Meneer de voorzitter, waarde medeleden, dames en heren,
De eerste gedachte, die zich aan ons allen wel moet opdringen, is ‘hoe jammer, dat ons nieuw-benoemde erelid niet persoonlijk tegenwoordig kan zijn.’ Velen zullen wel weten, dat hij al zeven jaar lang lichamelijk geïnactiveerd is. Wie hem van meer nabij kennen, weten echter ook, dat hij met bewondering afdwingende wilskracht van zijn toestand maakt, wat er van te maken is. Dat blijkt in zijn geval veel. Zijn geestkracht is ongebroken, zijn belangstelling onverzwakt. Daarom zou deze kleine plechtigheid aan hem besteed zijn geweest. Onze Maatschappij heeft immers in zijn leven al heel lang een ruime plaats ingenomen. Bijna een halve eeuw geleden, in 1933, werd hij, een jonge geleerde in zijn opgang, tot lid gekozen. Zijn lidmaatschap was allerminst een slapend lidmaatschap. In de commissie voor taal- en letterkunde - ik verlaat mij als buitenstaander op het register van Broeder en Sicking - heeft hij vele malen gesproken, over uiteenlopende onderwerpen.
In de Jaarboeken kunt U tussen 1962 en 1973 vijf levensberichten aantreffen van zijn hand. Wie van cijfers houdt kan sinds vorige week vaststellen, dat van 1960 tot 1980 dat aantal maar door enkelen is benaderd, en maar door één overtroffen. Belangrijker is uiteraard de qualiteit: geen van Meertens' berichten is een obligaat gelegenheidsartikel. Zij zijn met zorg samengesteld en veelal, haast voelbaar, met het hart geschreven.
Ik noem er twee: het levensbericht van Gerrit Achterberg en het uitvoerigste, tot dusver ook het laatste, dat over leven en werk van Meertens' vriend, de hoogleraar en geleerde, Klaas Heeroma, die tevens de dichter Muus Jacobse was. Dat bericht omvat de aanzet tot een beschrijving van de ‘famille spirituelle’, waartoe zowel de beschrevene als de berichtgever, evenals trouwens ook Achterberg, ieder op geheel eigen wijze, behoren. Met name de invloed op, en de samenhang met het litteraire streven in die kring, krijgt ruime aandacht.
Tweeduizend jaar geleden heeft een Griekse schrijver over vraagstukken van stijl, Demetrius, daarbij ook een beschouwing gewijd aan de brief als genre. Hij merkt op: ‘iedereen schetst in een brief een beeld van zijn eigen persoon.’ Mij dunkt, hetzelfde gaat ook op voor de biografie, al zal het daarbij veelal een onbewust verschijnsel betreffen.
Een goede levensbeschrijver schetst een portret, maar tegelijkertijd,
ook zonder het te weten, een zelfportret. Tegenover de wetenschappelijk-impulsieve Heeroma, óók een dichter immers, staat zijn bedachtzame vriend Meertens, o ja, bewonderend, maar, merkbaar, óók kritischafstandelijk.
Niet alleen als spreker en schrijver betoonde Meertens zich een actief lid van onze Maatschappij, hij deed dat ook op bestuurlijk-organisatorisch terrein. Zo is hij voorzitter geweest, ‘een uitstekende voorzitter’, verzekerde mij een ingewijde. In de Jaarboeken zijn de twee toespraken afgedrukt, die hij in die functie hield. Ik vermeld hier zijn op de jaarvergadering van 1969 gehouden rede met de eenvoudige titel Henriëtte Roland Holst. Het was toen immers een eeuw geleden, dat zij was geboren.
Een rede, die een getuigenis mag heten. Hij sprak - en ik citeer nu - van: ‘een dichteres die ik diep vereerd heb en zonder wie mijn leven stellig anders zou zijn verlopen dan het verlopen is en stellig minder gelukkig en wier werk mij in de moeilijkste ogenblikken van mijn leven tot een onvergetelijke steun is geweest.’ Een getuigenis van een zodanige authenticiteit en intensiteit, dat het bij een herlezing na jaren opnieuw ook hem treft, die een geheel andere kijk heeft dan Meertens op de politieke betekenis van Henriëtte Roland Holst, en die zijn onvermengde bewondering voor de dichteres niet, of althans in mindere mate, kan delen.
