Saskia Ferwerda werd op 15 april 1910 in Renkum geboren, waar haar vader als kunstschilder werkzaam was. Uitzonderlijk is, dat zij niet naar de lagere school ging, maar huisonderwijs van haar moeder genoot die haar klaar stoomde voor het Stedelijk Gymnasium te Arnhem. In 1928 legde ze daar het eindexamen af. Met leeftijdsgenootjes had zij nauwelijks contact in al die jaren. Ze had nog een jongere broer, maar was zonder twijfel de oogappel van haar ouders. De sterke binding met hen ontwikkelde zich op den duur tot een zware psychische en fysieke belasting, vooral toen met het klimmen der jaren haar moeder steeds meer aandacht opeiste. Met haar grote verantwoordelijkheidsgevoel en trouw heeft zij zich als dochter nooit onttrokken aan wat ze als haar plicht beschouwde.
Ik heb Saskia Ferwerda leren kennen in onze studentenjaren in Amsterdam, waar zij naast haar hoofdvak Nederlands als bijvakken Sanskriet, Deens en Oud-IJslands had gekozen. Onze gemeenschappelijke belangstelling was de Deense taal- en letterkunde. In 1934 legde ze haar doctoraalexamen af. Aangemoedigd door dr. Vagn Børge, toenmaals tijdelijk docent Deense letterkunde in Amsterdam en Utrecht en door de lector in Amsterdam, dr. Nel Boer-den Hoed, begon zij haar promotieonderzoek dat was gewijd aan de relatie tussen de achttiende-eeuwse Deense toneelschrijver, historicus en filosoof Ludvig Holberg en Nederland. Met Donkersloot als promotor rondde zij in 1939 haar onderzoek af met een proefschrift getiteld Holberg en Holland.
Een van de belangrijkste uitkomsten van deze gedegen Holberg-studie is, dat Saskia Ferwerda de hypothese ontzenuwde als zou Holbergs beroemde en nog steeds veelvuldig opgevoerde blijspel Jeppe paa Bjerget (1723) beïnvloed zijn geweest door Langendijks Krelis Louwen (1715). Het hoofdbestanddeel van haar dissertatie wordt echter gevormd door een uitvoerige bespreking van de Nederlandse vertalingen, respectievelijk bewerkingen van Holbergs werken. Deze vertalingen, die stammen uit de achttiende en negentiende eeuw (plus een driedelige moderne vertaling van B.A. Meulman uit de jaren 1925-1927) waren in verreweg de meeste gevallen via het Duits verlopen met alle gevolgen vandien. Dit geldt niet voor Meulmans vertaling. Niet alleen aan de vertalingen zelf,
maar ook aan de receptie ervan besteedde zij veel aandacht. Haar overzicht van de Nederlandse opvoeringen van Holbergs toneelwerken getuigt van nauwgezet speurwerk. Heel onderhoudend is haar verslag van Holbergs beeldvorming ten aanzien van Holland en de Hollanders. Hij bezocht ons land twee maal en las er veel over. Saskia Ferwerda's Holberg-dissertatie is zonder enige twijfel haar belangrijkste wetenschappelijke bijdrage aan de Nederlandse Scandinavistiek. Bij de aanvaarding van het privaat-docentschap in de Deense taal- en letterkunde aan de universiteit van Utrecht in 1950 hield zij een goed onderbouwde rede over Taalzuivering en taalzorg in Denemarken. In 1958 werd dit docentschap omgezet in een lectoraat in de Scandinavische taal- en letterkunde, en op 20 november 1959 sprak zij haar openbare les uit, getiteld De pen in vrouwehand, waarin ze met name de veelal veronachtzaamde vrouwelijke letterkundigen uit de zeventiende en achttiende eeuw in Scandinavië onder de loupe nam, een onderwerp waarmee ze haar tijd ver vooruit was! Intussen had zij twintig jaar lang een grote activiteit ontplooid als docente aan verschillende volksuniversiteiten en aan de Landhouwhogeschool te Wageningen èn als privé-lerares. Bovendien bracht ze een reeks vertalingen uit de Scandinavische talen op haar naam. Zij deed dit alles in de stellige en gerechtvaardigde overtuiging, dat zij hiermee de zaak diende die haar zo na aan het hart lag: het wekken van belangstelling voor taal en cultuur van de Scandinavische volken. In het kader van deze activiteiten schreef zij samen met de Deense filoloog Mogens Nissen het bijzonder nuttige Leerboek in de Deense taal (1942), dat in 1948 en 1961 in herziene herdrukken verscheen.
