Dat Jos de Gruyter, zoals hij altijd werd genoemd - en hij ondertekende ook zijn brieven met ‘Jos’ - een heel bijzonder mens was, zal wel door niemand die hem ooit heeft ontmoet, worden ontkend of zelfs maar betwijfeld. Alleen al niet, omdat hij een zo zeldzaam aandachtig man was - ‘jij, die al oor en oog bent’, zoals Vasalis in haar gedicht Nostalgique van hem zei, aandachtig, subtiel, broos, wijs. Maar niet alleen dát. Want zijn subtiliteit had niets van doen met preciositeit, zijn broosheid niets met weerloosheid, zijn wijsheid niets met sceptische gelatenheid. Hij was strijdbaar en hij kon fel zijn en zijn sterk doorvoelde én overtuigde humaniteit wees iedere weekheid van de hand. In een artikel dat ik over hem schreef ter gelegenheid van de tentoonstelling die Galerie Studio '40 te 's-Gravenhage in november en december 1978 aan zijn leven en werk wijdde (hij ging toen zijn tachtigste levensjaar in en het zou de laatste eer zijn die hem bewezen werd), wees ik op die oosterse wijsheid en beschouwelijkheid van hem die voor onbezonnen uitspraken en onverantwoorde oordelen behoedde. Hij reageerde daarop in een brief van 1 december: ‘En dan die Oosterse wijsheid en beschouwelijkheid, ja, die zal ik als kind al wel in me gehad hebben, geboren als ik was in Singapore - Sim-ha-Pura in Sanskrit, ’de Leeuwenpoort’..., maar ik heb er anderzijds ’als een leeuw’ voor moeten vechten, als dit niet te paradoxaal klinkt. Want ik was ook een ontzettende driftkop, herinner me levendig bijv. dat ik al vechtende met mijn 3 jaar oudere broer Paul de trap ben afgedonderd...’
Die geboorte in het oosten betekent overigens niet dat hij ook maar een druppel Indisch bloed in de aderen had. Zijn vader was een echte Hollander, zijn moeder een authentieke Engelse. Wel is het waar dat hij vijf van de eerste tien jaar van zijn leven in het toenmalige Nederlands-Indië doorbracht en dat dit zijn persoonlijkheid heeft beïnvloed mag wel worden aangenomen bij een zo gevoelig en voor indrukken vatbaar kind als hij moet zijn geweest.
Het is zeker niet zonder belang er op te wijzen dat ook zijn vader een opmerkelijke verschijning geweest is. Geboren in 1859 werd hij in Delft opgeleid voor ambtenaar Binnenlands Bestuur en hij was als zodanig van 1883-1389 in Noord- en Zuid-Celebes en op verschillende eilanden tussen Celebes en de Filippijnen werkzaam. Maar in dat laatste jaar gaf hij zijn
ambtelijke loopbaan op om in dienst te treden, aanvankelijk in Rotterdam, maar spoedig in Liverpool en Londen, van het toen al door Sunlight Soap wereldvermaarde industriële concern Lever Brothers. Dat was destijds een vrij progressieve onderneming, die ook een tijdschrift uitgaf, Monthly Journal Port Sunlight, waarvoor Jan de Gruyter begon te schrijven; onder andere in 1915 een reeks bijdragen over de wederopstanding van de Nederlandse literatuur, te beginnen met Multatuli, Huet, Vosmaer en Emants en zich voortzettend in de Tachtigers. Hij publiceerde voor- en ook nadien tal van essays in tijdschriften als De Gids, Onze Eeuw en De Nieuwe Gids, met name over Engelse literatuur waarin hij goed thuis was. In het bijzonder verdiepte hij zich in de Fabians (Sidney, Beatrice Webb en George Bernard Shaw), die later het intellectuele element zouden vormen van de Labourbeweging. Ook Jan de Gruyter was - en bleef zijn leven lang - socialist op een met hen verwante, ondogmatische, humanitaire manier, een levenshouding welke, met persoonlijke accenten, ook in zijn jongste zoon terug te vinden is. Maar die was er toen nog niet. In 1897 verliet De Gruyter Lever Brothers weer voor een betrekking bij de Koninklijke Bataafsche Petroleum Maatschappij. Hij moest daarvoor opnieuw naar Indië met het gezin dat hij inmiddels had gesticht. Hij was in Engeland getrouwd, in 1893 was een dochter geboren, Winnie, en in 1896 een zoon, Paul. Tijdens een verblijf in Singapore kwam, op 28 augustus 1899, het derde kind, zijn zoon Josiah Willem ter wereld. De eerste jaren na zijn geboorte bracht hij in Europa door, maar in 1904 ging de familie terug naar de oost, eerst naar Samarinda, op Borneo's oostkust, later naar Balikpapan aan de Straat van Makassar. De indrukken tussen het vijfde en tiende jaar zijn diep en hevig en zij hebben dan ook hun sporen in de herinneringen van Jos de Gruyter, maar vooral in de vorming van zijn gemoedsleven, duidelijk nagelaten.
