Marie Elisabeth Kluit, evenals haar moeder Lili genoemd, werd op 14 februari 1903 geboren als jongste van de vijf dochters in het gezin van Marie Ephraim Bartholomeus Johannes Kluit (1858-1906), afstammeling van Adriaan Kluit, de Leidse historicus uit de tweede helft van de achttiende eeuw, en Anna Elisabeth de Clercq (1867-1930), kleindochter van de Amsterdamse Réveilman Willem de Clercq. Haar vader, zeeofficier en later onderdirecteur van het knmi in De Bilt, afdeling Zeevaart, heeft Lili nauwelijks gekend: hij stierf, toen zij net drie jaar was. Zo werd zij samen met haar zusters alleen door haar moeder opgevoed. Die opvoeding, zo heeft zij meer dan eens verteld, geschiedde in de sfeer van het Réveil - wat overigens niet hetzelfde is als de geest van het Réveil. Anna Elisabeth Kluit-de Clercq had in haar huis de grote archiefkast staan met de nagelaten papieren van Willem de Clercq. In 1887 was zij het geweest die uit die papieren de aanvullende tekst had samengesteld voor de publieke uitgave van Allard Pierson's Willem de Clercq naar zijn Dagboek, een boek dat, geringer van omvang en eenzijdiger van keuze, tot dan toe niet in de handel gebracht was. ‘In de schaduw van de grote kast’ is Lili opgegroeid. Strikken maken heeft zij geleerd aan de groene linten van brievenportefeuilles uit die kast, aldus een van de vele aardige anekdotes uit haar mond. De kinderen en kleinkinderen van Willem de Clercq hadden geen van allen het orthodoxe geloof van hun vader en grootvader vastgehouden. Lili's moeder - evenals haar vader - behoorde tot de Remonstrantse gemeente, maar ‘modern’ in kerkelijk-theologische zin was zij niet, aldus haar dochter. Zij was een zeer religieuze vrouw, die haar warme vroomheid ook toonde. Het gezin leefde niet geïsoleerd, er waren veel contacten, de meisjes speelden graag toneel, Lili in het bijzonder. Daarbij werden ze bewust sociaal opgevoed.
Aan haar middelbare-schoolopleiding op de meisjes-hbs in Utrecht, die zij niet afgemaakt heeft, bewaarde Lili slechte herinneringen: ze vond de meisjes-hbs een afschuwelijk instituut. Na haar schooltijd bleef ze thuis wonen en bereidde zich voor op de akten mo-Geschiedenis en mo-Staatsinrichting, waarvoor ze achtereenvolgens in 1925 en 1928 slaagde. Een korte loopbaan als lerares - een jaar aan ‘'t Kopje’ in Bloemendaal en een vervanging in Kampen - volgde, maar doceren voor een klas lag haar niet. Daarna gaf ze enkele jaren particuliere lessen en leidde zij op haar beurt op voor
de mo-akte Geschiedenis. In deze periode is zij ook enige tijd secretaresse geweest van F.C. Gerretson, een betrekking waaraan zij goede herinneringen bewaarde.
Op advies van Gerretson had mevrouw Kluit-De Clercq de familiepapieren van haar grootvader niet vermaakt aan de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde - zoals haar oorspronkelijke plan was geweest omdat zij ze toegankelijk wilde maken voor belangstellenden - maar ze bestemd voor wat naar haar dood in 1930 officieel werd opgericht als het Réveil-Archief. Geheel in de lijn van haar opvoeding, opleiding en eigen voorkeur zou Lili; daartoe plechtig uitgenodigd door een met zorg samengesteld bestuur, als secretaresse optreden. Door een langdurige ziekte kon zij deze functie voorlopig echter niet vervullen. In 1934 verhuisde zij, na het behalen van het archief-diploma tweede klasse, naar Amsterdam, waar zij nu ook conservator werd van het Réveil-Archief dat inmiddels in de Universiteitsbibliotheek was ondergebracht. Conservator daarvan en secretaresse van het bestuur is zij tot 1966 gebleven, en wie in die jaren Réveil-Archief zei, zei óók ‘juffrouw Kluit’: het was één begrip.
