terug  begin  verder
[p. 154]

Christiaan Hooykaas
Amersfoort 26 december 1902-'s-Gravenhage 13 augustus 1979

Christiaan Hooykaas werd op zesentwintig december 1902 te Amersfoort geboren als derde zoon van predikant Isaäc Hooykaas en Eva Maria Faber. Zijn beide broers waren zeven en vijf jaar ouder. Vijf jaar later werd er nog een kind, een meisje, geboren. Het gezin was niet rijk - de bezoldiging van predikanten was laag - maar bewoonde een kolossaal huis met vele kamers en een grote tuin aan de Eem. Om het gezinsbudget te verhogen waren er altijd jongens ‘in de kost’.

Zijn lagere en een deel van zijn middelbare schooltijd bracht hij in Amersfoort door. Zijn vader besloot hem niet naar het Gymnasium te sturen - de oudste zoon was het daar niet goed bevallen - maar naar de hbs. Wel gaf hij hem bijlessen Latijn, een taal die hij uit hoofde van zijn beroep goed beheerste.

In 1918 werd de vader beroepen in Arnhem. Het gezin verhuisde per boot, via de Eem naar de Rijn. Het was nog steeds niet welgesteld, zodat er geen geld was voor bijzondere lessen of clubs. Christiaan Hooykaas had graag op padvinderij en tennisles gewild. Wel moest er gemusiceerd worden. Hij kreeg vioolles. In zijn vrije tijd las hij veel: Shakespeare, Racine, Molière.

Na zijn eindexamen hbs-b in 1920 wilde hij letteren gaan studeren, waarvoor echter een klassieke opleiding een eerste vereiste was. In 1921, na een jaar werken, legde hij met goed gevolg het staatsexamen Gymnasium-a af. De keuze van zijn studie werd beïnvloed door familie-achtergronden en door het feit dat zijn vader hem geen ruime toelage kon verschaffen. Familieleden, zowel van vaders- als van moederskant, hadden banden met het toenmalige Nederlands Indië. Hij kon een studiebeurs krijgen als hij zich kandidaat stelde voor een functie als taalambtenaar aldaar. Hij liet zich dan ook in 1921 inschrijven voor de studies in de Indische Letteren aan de Universiteit te Leiden. Voor zijn kandidaats volgde hij colleges Arabisch bij C. Snouck Hurgronje, Sanskrit bij J. Ph. Vogel en Physische Geografie van de Indische Archipel bij A.W. Nieuwenhuis. Voor zijn doctoraal koos hij als hoofdvak Javaans, dat gedoceerd werd door G.A.J. Hazeu. Zijn bijvakken waren Archeologie en Oude Geschiedenis van Nederlands Indië bij N.J. Krom en Vergelijkende Taalkunde van de Archipel bij Ph. S. van Ronkel. Hij volgde ook de colleges Maleis bij Van Ronkel. Deze laatste

[p. 155]

had de gewoonte voor zijn colleges jaar in jaar uit dezelfde dictaten te gebruiken. Hooykaas, die de dictaten van een ouderejaars had overgenomen, attendeerde hem hierop. Dit was natuurlijk niet bevorderlijk voor zijn relatie met de hoogleraar. Behalve de verplichte colleges volgde hij ook Algemene Geschiedenis bij J. Huizinga en Godsdienstgeschiedenis bij W.B. Kristensen. Zijn belangstelling was breed, te breed misschien, met als gevolg dat hij volgens sommigen zijn tijd niet efficiënt genoeg besteedde. Vooral het laatsgenoemde vak is hem echter voor zijn latere wetenschappelijke werk van groot nut geweest. De kamerhuur was in de twintiger jaren al hoog in Leiden. Het was goedkoper met een aantal studenten een huis in Noordwijk te huren en op en neer te reizen. In 1923/'24 woonde hij daar samen met een aantal ouderejaars, die illustere geleerden zouden worden: P.V. van Stein Callenfels, G.W.J. Drewes, W.F. Stutterheim en P. Voorhoeve. Hij ontpopte zich als een geestig causeur en een goed organisator. Zo blies hij het Leids Oriëntalisch Dispuut, dat toen op z'n retour was, nieuw leven in.