Meneer de voorzitter, dames en heren, Ware hij vandaag hier geweest, dan zou dr. Pieter Jacobus Meertens, daarvan ben ik overtuigd, een woord hebben gesproken, minder emotioneel geladen dan destijds, maar stellig ook zeer persoonlijk. Dubbel jammer derhalve, dat U genoegen moet nemen met een remplaçant. Het was, zo hoorde ik van onze voorzitter, de persoonlijke wens van Piet Meertens dat ik zou optreden als zijn woordvoerder. Een blijk van vertrouwen en vriendschap, dat mij heeft getroffen. Ontroerd, mag ik wel zeggen. Toch ook lichtelijk verbaasd.
Meertens heeft, gelukkig, ook onder onze medeleden, een aantal persoonlijke vrienden. Onder hen ook vakgenoten, wat ik niet ben. Onder hen mensen, die naar ik vermoed, hem meer geestverwant zijn dan ik. In politiek opzicht, maar vooral op het voor hem fundamentele, centrale punt, van geloof en godsdienst. Ik zou van een zó persoonlijke zaak hier niet reppen, ware het niet, dat hij zelf dat meer dan eens in het publiek heeft gedaan.
In 1943 promoveerde hij, cum laude, in Utrecht, op een proefschrift, waarvan de slotzin, luidt: ‘... het is tenslotte niet de poëzie, maar het ge-
loof, dat het karakter van een volk bepaalt en het zijn plaats toekent in de wereld en de geschiedenis.’ Een overtuiging, die de mijne niet is. Blijft daarom de vraag: ‘waarom ik’? Meertens en ik hebben twee dingen wèl gemeen, en ik vermoed, dat die, in hun combinatie, zijn keus hebben bepaald. Wij zijn namelijk alle twee hoog-bejaarde Zeeuwen.
Onze eerste kennismaking dateert van ruim zestig jaar geleden, toen wij beiden studeerden aan de voet van de Dom. Daar ontmoetten wij elkaar op de voor Neerlandici noch voor classici verplichte colleges van wijlen Schrijnen. Voor Meertens werd hij de wetenschappelijke wegwijzer bij uitstek, die er in belangrijke mate aan bijdroeg, dat Meertens zijn leven aan het wetenschappelijke onderzoek kon wijden. Meertens en ik waren zo op de ‘je’ en ‘jij’ toer, en dat is sindsdien gebleven, al gingen er telkens jaren en jaren voorbij, waarin wij zelfs geen schriftelijk contact hadden. Maar toch, àls onze wegen elkaar weer eens kruisten, dan herleefde er bij ons allebei iets van dat gevoel: ‘een ouwe bekende’. En dan herontdekten wij, vooral ook later: ‘wij zijn en blijven toch allebei Zeeuwen’. Ik meen daarom te mogen veronderstellen, dat het zijn wens was, dat aan die kant van zijn leven en werk de nodige aandacht zou worden besteed.
Zeeland, en letterlijk alles wat zich in dat gewest heeft afgespeeld, en tot op de dag van heden afspeelt, dat houdt Meertens, geboren en getogen Middelburger, heel zijn lange leven tot vandaag toe bezig. Dat blijft hem boeien. Met de stad van zijn geboorte zelf, die stijfdeftige provinciehoofdplaats van een halve eeuw geleden, mag hij dan lange tijd, wat hij zelf noemde, een ‘haat-liefde’-verhouding hebben gehad, tegenover zijn ‘land van herkomst’ is veeleer sprake van genegenheid, van verbondenheid. Géén blinde liefde, allerminst; een kortzichtig provincialisme, dat is hem vreemd.
Eén, misschien ogenschijnlijk onbetekenend, bewijs. Ik noemde daareven Meertens' dissertatie. Die had tot onderwerp: Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw. Een latere periode beschreef hij, een kleine dertig jaar nadien, in een oorspronkelijk in Maatstaf verschenen opstel: Bloei, inzinking en opleving. Letterkundig leven in Zeeland vóór 1880. Wie daarin van een, terecht, volkomen vergeten poëet opmerkt, dat hij de eerste was ‘van een lange reeks van 19e-eeuwse Zeeuwse dichters die geen van allen dichten konden’, zo iemand beschikt over voldoende rustige humor, voldoende relativeringsvermogen, om ook niet-Zeeuwen te boeien, als hij over
Zeeuwse onderwerpen schrijft.