In 1936 kwam haar eerste grote boek uit: Het Réveil in Nederland, een baanbrekend werk, waarin voor het eerst de geschiedenis van het Réveil werd beschreven, van de beweging en haar leden. Terecht werd dit boek ook in wetenschappelijke kringen geprezen; in kritieken van bevoegde zijde drong men toen reeds aan op uitbreiding van het terrein van onderzoek naar de relatie tussen het Nederlands Réveil en opwekkingsbewegingen in andere Europese landen - een wens waaraan de schrijfster later tegemoetgekomen is. In Het Réveil in Nederland staat de historica M. Elisabeth Kluit al ten voeten uit: breed opgezette bronnenstudie, aandacht voor de mannen en niet minder voor de vrouwen uit dit stuk geschiedenis als mènsen, persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp, geloofsgetuigenis. Juist door deze trekken kreeg haar boek ook bekendheid buiten de kring van de professionele historici. Dat blijkt ook uit de vele (het zijn er ongeveer vijfenveertig, overwegend in de bladen van godsdienstige signatuur: van de De Wekker, Orgaan der Chr.-Gereformeerde Kerken in Nederland, tot Vrije Geluiden, de radiobode der vpro) besprekingen van het boek, die alle van grote waardering getuigen.
Mede onder invloed van haar studie van het Réveil was Lili verwijderd geraakt van de Remonstrantse kerk van haar jeugd en overgegaan tot de Nederlandse Hervormde kerk. Het remonstrantisme was haar te vaag geworden en na een vakantie in Zwitserland, waar zij een positievere gods-
dienstigheid leerde kennen, zette zij de definitieve stap.
In 1939 begon haar loopbaan bij de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, voorafgegaan door geheel onbezoldigde baantjes in die contreien: conservator van de historische commissie van de Gemeente Universiteit en beheerder van de Zuidafrikaanse bibliotheek van de ub. Op 30 november 1939 werd zij volontair bij de ub. Zij ontving nu een vergoeding van f 15,- per maand voor ‘schrijf- en werkkosten’, een bedrag dat later bij raadsbesluit verhoogd werd met f 25,-. In 1942 werd zij belast met de zorg voor de handschriftenafdeling-in-oprichting; daarvan is zij later conservator geworden. In 1965 is in de ub op grootscheepse wijze haar vijfentwintigjarig ambtsjubileum gevierd en niet minder hartelijk was de toon bij haar afscheid van de ub wegens vervroegde pensionering - om gezondheidsredenen - in 1976. Karakteristiek voor Lili was - het kwam bij het jubileum nog eens naar voren - de daadwerkelijke aandacht die zij had voor de personeelsleden van de ub, van laag tot hoog; wie echt met iets zat, wist altijd wel de weg te vinden naar Juffrouw Kluit in de handschriftenkamer.
Via een colloquium doctum had Lili toegang gekregen tot de universiteit; in 1939 deed zij kandidaatsexamen in de Geschiedenis aan de Gemeente Universiteit. Toen de oorlog voorbij was en daarmee ook haar verzetswerk - zij werkte mee aan Vrij Nederland - deed zij al gauw doctoraal: eind 1945, nu in Utrecht. Op vijftigjarige leeftijd voltooide zij haar universitaire studie met een dissertatie bij P. Geyl over Cornelis Felix van Maanen, tot het herstel der onafhankelijkheid. Opnieuw bronnenstudie maar nu een negentiende-eeuwer betreffend die geheel buiten het Réveil stond. Van Maanen had oorspronkelijk haar aandacht getrokken als de vervolger der Afgescheidenen - als zodanig had zij met hem willen ‘afrekenen’ in het wel geplande maar niet ten uitvoer gelegde tweede deel van haar proefschrift - maar door haar studie van de bronnen is hij haar ook anderszins gaan interesseren. Intussen publiceerde zij regelmatig uit en over het Réveil. In 1938 een bloemlezing uit de correspondentie van De Clercq en Da Costa, in 1942 grote fragmenten uit die tussen Van der Kemp en Koenen; eveneens in 1942 het reisverslag van Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp uit 1823. Na de dissertatie volgden de studie over Ottho Gerhard Heldring en het Réveil (1958) en de uitgave van De Clercq's reisdagboek, in 1816 bijgehouden tijdens zijn handelsreis naar St.-Petersburg (1962). Daarnaast leverde zij ettelijke bijdragen aan werken op het gebied van de geschiedenis der negentiende eeuw, schreef ze artikelen en boekbesprekingen en ver-
zorgde zij de jaarverslagen van het Réveil-Archief, waarvoor ze ook steeds een kleine bronnenpublicatie gereedmaakte.
