouw en toewijding waren wel zijn meest kenmerkende eigenschappen. In zijn gelukkige gezinsleven; tegenover zijn vrienden, zijn leerlingen en de velen, met wie hij in correspondentie stond - ontvangen brieven moesten zo mogelijk nog dezelfde dag beantwoord worden!
Ontroerend is het verhaal hoe hij zich de dochter van een ‘naam-tante’, (de beste vriendin van zijn hem vroeg ontvallen moeder, met welke dochter hij als kleuter reeds speelde en met wie de vriendschap vele jaren als zodanig voortgezet werd) tot vrouw koos. Lang verbond hem ook jeugdgenegenheid met Scheveningse vissers en Westlandse kwekers. Trouw aan zijn vrienden, ja! - Twee van de drie tochtgenoten van de Vlaamse fietstocht uit zijn kwekelingentijd kwamen een halve eeuw later heel naar Groningen toen wij hem de laatste eer bewezen.
Trouw en toewijding - raken ze niet wat uit de tijd in onze turbulente samenleving?
Roden (Dr.), 't Prakke-Hofke, augustus 1981
Henk Prakke