Als lector in de Scandinavische taal- en letterkunde bouwde ze in de loop der jaren een bloeiend instituut op in Utrecht. Nadat zij een aantal jaren - zoals alle lectoren in de Scandinavistiek in den lande - vrijwel geheel alleen de onmogelijke taak had vervuld de gehele bijvak- en hoofdvakopleiding voor resp. Deense, Zweedse en Noorse taal- en letterkunde te verzorgen, en bovendien nog met liefhebbers het Nieuw-IJslands beoefende, kreeg zij geleidelijk de beschikking over een staf, die voor een belangrijk deel bestond uit door haar zelf opgeleide medewerkers. Hoewel haar gezondheid al vroeg veel te wensen overliet, werd ze gedreven door een grote wilskracht en een intense liefde voor het vak. Haar bereidheid studenten en andere belangstellenden van haar kennis te laten profiteren was algemeen bekend. In 1977 moest zij om gezondheidsredenen vroegtijdig afscheid nemen. Dit gebeurde binnen de intie-
me kring van het Utrechtse instituut. Voor haar vele verdiensten voor het onderwijs in de Scandinavische talen ontving zij koninklijke onderscheidingen van Denemarken, Zweden en Noorwegen.
Kort voor haar dood besliste Saskia Ferwerda dat uit de verkoop van het niet-Scandinavische deel van haar omvangrijke en kwalitatief waardevolle privé-bibliotheek een fonds zou worden opgericht voor het uitgeven van vertaalde Scandinavische letterkunde. Ruim een jaar na haar dood verscheen in mei 1985 bij uitgeverij Athabasca te Utrecht als eerste deel van de Saskia Ferwerda Reeks het mooi verzorgde boekje Drie Verhalen van Jens Peter Jacobsen, vertaald door een van de voormalige medewerkers van het Utrechtse instituut, Jytte Kronig.
Saskia Ferwerda's inzet op het gebied van de Scandinavische letterkunde komt, behalve in haar Holberg-dissertatie, ook tot uitdrukking in een lange reeks van bijdragen in de eerste druk van de Moderne encyclopedie der wereldliteratuur en in haar uitvoerige voorwoord bij een uitgave van een bloemlezing uit het werk van de Noorse schrijver Bjørnstjerne Bjørnson. Haar laatste bijdrage aan de Scandinavistiek was een voordracht over een toneelstuk van de moderne Deense auteur Kjeld Abell op het in 1968 in Parijs gehouden congres van de International Association for Scandinavian Studies. Zij was een trouw bezoekster van deze tweejaarlijkse conferenties, zoals zij ook van het begin der jaren dertig, ondanks haar toenemende invaliditeit, zeer regelmatig Scandinavië bereisde, waar ze talloze vrienden had - niet in de laatste plaats ook geestverwanten binnen de internationale pacifistische beweging, waarbij zij zich al vroeg had aangesloten.
De laatste jaren van haar leven waren uiterst moeilijk door de slopende gewrichtsreumatiek waar ze aan leed. Ze behield echter haar belangstelling voor haar vak tot het einde. Omstreeks Kerstmis placht ze een rondschrijven te sturen aan vrienden, leerlingen en oud-leerlingen over haar wederwaardigheden in het afgelopen jaar en haar verwachtingen voor het komende jaar. Er sprak naar mijn gevoel steeds een merkwaardige pathetiek uit deze brieven. Na haar dood ontving ik het laatste, ditmaal korte Nieuwjaars-epistel. Ze is zich duidelijk bewust van het naderende einde, gewaagt van haar vele oude en nieuwe vrienden en gedenkt in het bijzonder de vriendinnen van het Amsterdamse studentendispuut Artemis. De balans opmakend schrijft zij: ‘Ik heb getracht tussen culturen te bemiddelen en dit ook voor anderen tot vreugde te maken. Verschillende dingen had ik beter kunnen doen, maar ik heb toch het gevoel,
dat ik een boeiend leven heb gehad. En ik dank allen, die hiertoe het hunne hebben bijgedragen. Ik hoop, dat het jullie allen verder goed mag gaan.’