Er was geen land waar Lili zo graag haar vakantie doorbracht als Zwitserland. Bij voorkeur verbleef ze daar bij de methodisten in Reuti-Hasliberg. Daar was het haar duidelijk geworden dat zij Het Réveil in Nederland niet moest aanvullen en bijvijlen, maar herschrijven om het onderwerp nu een Europees perspectief te geven. Haar vakantiereizen werden studiereizen voor archiefonderzoek; van tijd tot tijd kwamen er door zwo bekostigde studiereizen buiten de vakantietijd bij. Rusteloos werkte Lili voort aan haar nieuwe boek, in de jaren dat haar gezondheid al achteruitging, met het gevoel dat zij haast moest maken. Het was klaar in 1970, het eerste exemplaar kon tijdens de feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het Réveil-Archief aan de voorzitter worden overhandigd. Lili was die dag stralend: het jubileum van háár archief, een overweldigende belangstelling voor deze Réveil-bijeenkomst, het nieuwe boek gepubliceerd en een koninklijke onderscheiding, haar namens de Minister met een zeer charmante toespraak overhandigd door H.J. Michael. Ik heb de indruk dat de schrijfster zelf de hoofdstukken over réveilbewegingen buiten Nederland als de belangrijkste van haar nieuwe boek heeft beschouwd, maar dat zij daarin nogal alleen stond. Het boek is maar spaarzaam besproken - de tijden waren voorbij dat er op grote schaal recensie-exemplaren naar de ‘christelijke pers’ gingen - maar de mening van vakgenoten was toch wel dat de hoofdstukken over het Nederlands Réveil bij de herschrijving veel gewonnen had, maar dat een methodische aanpak van de buitenlandse opwekkingbewegingen achterwege was gebleven. Daardoor had het beeld van het Europees Réveil iets willekeurigs, was het niet overtuigend geworden. Bovendien was de schrijfster er niet in geslaagd precies aan te geven hoe de verbindingslijnen naar het Nederlands Réveil liepen. Ongetwijfeld heeft Lili met dit boek te veel gewild. Ze zag scherp genoeg wat er allemaal nog onderzocht diende te worden, maar besefte wellicht niet voldoende dat dit te veel was voor één mens en te meer voor iemand wier gezondheid al ondermijnd was. Maar als ‘Juffrouw Kluit van het Nederlands Réveil’ vindt men haar in dit grote werk opnieuw ten voeten uit en op haar best.
Als conservator van het Réveil-Archief kwam Lili in contact met allen wier belangstelling uitging naar de geschiedenis van de negentiende eeuw en die daarvoor het archief nodig hadden. Wie, al zoekend, ook de weg vond naar haar gemoed, kon blijvend rekenen op haar behulpzaamheid en
stimulerende opmerkingen. Lili bezat daarbij de gave om de afstand tussen haar en jongeren te overbruggen door haar belangstelling voor en verwachtingen van de jongere generaties. De jaarverslagen van de Stichting ‘Het Réveil-Archief’ leggen er getuigenis van af, hoezeer Lili niet alleen zelf ongelofelijk veel werk voor het archief verzet heeft, maar ook de studie van anderen op het gebied van het Réveil van harte bevorderd heeft.