In 1979, toen hij 80 werd, verscheen een keus uit zijn Zeeuwse studies onder de titel: Meertens over de Zeeuwen. Er zijn daarin dertig opstellen opgenomen, het oudste in 1925 geschreven, het jongste in 1975. Er zit lijn in dit leven. Dialectologen en kerkhistorici, beoefenaars van de naamkunde en zeker wie zich bezig houden met de litteraire en de sociale geschiedenis, die twee laatste vooral in hun onderlinge verwevenheid, zij kunnen hier allemaal iets van hun gading vinden.
Natuurlijk, het is alles Zeeuws wat de klok slaat, dat brengt de opzet van het boek met zich, maar heel veel is daarbij in een ruimer kader geplaatst. De in 1961 in het Zeeuws Tijdschrift verschenen studie over De opkomst van het socialisme in Middelburg bijvoorbeeld. Daarin spelen twee mannen een rol, die evenals Meertens, uit Zeeland naar Amsterdam togen, en die daar zouden uitgroeien tot nationale figuren: P.L. Tak en F.M. Wibaut.
Dames en heren, Uit wat ik hier heb mogen zeggen over een klein deel van Meertens' werk - het allermeeste van zijn omstreeks tweeduizend grotere en kleinere publicaties bleef uiteraard onvermeld - komt ook wel iets naar voren over zijn persoon. Ik acht het niet op mijn weg liggen daarover meer te zeggen dan hij zelf wel eens heeft gedaan. ‘Intimis intima’, dat had Allard Pierson al tot motto. Meertens schreef mij eens, dat hij zelf tegenover personen ‘een zekere preutsheid’ - tekenende term - in acht placht te nemen. Daarom past zeker mij tegenover hem zelf de nodige terughouding.
Toch wil ik, meneer de voorzitter, en daarmee ben ik dan nagenoeg aan het einde van wat ik heb te zeggen, nog iets citeren uit de brief, waarin die zin voorkomt. Dat is niet onbescheiden tegenover ons nieuwe ere-lid en het is, al heel toepasselijk, een kleine bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. Piet Meertens en ik correspondeerden over het schrijven van mémoires, en de daarbij te volgen gedragslijn tegenover personen.
Ik citeer nu uit die brief van precies vijf jaar geleden: ‘Het probleem heeft mij beziggehouden sinds ik eens een brief van mej. Toussaint uitgaf, waaruit blijkt dat ze van Hasebroek hield toen ze nog verloofd met Bakhuis was, zodat diens reputatie in een gunstiger licht kwam te staan. De oud-minister Bosboom viel me hierop aan; ik had de nagedachtenis van zijn tante dat niet mogen aandoen. Ik voelde mij tenvolle in mijn recht, ik had een ander licht geworpen op een miniatuur stukje letter-
kunde. Maar veronderstel dat ik er achter was gekomen dat zij aan de drank was, of haar man mishandelde? Ik blijf het maar lastig vinden, de grens tussen het al of niet geoorloofde.’
Meneer de voorzitter, dames en heren, Ik zou het hierbij kunnen laten. Van mijn taak namens mijn vriend Meertens een dankwoord te spreken, heb ik mij naar beste kunnen gekweten. Staat U mij echter toe daar, en dan echt als definitief slotwoord, nog één opmerking aan toe te voegen, die hij zelf zeker niet zou hebben gemaakt.
Boven de zogenaamde ‘New Year's List’, de jaarlijkste lijst van koninklijke onderscheidingen, staat in de Britse pers nogal eens als kop de traditionele, oud-Engelse formule: ‘Whom the Queen delighteth to honour’. Naar de geest toch wel te vertalen als ‘mensen van wie de Koningin het heerlijk vindt, er vreugde in schept, ze te eren’.
Ik hoop bij U de overtuiging te hebben bevestigd, of gewekt, dat de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde door het tot erelid benoemen van dr. Pieter Jacobus Meertens ook zich zelve heeft geëerd, en dat er sprake is van iets, dat óók onze Maatschappij reden geeft tot vreugde.
Ellemeet, 31 mei 1982
P.J. Koets