In 1909 nam de vader opnieuw ontslag, omdat hij van mening was zijn financiële positie voldoende verstevigd te hebben om nu te kunnen doen wat hij altijd had gewenst, namelijk een onafhankelijk bestaan te kunnen leiden als schrijver en essayist. Het gezin vestigde zich in Haarlem, waar zij vier jaar lang woonden, waar Jos twee jaar lagere school en twee jaar hbs zou volgen en zijn eerste contacten opdeed met beeldende kunstenaars, namelijk Jessurun de Mesquita en Chris Lebeau, spoedig gevolgd door de kennismaking met de in Bloemendaal woonachtige Just Havelaar, met wie de vader door zijn werkzaamheid als schrijver in aanraking was gekomen. Jos was gaan tekenen, Havelaar herkende het talent en moedigde de jongen aan, die hem geleidelijk als een tweede vader begon te voelen. Maar
slechts voor korte tijd, want in 1914, tijdens een vakantie overvallen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, vestigde het gezin zich weer in Engeland.
Voor de vader was het een moeilijk moment. Door de oorlog raakte hij zijn geld kwijt en daardoor ook zijn onafhankelijkheid. Hij was genoodzaakt opnieuw een betrekking te zoeken en kwam ditmaal in dienst bij de Anglo-Saxon Petroleum Company. Voor Jos daarentegen werden het jaren van artistieke vorming en ontplooiing. Zijn algemene ontwikkeling, voor de tweede maal in zijn school-opleiding onderbroken, werd verder ter hand genomen door de vader, maar zijn plastische aanleg mocht hij ontwikkelen door zich in te laten schrijven bij de Beckenham School of Arts and Crafts en later ook bij de grafische afdeling van de Royal College of Art in South Kensington, London, onder directie van Sir William Rothenstein. Hij behaalde hier het ets-diploma in 1922, nadat hij een jaar eerder op het nippertje de Prix de Rome miste.
In die jaren, tussen 1914 en 1923, was er heel wat gebeurd: zijn ontdekking van de Ierse en Keltische kunst en cultuur op de Beckenham School door zijn leermeesters en medeleerlingen met wie hij bevriend raakte, zijn ontdekking van D.H. Lawrence, een schrijver die hem een leven lang is blijven boeien en over wie hij een helaas ongeschreven gebleven boek projecteerde, zijn confrontatie met het geloof, neergelegd in (ongepubliceerde) Notes for an Essay on Christianity - zelfs heeft hij zich in 1919 door de doop laten opnemen in de Anglicaanse kerk -, de herontdekking, na Indië, van de dans en het ballet, speciaal door Diaghilev, maar dat was na de beeindiging van de oorlog, en tenslotte en vooral de intieme en diepgaande kennismaking met de schilderkunst door de musea en tentoonstellingen in Londen.
Zijn ouders waren na de oorlog naar Nederland teruggekeerd, waar zijn vader op uitnodiging van Herman Robbers medewerker van Elseviers Uitgevers Mij. was geworden, als redacteur van de Algemene Bibliotheek, waarvoor hij verschillende delen zelf zou schrijven. In 1920 verscheen ook bij Elsevier zijn twee-delige Multatuli-biografie, die hij al in Haarlem had geschreven, maar die ten gevolge van de oorlog en het verblijf in Engeland niet had kunnen verschijnen. Daardoor was het in feite toch de eerste serieuze, op niveau staande en daarbij positieve levensbeschrijving en waardering van Eduard Douwes Dekker. Omdat dit bestaan materieel niet veel armslag gaf, riep de vader zijn zoon na de beëindiging van zijn studie in 1923 terug naar Amersfoort, waar zij woonden.