In de periode van 1970 tot 1977 heeft Lili het vaak moeilijk gehad. De vele verhuizingen in die jaren waren een teken van een zekere rusteloosheid en angst en haar gezondheid liet steeds meer te wensen over. Ze miste ook de veelvuldige contacten van vroeger, kon minder uitdragen. Ze leefde echter op - het is veelzeggend - toen zij in de laatste tijd van haar verblijf in Den Haag voor een oekumenische kring een serie voordrachten kon houden over mensen en zaken uit het Réveil. Enkele ervan zijn opgenomen in een postuum verschenen boekje Nader over het Réveil, een verzameling lezingen uit verschillende perioden, die zij kort voor haar dood nog voor publicatie klaargemaakt had.
Het bovenstaande zal duidelijk hebben gemaakt dat de grote betekenis van M. Elisabeth Kluit gelegen was in haar werk voor het Réveil: het ontsluiten van de aanwezige archivalia, het verwerven van nieuwe, de bestudering ervan, publicaties erover en het stimuleren van anderen. Haar arbeid voor het Réveil-Archief met al zijn facetten vormt een indrukwekkend monument, een bouwwerk, breed en stevig, dat kan blijven staan ook als er nieuwe stukken bijkomen. Zijzelf zou dat graag beleefd hebben.
Voor wie haar gekend hebben heeft Lili nog een andere dimensie gehad: een vrouw met een fel en warm gemoedsleven, een diep geloof, een directheid in de omgang, die het hart van de medemens zocht. In dit opzicht herinnerde zij aan die figuur uit het Réveil die zij misschien het meest heeft liefgehad: haar overgrootvader Willem de Clercq.
Amsterdam, augustus 1981
Margaretha H. Schenkeveld
Het Reveil in Nederland 1817-1854. Amsterdam, 1936.
Briefwisseling tusschen Willem de Clercq en Isaäc da Costa. Baarn, 1938.
Uit de briefwisseling van C.M. van der Kemp (1799-1861) en H.J. Koenen (1800-1874) in Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genoorschap 63, 1942.
Nederland in den goeden ouden tijd. Dagboek van Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp in den jare 1823. Utrecht, 1942.
Cornelis Felix van Maanen, tot het herstel der onafhankelijkheid. 9 September 1769-6 December 1813. Groningen, 1953 (diss. Utrecht).
Catalogus van het Réveil-Archief 1930-1955.
Maatschappij, school en kerk. Ottho Gerhard Heldring en het Réveil. Hoenderloo, 1958.
Per karos naar St.-Petersburg: reisdagboek van de Amsterdamse graanhandelaar Willem de Clercq. Ingeleid en toegelicht door zijn achterkleindochter, Dr. M. Elisabeth Kluit. Lochem, [1962].
Het protestantse Réveil in Nederland en daarbuiten, 1815-1865. Amsterdam, 1970.
Nader over het Réveil. Vijf schetsen. Kampen, [1977].
Protestants en Rooms-Katholiek Réveil in J. Haantjes en W.A.P. Smit, Panorama der Nederlandse Letteren, Amsterdam, 1948, p.295-321.
De stichters en hun tijd in M.E. Kluit e.a., Een eeuw Hoenderloo, 1851-1951, Hoenderloo, 1951, 6-31.
De koning mort, het land ontwaakt: het Noorden van 1830-1839 in Algemene Geschiedenis der Nederlanden 9, Zeist-Antwerpen, 1956, p.333-360.
M. Isaäc da Costa, de mens in zijn tijd in Isaäc da Costa op 28 april 1960, honderd jaar na zijn overlijden, herdacht, Nijkerk, 1961, p.9-38.
Artikelen: D. Nauta, A. de Groot, O.J. de Jong, S. van der Linde, G.H.M. Posthumus Meyjes: Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het nederlandse protestantisme 1. Kampen, 1978.