René Dekkers is een buitengewoon veelzijdig jurist geweest, met een haast ongelooflijke productiviteit. Drie hoofdgebieden laten zich onderscheiden waarop hij zich bewogen heeft: de rechtsgeschiedenis, het burgerlijk recht en de rechtsvergelijking. Begonnen als rechtshistoricus heeft hij zijn activiteiten op dat terrein min of meer bewust gestaakt in het begin van de jaren '50 om zich in plaats daarvan - en met gebruikmaking van de daarin opgedane ervaring - intensief te gaan wijden aan rechtsvergelijkende studies (waarmee hij zich vroeger alleen terloops had beziggehouden). Zijn werk als civilist heeft iets later dan zijn rechtshistorisch werk een aanvang genomen en heeft tot het eind van zijn leven voortgeduurd, al is er een duidelijk hoogtepunt in de jaren '40 en '50. Deze ontwikkeling laat zich zowel aan zijn levensloop als aan zijn voornaamste werken illustreren.
Geboren op 27 november 1909 te Antwerpen, waar hij het Koninklijk Athenaeum bezocht, studeerde hij aan de Vrije Universiteit te Brussel. Nadat hij in 1932 zijn doctorsgraad in de rechten - volgens de toen in België geldende regels zonder verdediging van een proefschrift - had behaald, werd hij aldaar op tweeëntwintigjarige leeftijd tot assistent voor de cursus Romeins recht benoemd. De bedoeling was dat hij Georges Cornil als hoogleraar in dit vak zou opvolgen. Doordat Jean Van Rhijn zich tijdelijk met het doceren van de cursus belastte, kreeg Dekkers de gelegenheid zich voor te bereiden op het behalen van de graad van geaggregeerde voor het hoger onderwijs in het Romeinse recht en de rechtsvergelijking. Deze graad verwierf hij in 1935 met een proefschrift La fiction juridique, Etude de droit romain et de droit comparé (Paris 1935), waarvan hieronder nog sprake zal zijn. Op 1 oktober 1936 werd hij tot docent aan de Brusselse Universiteit benoemd, eerst alleen voor de Franse cursus ‘Institutes de droit romain’, kort daarop ook voor de Nederlandse cursus over deze materie; in 1941 werd hij gewoon hoogleraar. Na in 1945 eerst tijdelijk te zijn aangesteld werd hij in 1946 aan de Rijksuniversiteit Gent gewoon hoogleraar in de Instituten van het Romeinse recht en in de Pandecten; in 1956 werd hij daar tevens, als opvolger van Kluyskens, belast met een aantal colleges in het burgerlijk recht en in het burgerlijk procesrecht. Hij heeft de genoemde leeropdrachten voor het Romeinse recht niet tot het eind toe behouden. Te Brussel stond hij de Franse cursus af in 1957, de Nederlandse in 1958; te
Gent droeg hij het Romeinse recht in 1960 over. Hij vervulde - in Gent en ten dele ook in Brussel - nog andere leeropdrachten, zoals de wijsbegeerte van het recht en de rechtsvergelijking. Van 1958 tot 1966 was hij dekaan van de Gentse Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Bij de splitsing van de Brusselse Universiteit koos hij voor de Nederlandstalige Vrije Universiteit Brussel, met behoud van enkele leeropdrachten aan de Franstalige Université Libre de Bruxelles; hij beheerste overigens beide talen perfect. Na reeds in 1959 en 1965 als gast colleges te hebben gegeven aan de Universiteit te Lubumbashi was hij van 1966 tot 1970 rector van deze Universiteit. Onder zijn studiereizen naar het buitenland verdienen vooral vermelding een reis naar China in 1956 en een verblijf van twee maanden aan de Academie van Wetenschappen in Moskou in 1959. Reeds in 1948 - op achtendertigjarige leeftijd - werd hij corresponderend lid van de Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren (werkend lid in 1955). Een jaar later werd hij buitenlands lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Van de talloze eerbewijzen die hem ten deel vielen noemen wij hier in het bijzonder het eredoctoraat dat de Groningse Universiteit hem in 1969 verleende. Dit waren geenszins zijn enige banden met Nederland; hij gaf er herhaaldelijk gastcolleges en was onder andere lid, later voorzitter, van de Belgische Sectie van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland. Hij stierf op 22 oktober 1976.
De omvang en het aantal van zijn publikaties is van dien aard dat er hier slechts een klein gedeelte van aan de orde kan komen. Men zal het de schrijver van dit levensbericht hopelijk vergeven dat hij, als rechtshistoricus, vooral aandacht besteedt aan die publikaties, die op het gebied van de rechtsgeschiedenis liggen. Dekkers' verkiezing tot buitenlands lid van onze Maatschappij is overigens ook wel alleen door een van zijn werken op dit gebied gemotiveerd geweest.