Het was, bij al zijn talent, een onzekere die naar Nederland terugkeerde. Zijn, voornamelijk grafisch, talent bevredigde hem onvoldoende, de behoefte aan schrijven over beeldende kunst deed zich sterker voelen, en ook, misschien zelfs bovenal, de neiging zich aan de muziek te wijden, want Jos was een begaafd pianist, ondanks het feit dat hij geen enkele opleiding of les had gehad. Die onzekerheid zou nog enige tijd voortduren maar door nieuwe en hernieuwde vriendschappen tenslotte op zijn sterkste gave worden gericht. Daar was in de eerste plaats het opnieuw aanknopen van de relatie met Havelaar, die hem tot schrijven over beeldende kunst aanzette en hem daar ook in feite de gelegenheid toe bood. Het begon omstreeks 1924 met een stuk over Jan Mankes, maar belangrijker was een grotere beschouwing over Thijs Maris en Vincent van Gogh, die in 1926 in De Nieuwe Gids zou worden opgenomen. Verder kwam hij in aanraking met de muziekcriticus (latere intendant van de Nederlandse Opera) Piet Tiggers, die hem piano hoorde spelen, aanbood hem gratis les te geven en hem garandeerde dat hij binnen twee jaar op het concert-podium zou zitten; iets waarvan hij later wel terugkwam, omdat, alle begaafdheid ten spijt, het jarenlang ongeschoold spelen het scheppen van een goede techniek veel meer bemoeilijkte dan hij voorzien had.
Een belangrijk jaar werd 1926. Op een tekenclubje bij de schilder Jacob Nieweg had hij de zes jaar oudere schilderes Margaritha Feuerstein leren kennen die diepe indruk op hem maakte. Tussen hen was een vriendschap ontstaan, die er toe zou leiden dat zij op 17 februari 1926 in Bromley, graafschap Kent, in het huwelijk traden. In 1926 verschenen zijn eerste boekjes over Van Gogh en Käthe Kollwitz. Vanaf dat moment begon hij ook min of meer regelmatig te publiceren in Opgang, De Stem, Elseviers Maandschrift, enz. De keuze was eigenlijk al gemaakt, zij het nog niet definitief. Het jonge paar, met weinig middelen van bestaan, vestigde zich eerst enige tijd in Italië, in San Gimignano, waar het toen goedkoop leven was, en daarna in Villeneuve-les-Avignon, waar zij bevriend raakten met de schilder Willem Hussem. Eind 1927 keerden zij naar Nederland terug. Het volgend jaar maakte Jos zijn laatste tekening en besloot van dan af nog alleen te schrijven, kunstkritieken, kunstbeschouwingen, essays. Misschien speelde daarbij een brief van Havelaar een rol die hem einde 1917 geschreven had: ‘Wacht maar, Willem, jij wordt onze eerste kriticus voor beeldende kunsten. En als je maar oppast dat je geen gekkigheden doet als ik, dan zal je als zoodanig erkend worden óók.’ Die voorspelling is in elk geval uitgekomen. Hij werkte eerst een paar jaar voor het Utrechts Dagblad als op-
volger van Hammacher. In die tijd werd ook een zoon geboren, Bas, op 31 december 1928, drie jaar later gevolgd door een dochter, Marjolein, op 29 december 1931. Maar toen was hij, op voorspraak van Havelaar, die datzelfde jaar stierf, in 1930 al benoemd tot redacteur voor beeldende kunsten bij Het Vaderland in Den Haag, na 1945 ook voor dans en ballet. Hij bleef dat tot 1955, toen hij aangesteld werd als directeur van het Groninger Museum.
Voor zijn biografie is nog van belang dat hij in 1947 kennis maakte met Catharina Meijer, dat zijn eerste huwelijk ontbonden werd en hij in september 1951 met Catharina Meijer hertrouwde, een huwelijk dat in tegenstelling tot het eerste harmonisch en gelukkig zou blijken. Na zijn afscheid van Groningen in 1963, was hij nog tot september 1965 hoofdconservator voor de moderne kunst aan het Gemeentemuseum te 's-Gravenhage.