Na zijn afstuderen in november 1927 kreeg hij, zoals toen gebruikelijk was, twee jaar de tijd voor het schrijven van een dissertatie. Het onderwerp was de dierfabelliteratuur. Hij promoveerde in 1929 op Tantri, de Middel-Javaansche Pañcatantra-bewerking. Hij beperkte zich niet tot de Indonesische versies van de fabels, maar betrok eveneens de oorspronkelijke, Indiase en Achter-Indische in zijn onderzoek. Dit overschrijden van grenzen, waardoor men zaken in een breder verband ziet, zou een kenmerk worden van zijn wetenschappelijke werk.

Kort na de promotie trad hij in het huwelijk met Jacoba van Leeuwen Boomkamp, wier vader eveneens predikant was. Zij had klassieke talen gestudeerd. Eind 1929 vertrokken zij naar het toenmalige Batavia. Van 1929 tot 1932 was hij, in gouvernementsdienst, werkzaam op het Kantoor van Volkslectuur (Balai Pustaka). Hij werd belast met het beoordelen van de Javaanse boekuitgaven. Ook maakte hij deel uit van de redactie van het halfwekelijkse blad Kadjawèn (De Javaanse Wereld). Het werk bestond niet uit taalonderzoek, zoals hij zich, toen hij studeerde, voorgesteld had te zullen gaan doen. Hij vond zijn kennis van het Javaans en van het Javaanse volkskarakter te ontoereikend om te kunnen beoordelen welke boeken voor een Javaans lezerspubliek geschikt waren en uitgegeven moesten worden bij Volkslectuur, zodat hij zijn werk met enige schroom uitvoerde. In zijn vrije tijd probeerde hij evenwel zijn kennis van het Oud en Nieuw Javaans te verdiepen. Dit resulteerde in verschillende boekbespre-

[p. 156]

kingen, artikelen en grotere publikaties, die tussen 1931 en 1933 in Djawa, tijdschrift van het Java Instituut in Jogjakarta, en in het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde verschenen. Hij hield zich nog steeds met de fabelliteratuur bezig. In 1931 verscheen zijn Tantri Kamandaka, een Oud-Javaansche Pañcatantra-bewerking. In 1933 publiceerde hij in Djawa in samenwerking met de Javaanse geleerde Radèn Mas Poerbatjaraka de Nederlandse vertaling van het Oud-Javaanse heldendicht de Bhārata-Yuddha.

Hij zocht naar mogelijkheden om weg te komen bij Volkslectuur. Hij wilde graag naar Midden-Java, het hart van de Javaanse cultuur. In 1932 vertrok hij met zijn gezin, dat inmiddels met twee kinderen, een jongen en een meisje, verrijkt was, naar Jogjakarta. Tot 1939 was hij daar leraar aan de Algemene Middelbare School (ams). Hij moest Maleise (geen Javaanse wat hem meer aantrok) taal en letterkunde onderwijzen. Daar er geen leermiddelen waren moest hij deze zelf samenstellen. Uit die periode dateren Modern Maleis Zakelijk Proza en Over Maleische Literatuur, twee boeken die vele malen herdrukt werden.