Hoewel Dekkers meer dan twintig jaren het Romeins recht onderwezen heeft, komt hij - afgezien van een enkele uitzondering - in zijn wetenschappelijke publikaties eigenlijk slechts in de eerste vijf jaren van zijn academische loopbaan (1932-1937) als Romanist naar voren. In deze tijd verscheen, behalve zijn reeds genoemde aggregaatsthesis over La fiction juridique, zijn monografie La lésion énorme, Introduction à l'étude des sources du droit (Paris 1937). Geen van beide boeken is overigens zuiver Romanistisch; zij bevatten beide ook andere elementen.
Zijn werk over de fictie presenteert zich in de titel als een studie over Ro-
meins recht en rechtsvergelijking. De bronnen van het Romeinse recht dienen als uitgangspunt, zowel voor het methodische eerste gedeelte (Qu'estce que la faction juridique?) als voor het beschrijvende tweede gedeelte (L'oeuvre de la fiction). In beide gedeelten komt ook kort de latere rechtsontwikkeling aan de orde, grotendeels met de bekende flinke sprong van Justinianus naar Pothier en de codificaties van de negentiende eeuw (tot deze laatste beperkt zich ook vooral de rechtsvergelijking). De middeleeuwse juristen komen er slecht af: het zijn ‘esprits manquant de force et de fraîcheur, enchaînés, après la décadence, à des textes illustres’ (p.56). De ‘ware bronnen’ zijn voor hem de teksten van het klassieke Romeinse recht, die in hun zuivere vorm moeten worden hersteld. Hier toont Dekkers zich een volledig adept van de nieuw-humanistische school van beoefenaren van het Romeinse recht.
In La lésion énorme heeft Dekkers zich tot taak gesteld een geschiedenis te schrijven van de bekende lex secunda (c. 4, 44, 2), de constitutie van keizer Diocletianus waarin aan een verkoper de bevoegdheid wordt gegeven, ontbinding van de koop te vorderen als de bedongen prijs minder dan de helft van de waarde van de verkochte zaak bedraagt (een dergelijke benadeling is door de latere Europese privaatrechtswetenschap als ‘laesio enormis’ aangeduid); deze constitutie ligt ten grondslag aan alle teksten over laesio die men vanaf de middeleeuwse schrijvers tot en met de nog geldende codificaties kan aantreffen. Het gaat Dekkers om een bronnengeschiedenis: ‘La matière même de la lésion ne nous intéresse pas directement. Celui qui voudrait étudier ce problème au point de vue social, ou économique, ou moral, ou politique, ne trouvera pas grand’ chose dans ce travail’ (p.13-14). De bronnen waaraan Dekkers hier zoveel gewicht toekent, zijn voornamelijk die van ná Justinianus. Het aan het eigenlijke Romeinse recht gewijde eerste hoofdstuk (La génèse de la loi seconde) - dat geheel in de nieuw-humanistische traditie betoogt dat Justiniamus de tekst van Diocletianus geïnterpoleerd heeft - vormt niet meer dan een vijfde gedeelte van het boek. De rest is gewijd aan bronnen uit de middeleeuwen en uit de Nieuwe Tijd. Van de minachting voor de ‘esprits manquant de force et de fraîcheur’ uit de middeleeuwen blijkt hier niet veel meer; hun meningen worden met dezelfde objectiviteit als die van juristen uit andere tijden weergegeven.
Deze belangstelling voor de na-Justiniaanse bronnen heeft Dekkers reeds een jaar na La lésion énorme gebracht tot een werk waarin hij niet meer een dogmatisch voorwendsel behoefde te gebruiken om zich ermee bezig te houden: Het Humanisme en de rechtswetenschap in de Nederlanden (Antwer-
pen - 's-Gravenhage 1938). Dit boek behandelt leven en werken van een vijftal Nederlandse juristen uit de zestiende eeuw: Nicolaas Everaerts, Wigle van Aytta, Gabriel vander Muyden, Jacob Reyvaert en Mattheus van Wesembeke. In zijn inleiding worden ‘de behoefte, tot de bronnen terug te keeren, en tevens de wensch, onze historische kennis met een letterkundige en als het ware een psychologische aan te vullen’ als de belangrijkste drijfveren voor zijn onderzoek genoemd (p.xiv). Dekkers beklemtoont hier dat men de theorieën van de middeleeuwen en van de moderne tijden niet uit het oog mag verliezen: ‘Het komt er [...] niet alleen op aan, het historisch wetenschappelijk romeinsch recht te kennen: het is ook noodzakelijk te weten, hoe het romeinsch recht begrepen werd ten tijde van Pothier [...].’ Dit boek is ongetwijfeld de meest waardevolle bijdrage die Dekkers aan de wetenschap van de rechtsgeschiedenis geleverd heeft. Weliswaar heeft het voornamelijk een beschrijvend karakter en gaat het niet diep op de problemen in, maar het geeft een bijzonder levendig beeld van deze juristen door de vele uittreksels uit hun werken.