Aan waardering heeft het hem niet ontbroken. Hij was lange jaren lid van de Rijkscommissie voor Aankopen van Beeldende Kunstenaars, voor de Biennale in Venetië, rijksdeskundige voor de invoer van alle voorwerpen van kunst en geschiedenis, adviseur voor Nederland van het Carnegie Institute voor de drie-jaarlijkse expositie in Pittsburgh, lid van de Adviescommissie inzake Subsidies Kunsttijdschriften, bestuurslid van het Haags Cultureel Centrum, van de Jacob Marisstichting, van de Raad voor de Kunst, lid van tal van jury's, van de Association Internationale des critiques d'Art, van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Verschillende prijzen vielen hem ten deel, een Essayprijs van de Jan Campertstichting (1956), de Rotterdamse Pierre Bayle-prijs voor beeldende kunst kritiek (1961), De Dante-prijs (1952). Voorts ontving hij de zilveren penning van de Gemeente Den Haag, werd hij benoemd tot Officier in de orde van Oranje-Nassau en ontving hij in 1964 een ere-doctoraat aan de Universiteit van Groningen. Ik vermeldde al de tentoonstelling die in november-december 1978 in Den Haag aan hem en zijn werk werd gewijd, waarbij nog dient te worden aangetekend dat hierop ook vrij veel werk, vooral kleurentekeningen, te zien waren uit zijn laatste jaren. Zijn ‘laatste’ tekening uit 1928 is inderdaad verre van zijn laatste geweest, al heeft hij ruim dertig jaar lang, heel de tijd waarin hij als kunstcriticus werkzaam was, zelf het beroep van beeldend kunstenaar inderdaad niet uitgeoefend om al zijn intense aandacht te wijden aan het werk van anderen.
Is, wat zijn levensloop betreft, het belangrijkste hiermee wel gezegd, er dienen nog wel enkele regels te volgen over de mens en de schrijver, die
trouwens voor een goed deel samenvallen, want in de schrijver openbaarde zich in belangrijke mate de mens die in De Gruyter schuilging. Niet de gehele mens ongetwijfeld. Wat hij schreef bleef bij alle gevoeligheid en subtiliteit onder controle van zijn zelfkritiek en hoe enthousiast hij ook kon zijn en dat niet onder stoelen of banken stak, hij verafschuwde zweverige, vage rhetoriek. Dat verklaart ook, waarom hij volstrekt niet gesteld was op een vriend van Just Havelaar met wie hij kennis maakte: Dirk Coster. Hij stelde hem verantwoordelijk voor al wat hij later als het negatieve in Havelaar zag, al deelt hij in zijn autobiografische papieren mee nooit veel van hem te hebben gelezen, ‘ook niet de felle aanvallen van het vriendenpaar Du Perron-Ter Braak op het vriendenpaar Coster-Havelaar.’ Dat neemt overigens weer niet weg dat De Gruyter zelf een uiterst gevoelig, hartelijk man was die, wanneer hij werkelijk ontroerd raakte, tot tranen bewogen kon zijn. Maar zijn kracht, ook als criticus, was zijn zelfbeheersing, en hoe driftig hij, volgens eigen bekentenis, in aanleg dan ook mocht zijn, zijn wijsheid, zijn begrip voor anderen, zijn ongewone, verrassend zuivere intuïtie schiepen een mildheid die de omgang met hem tot een telkens aanwezige weldaad maakte, des te meer waar zij noch zijn subtiele maar trefzekere ironie, noch ook zijn strijdbare felheid, wanneer het om principiële zaken ging, ook maar in het minst belemmerde. Het was juist deze combinatie die het verkeer met hem een zo speciale aantrekkelijkheid verleende. Ik zelf heb hem in de jaren waarin wij door onze gemeenschappelijke werkzaamheid aan de kunstredactie van Het Vaderland elkaar regelmatig, om niet te zeggen dagelijks, ontmoetten, bij mijn weten maar éénmaal heftig verontwaardigd en geëmotioneerd gezien, en dat was gericht tegen het botte onbegrip waarmee nog niet eens zozeer zijn eigen oprechtheid en goede trouw als wel die van de kunstenaars wier werk hij verdedigde in twijfel werden getrokken.