De familie bracht in 1936/'37 een verlofperiode in Holland door. Na terugkeer in Jogja werd hij redactiesecretaris van Djawa. In die periode schreef hij in dat tijdschrift vele korte notities en boekbesprekingen. Hij had nauwe contacten met de javanicus Th. Pigeaud en met H. Overbeck, die eveneens vele bijdragen voor Djawa leverden. In 1939 werd hij eindelijk en tot zijn grote vreugde aangesteld als taalambtenaar en wel voor Bali en Lombok. Zijn werkterrein lag hoofdzakelijk in de toenmalige hoofdstad van Bali, Singaraja, waar de palmbladhandschriftenbibliotheek de Kirtya Liefrinck-van der Tuuk (thans Gedong Kirtya) gevestigd was. De stichting van de bibliotheek in 1928 was een schepping van de resident van Bali en Lombok L.J.J. Caron. Met de naam van de bibliotheek werden de nestores der Balikunde, de adatrechtdeskundige F.A. Liefrinck en de taalgeleerde H. Neubronner van der Tuuk, geëerd. Het gezin Hooykaas vestigde zich in de pasanggrahan (logeerhuis) van het even ten zuiden van Singaraja gelegen bergdorp Gitgit. Het huis, eigenlijk een hotel, was groot genoeg om een gezin met vijf kinderen te herbergen. Het klimaat was er koel en prettig, ideaal voor de kinderen. Elke dag reed hij met een auto naar de stad. 's Avonds leerden hij en zijn vrouw Balisch.

De doelstelling van de Kirtya was het aankopen en conserveren van reeds bestaande palmbladhandschriften met teksten in het Oud Javaans, Balisch en Sasaks, of het kopiëren van reeds bestaande handschriften. Dit

[p. 157]

gebeurde oorspronkelijk uitsluitend in Balisch schrift op palmblad. Het was Hooykaas' idee getikte kopieën in Romeins schrift van de teksten te laten maken. Hij zorgde voor schrijfmachines en een staf van tikkers, die hij vaak uit eigen zak betaalde. Zijn organisatorische talenten kwamen hem nu goed van pas. Kopieën van de teksten gingen, behalve naar de Kirtya, naar het Bali-Museum in Dénpasar, het Java Instituut in Jogja en het Bataviaasch Genootschap (thans Museum Pusat) in Jakarta. Zelf behield hij ook een kopie der afschriften. Hij werkte intensief samen met de secretaris van de Kirtya, I Wayan Bhadra. Deze wijdde hem in de Balische cultuur en literatuur in. Samen gaven zij een tekst en vertaling van het Balische gedicht Dampati Lalangon uit, dat in 1942 in druk verscheen.

Hij en zijn vrouw gingen zich interesseren voor volksverhalen. Deze lieten zij bewerken. De sprookjes werden opgeschreven door de aanbrengers, vervolgens bijgewerkt en overgetikt door het Kirtya personeel. Hij begon met het verzamelen van teksten en materialen over ritueel. Het uitbreken van de oorlog in december 1941 maakte een einde aan de activiteiten op Bali. De Hollandse vrouwen, die in de buitengewesten verbleven, moesten op last van de overheid geëvacueerd worden. Hij besloot zijn vrouw en kinderen, het waren er nu zes, niet aan een georganiseerd transport te laten deelnemen. Zij vertrokken op eigen houtje naar Jogjakarta, waar zij enige tijd bij Th. Pigeaud verbleven. Hij werd opgeroepen voor militaire dienst in Surabaya. Hij kreeg een geweer, maar leerde er niet mee schieten. In mei 1942 gingen zijn vrouw en kinderen naar het interneringskamp Banyubiru bij Ambarawa, in Midden-Java. De jongere zuster van mevrouw Hooykaas, C.M.C. van Leeuwen Boomkamp, die in Surabaya woonde, reisde naar Ambarawa om zich vrijwillig bij het kamp aan te melden. Zij wilde haar zuster en de kinderen bijstaan in deze moeilijke tijd. Met veel moeite lukte het haar in het kamp geplaatst te worden. Hij werd als landstormer tijdens een expeditie gevangen genomen en op transport gesteld naar een kamp bij de Drie Pagoden Pas op de grens van Burma en Thailand. Daar ontmoette hij zijn vroegere huisgenoot P. Voorhoeve weer. Buiten de uren van zware arbeid aan de Burma-spoorweg hield hij zich op de been met schrijven en lesgeven. Hij schreef een Balische grammatica en gaf Balische lessen aan P. Voorhoeve. Aan andere kampgenoten gaf hij Maleise lessen. Later ging hij naar een ander kamp in Rangoon. Na de oorlog kwam hij in Singapore. Zijn vrouw, schoonzuster en kinderen, die allen de oorlog overleefd hadden, waren vertrokken naar Jakarta. Hij mocht niet terug naar Indonesië. Hij kon het niet verdragen dat de hereniging met zijn gezin, dat toch zo