Met Het Humanisme heeft Dekkers ook de eerste stap gezet op het gebied van de bibliografie der rechtswetenschap, waarop hij zich tenslotte een blijvende naam zou verwerven door zijn in 1951 verschenen Bibliotheca belgica juridica, Een bio-bibliographisch overzicht der rechtsgeleerdheid in de Nederlanden van de vroegste tijden af tot 1800 (Brussel 1951). Dit werk was bestemd als een ‘Vorarbeit’ voor een grote Geschiedenis van het Belgisch recht in meerdere delen; in een eerste deel zou Dekkers de rechtsleer en de rechtspraak, J. Gilissen de gewoonte en de wetgeving behandelen. Dit project was door hem aangekondigd in een Academie-mededeling Over de geschiedenis van het oud-Belgisch recht (Brussel 1949).
De Bibliotheca belgica juridica is ongetwijfeld een onmisbaar instrument voor alle beoefenaren van de Nederlandse en Belgische rechtsgeschiedenis geworden en zij wordt ook in het buitenland veelvuldig gebruikt. Het is natuurlijk gemakkelijk om op een dergelijke onderneming kritiek uit te oefenen: iedere gebruiker zal met betrekking tot een of meer juristen die hem interesseren al snel onvolledigheden of onjuistheden kunnen ontdekken. Als echter in aanmerking genomen wordt dat het werk door één man in drie jaar tijd tot stand gebracht is, past de criticus grote bescheidenheid. Dekkers zelf heeft in zijn inleiding zijn werkwijze zeer nauwkeurig verantwoord en als men maar rekening houdt met de beperkingen die hij zichzelf heeft opgelegd kan het werk in vele opzichten nuttig zijn. Het voornaamste bezwaar blijft dat betrouwbare en onbetrouwbare bronnen door elkaar
gebruikt zijn: het werk berust niet alleen op autopsie of moderne catalogi van bibliotheken, maar tevens op biografische verzamelwerken en oude catalogi. De moed die Dekkers heeft opgebracht om zijn Bibliotheca te publiceren moet echter ons respect blijven afdwingen.
Intussen had hij reeds omvangrijke studies op het terrein van het burgerlijk recht geproduceerd. Wij doelen hier op zijn bijdragen in het Traité élémentaire de droit civil van zijn leermeester Henri de Page, een standaardwerk dat tussen 1933 en 1950 in tien delen (12.500 blz. in het totaal) verscheen en waaraan Dekkers vanaf 1939 heeft meegewerkt. Meer dan de helft van de tekst van de zes delen die sindsdien verschenen, is door hem geschreven. Eén deel, dat over erfrecht, is zelfs, naar De Page in het voorwoord meedeelt, geheel van Dekkers' hand; niettemin wordt ook daar zijn naam slechts als die van ‘medewerker’ vermeld. Dit was een gevolg van een van zijn meest karakteristieke eigenschappen, zijn grote bescheidenheid.
Vier jaar na het verschijnen van het laatste deel van het Traité publiceerde Dekkers, nu op eigen naam, een verkorte versie ervan, zowel in het Frans - onder de titel Précis de droit civil (1954-1955) - als in het Nederlands - onder de titel Handboek van burgerlijk recht (1956-1958), tweede druk 1971-1972). Beide uitgaven bestaan uit drie delen, elk van meer dan duizend bladzijden. Onnodig toe te voegen dat Dekkers een bijzondere gave voor synthese had; hij kon de moeilijkste juridische materies op een uiterst heldere wijze uiteenzetten. Hij schreef in een zeer opmerkelijke bondige stijl, gekenmerkt door een groot aantal uiterst korte zinnen.
Dekkers' werken over burgerlijk recht - naast de genoemde boeken schreef hij ook een aantal artikelen en noten - hebben zowel op de rechtsleer als op de rechtspraak in België een grote invloed gehad.
Dekkers' studies op het gebied van de rechtsvergelijking nemen een aanvang op het moment dat hij de rechtsgeschiedenis min of meer vaarwel zegt, na de publikatie van zijn Bibliotheca belgica juridica. In brieven aan zijn collega Gilissen uit die tijd kondigt hij het heel duidelijk aan: ‘J'ai perdu l'enthousiasme que j'éprouvais, il y a trois ans, pour les études d'ancien droit belge. Ou plutôt, je me suis plongé depuis quelques semaines dans des études de droit comparé qui m'ont fait sentir que telle était, décidément. ma véritable voie’; ‘Je désire employer mon bagage romaniste et civiliste pour me lancer dans le droit comparé; je veux appliquer la célèbre maxime du grand von Jhering, ’durch das römische Recht, aber über dasselbe hinaus’.’