Uit zijn levensloop is wel gebleken dat de opleiding van Josiah Willem de Gruyter, behalve op de Londense kunst-academies, weinig schools is geweest. De leermeesters die hij had, zijn vader, Just Havelaar, waren ongetwijfeld bijzondere persoonlijkheden, maar van een systematische ontwikkeling kon geen sprake zijn. Men mag hem over het geheel genomen dan ook wel als een autodidact beschouwen. Dat dit geen nadeel behoeft te zijn, gegeven een bijzondere aanleg en toewijding, is in zijn geval wel evident. Er zijn maar weinig kunstcritici in heden en verleden die over een zo uitgestrekt veld van kennis beschikken en beschikten, en slechts weinig kunsthistorici die aan deze kennis een zo diepgaand vermogen tot invoe-
ling, tot ervaring en beleving van het gewetene, paarden als hij. Hij heeft zich die kennis en die ervaring eigen gemaakt door zijn bijzondere gave van aandacht ‘van oor en oog’ zoals ik Vasalis nogmaals mag nazeggen, wat wil zeggen luisteren, zien, beschouwen, lezen, mediteren. De Gruyter heeft dat een lang leven lang gedaan op een wijze die zeldzaam mag worden genoemd.
Die vruchtbaarheid heeft zich concreet en onmiddellijk gemanifesteerd in de talrijke adviezen die hij aan de overheid, aan instellingen, aan individuele figuren heeft gegeven op het wijde terrein van de kunst en waarvan zij allen hebben geprofiteerd. Men vindt haar, minder eclatant maar stellig niet minder werkzaam, in de enorme hoeveelheid van zijn kritieken in dagbladen en tijdschriften, schrifturen die als ‘journalistiek’ voor een groot deel - niet alles gelukkig - maar een efemeer bestaan hebben, maar waarvan men de functie die zij hadden niet mag onderschatten. Die functie was tweeledig: naar de behandelde kunstenaar toe, en naar het publiek. Wat de eerste betreft, het aantal kunstenaars is groot dat aan De Gruyter een beter besef en een dieper inzicht in eigen wezen te danken heeft en dat ook menig maal heeft erkend. En wat het tweede aangaat behoort De Gruyter ongetwijfeld tot de critici die het meest hebben bijgedragen om zijn lezerspubliek toegankelijk te maken voor waarde en betekenis van de plastische kunsten als verschijnsel van de humanitas, maar dan wel in al hun uitingsvormen, ook die waartegen gewoonte, traditie, gebrek aan creatieve verbeelding zich plegen te verzetten, omdat de culturele perspectieven verborgen blijven voor wie zich te weinig inspanning getroosten. Weinigen hebben als hij ertoe bijgedragen die inspanning gemakkelijker te maken, zijn lezers bij het verkrijgen van inzicht behulpzaam te zijn. In één van die beschouwingen in Het Vaderland van 24 december 1958, toen hij al niet meer als criticus aan het blad verbonden was, heeft hij als zijn credo over de omgang met kunst geschreven:
‘Mij lijkt de kunst door haar vermogen om hoofd en hand, zinnen en ziel, instinct en geest tegelijkertijd te activeren, te binden en te richten, aldus vormend te werken op de totale persoonlijkheid, één van de grootste integrerende en regenererende machten in welke samenleving ook. En meer dan ooit in onze huidige maatschappij, waarin het individu zo duidelijk wordt bedreigd door de overal waarneembare neiging tot massificatie. Want de verhouding tot de kunst zal altijd een individuele moeten zijn.’
Die verhouding heeft hijzelf altijd gehad en het is juist daardoor dat zijn beschouwingen en kritieken niet alleen persoonlijk waren, maar ook de essentie raakten. Het zou dan ook zeker aanbeveling verdienen wanneer ten
behoeve van de moderne kunstgeschiedenis in ons land een of meer selecties uit deze artikelen behouden en gebundeld werden. Zó rijk aan waardevolle kunstbeschouwingen zijn wij helaas niet.