[p. 158]

dicht bij was, onmogelijk bleek en dreigde in te storten. Zijn vrouw reisde met spoed naar Singapore. Zijn schoonzuster vertrok met de kinderen naar Amsterdam. Hij moest weer een baan zoeken. In Nederland waren alle posten reeds bezet. Het was duidelijk dat hij naar Indonesië terug moest gaan. In 1946 werd hij benoemd tot waarnemend hoogleraar in de Maleise Taal en Indonesische Literatuur aan de Noord-Universiteit te Jakarta. Tevens werd hij belast met de leiding van het Instituut voor Taal en Cultuur onderzoek. Eind 1946 ging hij weer naar Bali om reorganisaties te treffen in de Kirtya. Zijn vrouw ging terug naar Amsterdam om voor de kinderen te zorgen. Zij legde zich meer en meer toe op de studie van Balische volksverhalen en balladen. In 1948/'49 deed zij onderzoek op Bali. In 1949 promoveerde zij bij haar man op een Balisch gedicht en volksverhaal I Bagus Diarsa.

Begin 1950 moest hij in verband met de souvereiniteitsoverdracht de werkzaamheden in Indonesië opgeven. Hij keerde terug naar Nederland. Het was onmogelijk daar aan de slag te komen. In 1951 werd hij ‘lecturer’ in Oud Javaans bij de School of Oriental and African Studies (soas) in Londen. Hij vestigde zich met zijn vrouw en vier van de kinderen - de twee oudsten gingen in Nederland studeren - in Roydon, vlak bij Londen. In 1953 werd hij benoemd tot ‘reader’, wat hij tot zijn emeritaat in 1970 zou blijven. Uit de Londense periode tot 1965 stammen zijn vele publikaties en artikelen over het Oud Javaanse Rāmāyana en over de metriek in Oud Javaanse dichtwerken. De Indiase achtergronden betrok hij vooral in zijn onderzoeken. In de Verhandelingen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land en Volkenkunde van 1955 verscheen zijn belangrijke studie over de invloed van het Sanskrit Bhaṭṭikāvya op het Oud Javaanse Rāmāyana.

Daar zijn onderwijstaak beperkt was, vond hij weer tijd zich aan zijn Balistudies te wijden. In 1958/'59 ging hij nogmaals naar Bali samen met zijn vrouw. Hij ging voort met het verzamelen van teksten en mondelinge gegevens over priesters en hun rituelen. Zij maakte een studie van de offers die daarbij gebruikt worden. Hij stelde vast dat er zes soorten priesters op Bali waren. Vooral de dalang en de pamangku, twee soorten priesters die bepaalde vormen van exorcisme bedrijven, trokken zijn aandacht. Aan hen wijdde hij enkele kleine artikelen in verschillende Europese en Indiase tijdschriften en feestbundels. Zijn aandacht ging ook uit naar de rituelen van priesters die tot bijzondere groepen of secten behoorden, zoals de sengguhu's en de buddhistische brahmanen. Daarnaast bleef hij zijn liefde voor volksverhalen en -dichten trouw. Zo publiceerde hij in 1957 een Engelse

[p. 159]

vertaling van de Balische ballade van Jayaprana en in 1968 verscheen die van Bagus Umbara.