Bij het lezen van deze laatste groet zag ik haar weer voor me, zoals ik me haar van haar studiejaren en uit latere periodes herinner: hulpeloos en onhandig temidden van haar boeken en haar katten. Ik dacht aan haar studentenkamer in de Ferdinand Bol in Amsterdam met de enorme verzameling poezenkaarten aan de wand. Ik zag weer haar ouwelijke, vormeloze figuur en kleding die zo afstaken bij die van haar leeftijdsgenoten. Ik dacht ook aan mijn laatste bezoek enkele jaren geleden in Utrecht, waar in haar huiskamer de poezen de toon en inhoud van het gesprek aangaven. Ze was toen al zwaar gehandicapped in haar bewegingen, maar haar gezicht was door de jaren heen wonderlijk gelijk gebleven.
Geheel afhankelijk van de zorg van een lieve vriendin leefde ze tenslotte naar het einde toe, alleen in haar vertrouwde, besloten wereld, tot de dood zich over haar ontfermde. Zolang ik haar heb gekend deed zij altijd bewust of onbewust een dwingend beroep op de hulpvaardigheid van anderen. Ze ontving die ook steeds. Die hulpeloosheid stond in een merkwaardig contrast tot haar enorme wilskracht en doorzettingsvermogen en haar sterke gevoel van eigenwaarde. Overigens was zij zeker niet ontbloot van een ontwapenende zin voor humor en zelfspot.
Voor velen heeft Saskia Ferwerda de weg geopend naar taal en cultuur van de Scandinavische landen. Zij zullen haar stem die zozeer de uitdrukking was van haar alleszins ongewone persoonlijkheid niet licht vergeten.
Amy van Marken
Holberg en de Democratische Idee (i), in Jongeren en Democratie. Orgaan der Vrijzinnig Democratische Jongeren Organisatie 12:7, april 1937, p.1-2.
Holberg en de Democratische Idee (ii), in Jongeren en Democratie. Orgaan der Vrijzinnig Democratische Jongeren Organisatie 12:8, april 1937, p.1-3.
Ludvig Holberg en de Democratische Idee (iii), in Jongeren en Democratie. Orgaan der Vrijzinnig Democratische Jongeren Organisatie 12:9, mei 1937, p.2-3.
Holberg en Holland. Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1939 (diss. Amsterdam).
De Skandinavische landen en wij (i), in Jongeren en Democratie, Orgaan der Vrijzinnig Democratische Jongeren Organisatie 14:9, dec. 1939, p.2-4.
De Skandinavische landen en wij (ii) in Jongeren en Democratie. Orgaan der Vrijzinnig Democratische Jongeren Organisatie 15:1, jan. 1940, p.2-4.
Leerboek in de Deense taal en Sleutel behorende bij het Leerboek in de Deense Taal. Zutphen, W.J. Thieme & Cie 1942 (samen met Mogens Nissen; tweede herziene druk: 1948; derde herziene druk: 1961).
De Scandinavische muze en wij. Iets over het vertalen van gedichten uit de Scandinavische talen, in Vertalen, 1946, p.16-20.
‘Mensen bouwen een brug’ door Josef Kjellgren in De Boekenmolen. Een Tweemaandelijks Tijdschrift voor de Abonnee's 2:1, 15 april 1949, p.1-7.
Taalzuivering en Taalzorg in Denemarken. Zutphen, W.J. Thieme & Cie 1950. (openbare les gehouden bij de aanvaarding van het ambt van privaat-docent in de Deense taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht op 10 november 1950).
Stromingen in de moderne Deense Letterkunde in Levende Talen 1954:5, p.493-500.
Stromingen in de moderne Zweedse letterkunde tot omstreeks 1940 in Levende Talen 1956:1, p.38-46.
F.S. de Vrieze, Ph. D., Fact and fiction in the autobiographical works of Selma Lagerlöf. Assen 1958 in De Gids. Algemeen Cultureel Maandblad 122:7, juli 1959, p.51 (recensie).