Dat zou overigens niet meer zijn dan een aanvulling op het vele dat door De Gruyter in boekvorm is gepubliceerd. Het is in het bestek van dit levensbericht uiteraard onmogelijk al zijn geschriften, waarvan hieronder een overzicht volgt, de revue te laten passeren. In al deze publikaties toont hij zich een belangrijk schrijver over kunst, niet alleen door zijn artistieke eruditie, die zijn vak-terrein ver te buiten gaat (ik denk bijvoorbeeld aan zijn voortreffelijke beschouwing over Emily Brontë of zijn studie van taal en schrift der oude Maya's, A new Approach to Maya Hieroglyphs, dat volgens deskundigen als Arthur Waley, Elias Canetti, C.A. Burland, een nieuw licht wierp op een oeroude beschaving en wetenschap), maar vooral door de instelling die hij daarin toont, namelijk begrip te wekken voor wat elementair is in de kunstgebieden waarover hij schreef. Een uitstekend voorbeeld daarvan is zijn werk De Europese Schilderkunst na 1850, eerst verschenen in 1935, nadien zeer uitgebreid herdrukt in 1954, waarin hij poogt de verschillende stromingen objectief en empathisch, van binnenuit, vanuit hun eigen ‘waarheid’ te begrijpen. Maar hoe zuiver zijn inzicht in het wezen van alle kunst was, blijkt uit het slot van zijn verantwoording bij de herdruk, waar hij schrijft: ‘Tenslotte nog dit. In een zijner meesterlijke aforismen heeft Georges Braque gezegd: ’Het gaat in de kunst slechts om één ding, dat wat men niet kan verklaren’. Indien ik op de volgende bladzijden misschien de indruk wek, steeds opnieuw te willen ’verklaren’, dan geschiedt dit toch in het volle bewustzijn van de onherroepelijke juistheid van Braque's uitspraak.’
Heeft het merendeel van De Gruyters publikaties rechtstreeks betrekking op schilderkunst en grafiek, veel belangstelling had hij ook voor de beeldhouwkunst en voor de moderne architectuur. Ook daarover heeft hij, niet altijd gebundeld of als inleidingen bij catalogi, belangrijke stukken geschreven, ik herinner bijvoorbeeld aan zijn studies over S. van Ravesteyn in Elseviers Maandschrift (1932) en het Bouwkundig Weekblad (1959). Een terrein waarop hij bijzonder uitblonk en waarover hij ook veel schreef, was dat van de Japanse prentkunst, waarmee hij een uitzonderlijke affiniteit bezat.
In een weinig bekend geschriftje, gedrukt op de persen van Het Vaderland, een soortvlugschrift dat de kritiek tot onderwerp had, heeft De Gruyter eens het beroep onder de loep genomen dat hij zelf beoefende, namelijk
dat van de criticus. Hij stelde daarin een lijst op van desiderata, waaraan de ideale criticus zou dienen te beantwoorden. Die zijn: inzicht, eruditie, algemene ontwikkeling, cultureel begrip; kennis van de kunstgeschiedenis, niet alleen de Europese; enige vakkennis en begrip van de technische middelen die worden aangewend; psychologisch inzicht; de gave van het woord en iets van het kunstenaarschap; integriteit en oprechtheid naar binnen en naar buiten: ‘de criticus moet er tegen waken bij de confrontatie met een kunstwerk, méér te willen voelen dan hij ziet, méér te willen denken dan hij voelt en méér te willen zeggen dan hij denkt;’ tenslotte een zekere stabiliteit. Is het wonder, vraagt hij zich tenslotte af, dat de ideale criticus nog geboren moet worden?
Neen, dat is geen wonder. Of liever, het is een wonder dat men er van tijd tot tijd een tegenkomt. Het wonder is hun zeldzaamheid. Josiah Willem de Gruyter behoorde tot die zeldzaamheden. Ook al schreef hij de laatste jaren niet veel kunstbeschouwingen meer, zijn verdwijning laat een leegte, alleen de herinnering blijft.
In dit verband past nog een laatste opmerking. Wat De Gruyter nog wel schreef in de laatste jaren, waaraan hij althans vrij regelmatig werkte, dat was aan een autobiografie. Het manuscript is onvoltooid en, ofschoon tamelijk omvangrijk, eindigt het kort na het einde van de tweede wereldoorlog. Dank zij de toestemming van mevrouw Catharina de Gruyter-Meijer kon ik voor dit levensbericht een dankbaar gebruik maken van een aantal biografische bijzonderheden die daarin worden vermeld.
Pierre H. Dubois
Van Gogh. Amsterdam, Arbeiders-jeugd-centrale, 1926.
Rodin. Amsterdam, Arbeiders-jeugd-centrale, 1926.
Kàthe Kollwitz. Amsterdam, Arbeiders-jeugd-centrale, 1926.