In 1965 stierf zijn vrouw aan de gevolgen van een ziekte die zij opgelopen had gedurende de kamptijd. Een periode van grote eenzaamheid brak voor hem aan. Hij begon meer te schrijven. Als correspondent-lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voor de afdeling Letterkunde had hij de mogelijkheid grote publicaties in de serie Verhandelingen onder te brengen. Het werden er vijf. Als eerste was al in 1964 gama Tīrtha, Five Studies in Hindu-Balinese Religion verschenen. Een gemis aan voldoende kennis van het sanskrit gaf hij in de inleiding van dit boek aan. Hij zocht contact met Nederlandse Sanskritisten, met name J. Ensink uit Groningen en T. Goudriaan uit Utrecht. Hij begon samen te werken met I Gusti Ngurah Ketut Sangka uit Krambitan (Bali), in wie hij een unieke informant vond, die hem altijd trouw ter zijde stond. Hij ging voort met het verzamelen van materiaal over de ‘zes soorten priesters en hun rituelen’, nu geholpen door Sangka. Hij stond op het standpunt dat beeldmateriaal eveneens belangrijk is voor literaire en godsdienstige studies. Daarom legde hij een collectie foto's en tekeningen aan.

In 1966 verscheen zijn tweede publicatie bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Surya-sevana, the Way to God of a Balinese Siva Priest. In januari 1970 bood hij in de vergadering Stuti and Stava aan, dat in 1971 uitkwam. Dit kan men misschien wel zijn belangrijkste werk noemen. Het is een compendium van alle Sanskrit teksten die bij rituelen door brahmaanse en andere priesters op Bali gebruikt worden. Van T. Goudriaan zijn de vertalingen der teksten in het Sanskrit. Deze laatste beschreef eveneens de relatie der teksten met de Indische traditie. Het werk is voorzien van uitstekende indexen, die het traceren en identificeren van de spreuken der priesters aanzienlijk vergemakkelijken. Op de vergadering van april 1970 bood hij Balinese Bauddha Brahmans aan en op die van december Kama and Kala, materials for the study of shadow theatre in Bali. Beide werken zouden pas in 1973 in druk verschijnen. Hij ging een voorkeur aan de dag leggen voor alliteratie in de titels van zijn boeken. Met groot plezier bedacht hij deze. In het spraakgebruik werden zij gemakshalve afgekort. Surya Sevana tot Suse, Stuti and Stava tot StuSta, verder bbb, kk.

Na zijn emeritaat in 1970 besloot hij te hertrouwen met de jongere zuster van zijn vrouw, die inmiddels weduwe was. Zij kenden elkaar reeds meer dan vijfendertig jaar, dus voor verrassingen zouden zij niet komen te staan. Zij had bovendien de kinderen jaren lang helpen verzorgen, in het kamp en

[p. 160]

later in Amsterdam. Zij vestigden zich in 's-Gravenhage. Een opgewekte en vruchtbare tijd brak aan. Hun beider eenzaamheid was voorbij. In 1972 ging hij samen met zijn vrouw naar Bali. Zij begon Balisch te leren. Hij zette het kopiëren van handschriften, zoals hij dat indertijd voor de Kirtya begonnen was, voort. Uit eigen middelen schafte hij schrijfmachines aan en nam tikkers in dienst. Hij stelde lijsten samen van teksten die hij belangrijk vond. De tikkers moesten proberen deze teksten op te sporen in privé-collecties, ze te lenen en over te tikken. Dit gebeurde in nauwe samenwerking met informant Sangka en met het huidige hoofd van de Kirtya, I Ketut Suwija, die ook gratis kopieën van de teksten kreeg. Terug in Holland probeerde hij bibliotheken te interesseren voor zijn projekt. De Leidse Universiteitsbibliotheek, de Universiteit van Sydney, het British Museum in Londen en de Staatsbibliothek Preussischer Kulturbesitz in Berlijn werden de vaste afnemers van de afschriften van het ‘Proyek Tik’. In augustus 1979, op het moment van zijn dood, waren er al een kleine 3.000 teksten overgetikt.