De pen in vrouwehand. Zutphen, W.J. Thieme & Cie 1959 (openbare les gehouden op 20 november 1959 na de aanvaarding van het lectoraat in de moderne Skandinavische talen aan de Rijksuniversiteit te Utrecht).
Bjørnstjerne Martinus Bjørnson in Bjørnstjerne Bjørnson, Het bruidslied alsmede Vlaggen in stad en haven. Hasselt, Heideland, 1963, p.7-44 (Pantheon der winnaars van de Nobelprijs voor literatuur).
Een Nederlandse berijmde vertaling van Bjørnson's Faderen, in Handelingen van het dertigste Nederlandse Filologencongres gehouden te Leiden op woensdag en donderdag 11 april 1968, Groningen, Wolters Noordhof, 1968.
Andreas Blinkenberg og Poul Høybye, Frans-dansk ordbog. Haefte 16: toupillon-zythum. København 1966 in Neophilologus. Driemaandelijks Tijdschrift 53, 1969:4, p.453-455 (recensie).
‘La dame aux camelias’ de Kjeld Abell et le roman d'Alexandre Dumas fils in Rencontres et Courants Littéraires Franco-Scandinaves. Actes du Septième Congres International d'Histoire des Litteratures Scandinaves (Paris 7-12 juillet 1968), Paris, Lettres modernes Minard, 1972, p.175-187.
Petronella Maria Boer-Den Hoed in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1973-1974, Leiden. E.J. Brill, 1975, p.41-46 (levensbericht).
K.F. Brøgger, Erotiek en politiek in het oude Rome. 's-Gravenhage, De Kern, 1947 (Erotikk og Politikk; uit het Deens).
Sigurd Evensmo, Engelandvaarders. 's-Gravenhage, D.A. Daamen, 1947 (Englandsfarere; uit het Noors).
Moa Martinson, Moeder Trouwt. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1948 (Mor gifter sig; uit het Zweeds).
Synnøve Christensen, Moeder Maria. Amsterdam, Scheltens & Giltay, 1949 (Mor Maria; uit het Noors).
Johannes Hohlenberg, Søren Kierkegaard. Utrecht, Erven J. Bijleveld, 1949 (uit het Deens).
Josef Kjellgren, Mensen bouwen een brug. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1949 (Människor kring en bro; uit het Zweeds).
Jascha Golowanjuk, De kinderen van de paraplumaker. 's-Gravenhage, Albani, 1951 (Paraplymakarens barn; uit het Zweeds).
Erik Jacobsen, De hormonen. 's-Gravenhage, H.P. Leopold, 1951 (Hormonerne; uit het Deens).
Henning Lemche, Van molecule tot mens. De evolutie in modern licht gezien. 's-Gravenhage, H.P. Leopold, 1951 (Fra molekyle til menneske; uit het Deens).
Jens Sigsaard, Jantje in zijn eentje. Met illustraties van Arne Ungermann. Amsterdam, De Arbeiderspers 1951 (Palle allene i verden; uit het Deens; samen met Han G. Hoekstra).
Zinken Hopp, Het toverkrijtje. Met tekeningen van Malvin Neset. Amsterdam, C.P.J. van der Peet, 1955 (Tollkrittet; uit het Noors; 2de dr. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1963).
Astrid Lindgren, Mio, mijn Mio. Illustraties van Ilon Wikland. Amsterdam, C.P.J. van der Peet, 1956 (Mio, min Mio; uit het Zweeds; 2de dr. Amsterdam, Ploegsma, 1967; 3de dr. 1972; 4de dr. 1978).
Astrid Lindgren, Pippi Langkous in Taka Tuka-land. Illustraties door Tientje Louw. Amsterdam C.P.J. van der Peet, 1959 (Pipi Langstrump i Söderhavet; uit het Zweeds; 2de dr. Amsterdam, Ploegsma, 1966 met illustraties van Carl Hollander; 3de dr. 1968; 4de dr. 1969; 5de-9de dr. 1972; 10 dr. 1974; 11de dr. 1979; ook afgedrukt in Astrid Lindgren, Pippi Langkous. Met al haar kleurige avonturen in een groot boek. Met illustraties van Carl Hollander. Amsterdam, Ploegsma, 1972.