Het eerste en meest spectaculaire resultaat van deze studies was zijn Le
droit privé des peuples (1953). Het heeft in zekere zin ook nog een rechtshistorische kant: de opzet is, een schets te geven van de evolutie van het privaatrecht bij alle volkeren en in alle tijden. In het eerste gedeelte geeft hij uiterst beknopte samenvattingen van de negenenzeventig ‘rechtsstelsels’ die hij in de wereldgeschiedenis heeft aangetroffen; hij behandelt echter alleen de ontwikkeling bij die volkeren, die optekeningen van hun recht hebben nagelaten. In het tweede gedeelte - dat zeer kort is - tracht hij de onderlinge beïnvloeding van een aantal van deze rechtsstelsels te beschrijven; evenals het eerste gedeelte is dit gedeelte eigenlijk te schetsmatig om als een rechtshistorische studie te kunnen gelden. Beide gedeelten zijn inleidingen voor het derde en voornaamste gedeelte, waarin het verzamelde historische materiaal rechtsfilosofisch wordt benaderd; zijn opzet is ‘d'extraire du matériel historique les idées directrices, en les illustrant par des exemples topiques’; ‘fournir une échelle des valeurs juridiques; débarrasser le droit de ses entraves nationales, pour ne plus voir que la pensée, le phénomène’. In deze geest schrijft hij bijvoorbeeld enerzijds over de ontwikkeling van de rol van familie in het recht, anderzijds over de evolutie van privaat naar publiek recht.
Na 1953 publiceert hij vooral over actuele aspecten van het recht van andere landen. Zijn reeds vermelde reis naar China in 1956 geeft aanleiding tot een aantal publicaties over Chinees recht; overigens laat hij ook een reisverslag, in de vorm van brieven aan zijn vrouw, in druk verschijnen onder de titel Lettres de Chine (1956), waarin de jurist eveneens enig interessant materiaal vindt. Naast het Chinese recht is het in het bijzonder het Sovjetrecht dat in deze jaren zijn belangstelling heeft; hij publiceert, zowel in het Frans als in het Nederlands, Nieuwe beginselen van Sovjetrecht (1962; Franse versie reeds in 1961) en Inleiding tot het recht der Sovjet-Unie en der Volksrepublieken (1964: Franse versie reeds in 1963). Tenslotte is, tengevolge van zijn verblijf aan de Universiteit in Lubumbashi, ook het Kongolese inheemse recht nader in zijn gezichtsveld gekomen; hij gaat in enkele artikelen zelfs Kongolees en Romeins recht vergelijken (1965-1966).
Mijn eerste ontmoeting met Dekkers vond plaats in 1947, tijdens het tweede internationale congres van de door Fernand de Visscher gestichte Société d'Histoire des Droits de l'Antiquité. Er was niet veel voor nodig om onder de bekoring te komen van zijn charmante persoonlijkheid. Maar daarnaast was het vooral zijn reeds in ander verband vermelde grote bescheidenheid die mij opviel. Tegenover mij, als jong assistent, was hij van een eenvoudige hartelijkheid en openheid die mij haast deden vergeten dat
hij meer dan tien jaar ouder en gevestigd hoogleraar was. Zo hebben ongetwijfeld vele jongeren het ervaren en het is geen wonder dat hij een geliefd leermeester was. Hij was echter geenszins alleen wetenschapsman en docent. Tal van andere activiteiten, op organisatorisch gebied, maar ook bijvoorbeeld op dat van sport en muziek, worden van hem vermeld. Op deze plaats willen wij hem in de eerste plaats herdenken als collega en vriend die veel voor de goede betrekkingen tussen België en Nederland heeft gedaan en die door twee werken uit het begin van zijn carrière een belangrijke bijdrage heeft geleverd tot de geschiedenis van de rechtswetenschap in beide landen.
R. Feenstra
Een bibliografie van het werk van Dekkers is als bijlage gepubliceerd in J. Limpens, In memoriam Prof. Dr. René Dekkers in het Jaarboek [van de] Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België 39, 1977, p. 353-376 (zonder de bibliografie is dit ‘In memoriam’ ook verschenen in Rechtskundig Weekblad 40, 1976-1977, kol. 2433-2448). Een nieuwe bibliografie zal binnenkort verschijnen in de bundel Hommage à - Hulde aan - Tribute to - René Dekkers. In deze bundel staan ook artikelen over het werk van Dekkers op de verschillende gebieden van de rechtswetenschap. Aan het artikel René Dekkers als rechtshistoricus van J. Gilissen en R. Feenstra, zijn in het bovenstaande een aantal door laatstgenoemde geschreven passages ontleend; men vindt daar ook verdere documentatie.