Omdat hij was teruggekeerd naar Holland, was hij geen correspondent meer van de Akademie in Amsterdam. Daarmee verviel de mogelijkheid tot uitgave en financiering van zijn grote publicaties. Hij moest uitzien naar andere uitgevers. Deze vond hij in het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (Cosmogony and Creation in Balinese Tradition, 1974; A Balinese Temple Festival, 1975; The Balinese Poem Basur, an Introduction to Magic, 1978), in de uitgeverij Brill (Religion in Bali, 1973; Drawings of Balinese Sorcery, 1980: postuum) en in Meulenhoff (Tjalon Arang, Volksverhalen en legenden uit Bali, 1979; Tovenarij op Bali, Magische tekeningen, 1980: postuum).

In tijdschriften en feestbundels verschenen weer talrijke artikelen. Hij legde steeds meer de nadruk op het belang van beeld- en geluidsmateriaal. Hij begon met het laten vastleggen van Balische rituelen met behulp van taperecorders. Informanten in Noord-en Zuid-Bali versloegen belangrijke rituelen en maakten, indien mogelijk, vaak onder de moeilijkste omstandigheden integrale opnamen van de spreuken der priesters. Deze bandopnamen werden veelal uitgewerkt, met verwijzingen naar de spreuken in Stuti and Stava, door informant Sangka. Zo bouwde hij in de zeventiger jaren een unieke collectie materiaal op.

Gedurende zijn laatste negen jaren in Holland onderhield hij bijzonder veel contact met hen die zich voor Bali interesseerden. Dit waren vooral jonge wetenschappers uit Holland, Zwitserland, Engeland, Amerika en

[p. 161]

Australië. Hij was onbaatzuchtig in het stimuleren en helpen, waarbij hij zijn eigen prioriteiten op het tweede plan zette om anderen voor te laten gaan. Hij was altijd bereid kostbaar, onvervangbaar materiaal uit te lenen als het ging om studie en publicatie. Een telefoontje, op welk uur van de dag, een bezoek, leverde een overstelpende hoeveelheid gegevens op die dank zij een perfect kaartsysteem in luttele seconden tevoorschijn getoverd werden. Je kon altijd op hem rekenen.

Met jongensachtig plezier verzamelde hij behalve vakboeken en materialen kleine zaken zoals doosjes en blikjes voor het opbergen van kaartsystemen, ijslepeltjes om boekenplanken te verhogen, zodat ze waterpas werden, prentjes die hij aardig vond en ophing aan zijn boekenkasten, enveloppen - hij schreef vele brieven die hij verzond in gebruikte enveloppen, iets wat hij met vele vakgenoten van zijn leeftijd gemeen had - mandjes voor de ‘verstrekkingen’ die zijn vrouw hem gaf, bestaande uit kaakjes en snoepjes om te nuttigen bij het werken. Om zich te ontspannen wandelde en fietste hij.

Die ene fietstocht, gekoppeld aan een afspraak met zijn vrouw om in de duinen te gaan wandelen werd hem fataal. Bij het oversteken van een drukke verkeersweg werd hij gegrepen door een aanstormende truck. Hij was op slag dood.

De teksten en het overige materiaal, zo zorgvuldig verzameld, zijn gelukkig niet verstrooid na zijn dood. Zij zijn vermaakt aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en aan de Universiteitsbibliotheek te Leiden. Mogen zij tot in lengte der dagen nieuwe generaties onderzoekers van nut zijn.

 

H.I.R. Hinzler

 

augustus 1981

Voornaamste geschriften

Een volledig overzicht van de publicaties, samengesteld door H.I.R. Hinzler, vindt men in het In Memoriam C. Hooykaas door J.L. Swellengrebel in Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde (bki) 136, 2e/3e aflevering, 1980, op pagina's 191 tot 214. De geschriften waarnaar in dit levensbericht verwezen werd, treffe men hieronder aan.