Cézanne en Renoir. Amsterdam, H.J. Paris, 1928 (Franse Meesters).
Het werk van Käthe Kollwitz. Amsterdam, De Baanbreker, nv Servire, 1931.
Schilderijen zien. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1934 (Kleine Cultuurbibliotheek).
Zes moderne schilders. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1935 (Kleine Cultuurbibliotheek).
Wezen en ontwikkeling der Europese schilderkunst na 1850, Amsterdam, H.J. Paris, 1935.
Kretensische en Griekse kunst. Amsterdam. De Arbeiderspers, 1936 (kcb).
Vincent van Gogh's Great Period. Amsterdam, De Spieghel, 1937 (met W. Scherjon).
Hildo Krop. Amsterdam, De Spieghel/Het Kompas, 1938.
Uit het werk van Aart van Dobbenburgh. 's-Graveland, De Driehoek, 1941.
Nederlandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1941 (Kleine Cultuurbibliotheek).
Het masker, 's-Graveland, De Driehoek, 1942.
Toverteekens en symbolen. 's-Graveland, De Driehoek, 1942 (met G.L. Tichelman).
Nieuw Guinese oerkunst. Deventer, W. van Hoeve, 1944.
A new approach to Maya hieroglyphs. Amsterdam, H.J. Paris, 1946
Lajos d'Ebneth. 's-Gravenhage, A.A.M. Stols, 1946 (De Vrije Bladen).
Some Japanse hanging scrolls in the collection of Mr. F. Tikotin. 1949 (in eigen beheer).
Graphic Arts. Amsterdam, Contact, 1952 (Dutch Art Today; Ook in het Frans).
Verve. 's-Gravenhage, Daamen, 1952.
De wereld van Van Gogh. 's-Gravenhage, Daamen, 1953.
De Europese schilderkunst na 1850. Herziene en vermeerderde herdruk. 's-Gravenhage, Bert Bakker/Daamen, 1954.
Hildo Krop. Bussum, Moussault, 1954.
Goya. 's-Gravenhage. Het Vaderland, 1954.
Emily Brontë. 's-Gravenhage. Het Vaderland, 1955.
Het vrouwenportret in de Nederlandse en Vlaamse schilderkunst. idem, 1955.
Etruskische kunst. 's-Gravenhage, Het Vaderland, 1955.
Schouwend oog. 's-Gravenhage, Bert Bakker/Daamen, 1956.
Tekeningen van Van Gogh. Openbaar Kunstbezit, 1962.
Dick Ket. Arnhem, Gemeentemuseum, 1962 (tweede herziene druk: 1968).
Beeld en interpretatie. 's-Gravenhage, Bert Bakker/Daamen, 1964.
Over kunstkritiek. Raam, november 1964.
Japanse prentkunst. Openbaar Kunstbezit, 1965.
De Haagse School i. 's-Gravenhage, Lemniscaat, 1968.
De Haagse School ii. Rotterdam, Lemniscaat, 1969.
De Haagse School i. Rotterdam, Lemniscaat, 1968.
Lex Horn. Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon, 1971.
J. Altink. Rotterdam, Jan Altink Stichting, 1978.
Inleidingen voor catalogi
Toneel en dans in de Japanse Kunst. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1950.
Japanse kunst. Eindhoven, Van Abbe museum.
Mozaïeken uit Ravenna. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1951.
Architect J.J.P. Oud. Rotterdam, Museum Boymans, 1951.
Rembrandt-Hokusai-Van Gogh. Amsterdam, Stedelijk Museum, 1952.
Van Noronobu tot Harunobu. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1952.
Fotoschouw 52. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1952.
Colourprints and drawings by Hiroshugo. Arts Council, 1952 (ook in het Frans).
Meesters van de spotprent. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1952.
Ouborg. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1953.
Drawings by Hokusai. Arts Council, 1954.
Vijfendertig jaar Groningen kunst. Groningen, Museum van Stad en Land, 1956.
Toon Kelder. Amsterdam, Stedelijk Museum, 1960.
Jozef Israëls. Amsterdam, Stedelijk Museum, 1961.
Goya. Amsterdam, Stedelijk Museum, 1962.
Keerpunten in de Nederlandse schilderkunst. Amsterdam, Stedelijk Museum,, 1962.
Meesters van de Haagse School. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1965.
Jan van Heel. 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1965.