Tantri, de Middel-Javaansche Pañcatantra-bewerking, Leiden, Vros, 1929 (Thesis).

Tantri Kamandaka, een Oud-Javaansche Pañcatantra-bewerking, Bandoeng, Nix, 1931 (Bibliotheca Javanica 2).

Modern Zakelijk Maleis Proza. Groningen-Batavia, Wolters, 1933 (Herdrukken in 1946 en 1947). Later verschenen onder de titel Zakelijk Proza in Bahasa Indonesia, Groningen-Batavia, Wolters, 1949 en 1951. Vervolgens als Karangan Tersebar, (Dahulu Zakelijk Proza in Bahasa Indonesia). Djakarta-Groningen. Wolters, 1952.

[p. 162]

Bhārata-Yuddha in Djawa 14:1, 1933, p.1-87 (in samenwerking met Radén Mas Poerbatjaraka).

Over Maleische Literatuur. Leiden, Brill, 1937. Herdrukt in 1947.

Dampati Lalangon, Balisch gedicht van West-Lombok, tekst en vertaling in Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde 82:1, 1942, p.1-61 (in samenwerking met I Wayan Bhadra).

The Old-Javanese Rāmāyana Kakawin, with special reference to the problem of interpolation in Kakawins in Verhandelingen Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde 16. 's-Gravenhage, Nijhoff, 1955.

The Old Javanese Rāmāyana Kakawin, an Exemplary Kakawin as to form and Content in Verhandelingen Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks 65:1. Amsterdam, Noord Hollandse Uitgeversmaatschappij, 1957.

The Lay of Jaya Prana, the Balinese Uriah. London, Luzac, 1957.

gama Tīrtha, Five Studies in Hindu-Balinese Religion, in Verhandelingen Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks 70:4. Amsterdam: Noord Hollandse Uitgeversmaatschappij, 1964.

Surya-Sevana, the Way to God of a Balinese Siva Priest -in Verhandelingen Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks 72:3. Amsterdam, Noord Hollandse Uitgeversmaatschappij, 1966.

Bagus Umbara, Prince of Koripan. London, The British Museum, 1968.

Stuti and Stava (Bauddha, Saiva and Vaisnava) of Balinese Braham priests, in Verhandelingen Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks 76. Amsterdam, Noord Hollandse Uitgeversmaatschappij, 1971.

Kama and Kala. Materials for the study of shadow theatre in Bali in Verhandelingen Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks 79. Amsterdam, Noord Hollandse Uitgeversmaatschappij, 1973.

Balinese Bauddha Brahmans in Verhandelingen Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, Afdeling Letterkunde, Nieuwe Reeks 80. Amsterdam, Noord Hollandse Uitgeversmaatschappij, 1973.

Religion in Bali, in Iconography of Religions 13:10. Leiden, Brill, 1973.

Cosmogony and Creation in Balinese Tradition in Bibliotheca Indonesica Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde 9. 's-Gravenhage, Nijhoff, 1974.

A Balinese Temple Festival in Bibliotheca Indonesica Koninklijk Instituut voor Taal-, Land -en Volkenkunde 15. 's-Gravenhage, Nijhoff, 1977.

The Balinese Poem Basur, an introduction to Magic in Bibliotheca Indonesica Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde 17. 's-Gravenhage, Nijhoff, 1978.

Tjalon Arang, Volksverhalen en legenden van Bali. Amsterdam, Meulenhoff, 1979 (De Oosterse Bibliotheek 13).

Tovenarij op Bali, Magische Tekeningen. Amsterdam, Meulenhoff, 1980.

Drawings of Balinese Sorcery. Leiden, Brill, 1980 (Iconography of Religions, Suppl. 1).

terug  begin  verder