terug  begin  verder
[p. 141]

Gerrit Taal
Middelburg 20 november 1925 - Leeuwarden 11 mei 1984

Mocht de belangstelling voor het verleden zijn aangeboren, dan kan het leven van Gerrit Taal hiervan aanwijzing en illustratie zijn. Van huis uit was er niets dat hem in dit opzicht kan hebben gestimuleerd. Zijn vader had bij diens vader in de smederij te Middelburg gewerkt voordat hij leraar aan de ambachtsschool te IJmuiden werd. Gerrit was toen zes jaar. Als enig kind groeide hij op in Driehuis, Santpoort en Haarlem. Toen al bleek zijn behoefte tot documenteren die uiteindelijk heeft geleid tot een volumineuze verzameling aantekeningen, knipsels en jaargangen van tijdschriften. De inspirerende lessen van dr. D.J. Wansink aan de Rijkshogereburgerschool te Velsen beslisten zijn keuze voor de geschiedenis die met het in 1942 behaalde diploma aan de b-afdeling geen gemakkelijke brede weg ter vervolging kreeg. Twee jaar bezocht hij daarna de kweekschool voor onderwijzers te Haarlem. Hierdoor en daarna - volgens eigen zeggen met enig geluk - bleef hij uit handen van de Duitsers. Intussen studeerde hij voor zichzelf geschiedenis. In 1946 deed hij het mo-examen. Hij was hiervoor opgeleid door dr. A.E. Cohen die slechts wat ordening behoefde aan te brengen in de omvangrijke kennis die Taal vergaard had. Na de vervulling van de dienstplicht bij de administratie werd hij in 1948 leraar aan de Rijkshogereburgerschool te Leeuwarden. Er was bij hem in de lessen een vanzelfsprekende orde zodra hij het lokaal binnenkwam en terstond de draad van de ontwikkelingsgang der mensheid opvatte. De politieke en parlementaire geschiedenis hadden zijn voorkeur. In de lagere klassen liet hij het schoolboek voorzien van talloze aantekeningen; daarna schoot elk boek tekort. Hij was gezien bij de leerlingen, die voor hem allen gelijk waren. Tijdens dit leraarschap studeerde hij door. Via een protentamen Latijn behaalde hij in 1965 het doctoraalexamen aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Daar werd hij begin 1966 wetenschappelijk hoofdmedewerker bij de vakgroep nieuwste geschiedenis. De hem toebedachte instituutstaken verrichtte hij onberispelijk maar binnen de grenzen ervan blijvend. Voor zijn met veel bijzonderheden gegarneerde colleges en werkgroepen putte hij uit zijn indrukwekkende documentatie die hij - steeds studerend - zou blijven aanvullen en waaruit hij velen liet meedelen.

Taals belangstelling spitste zich toe op drie terreinen. Misschien

[p. 142]

kwam op de eerste plaats de geschiedenis van Duitsland tussen 1870 en 1945. Die voorkeur kwam niet voort uit liefde voor het Duitse volk dat hij de verduistering van een deel van zijn jeugd toeschreef. Speciaal Nazi-Duitsland en het fascisme waren onderwerp van zijn universitair onderwijs. In Historici van de Twintigste Eeuw betreft zijn bijdrage Fritz Fischer.1 Deze Duitser was hem sympathiek. Fischer heeft de opvatting over een gemeenschappelijke schuld aan de eerste wereldoorlog ontmythologiseerd en tegen de gangbare opinie in aangetoond dat Duitsland wel degelijk verantwoordelijk geacht moet worden voor het uitbreken van de oorlog. Als Taal opmerkt dat Fischer niet tot alternatieve methoden en ideologische theorieën overging, dan vervolgt hij, als ware het een zelfportret: ‘Hij bleef een solide en gedegen vakman, die zijn constateringen baseerde op feiten en documenten, niet op wazige redeneringen.’2

Het tweede terrein van Taals belangstelling en werkzaamheid was dat van de Nederlandse parlementaire geschiedenis. In 1980 promoveerde hij op Liberalen en Radicalen in Nederland, 1872-1901.3 Dit omvangrijke boek is door bevoegde critici als degelijk, goed, belangrijk en interessant gekwalificeerd. Het is en zal blijven een rijke bron voor bestudering van de diverse liberale stromingen. De zorg voor het detail die zich uitstrekt tot in vele noten is kenmerkend voor Taal, maar niet storend. De aangename en boeiende verteltrant van zijn lessen en colleges is hier blijvend gemaakt. Ook is in dit boek een fractie van Taals documentatie op het gebied van de persgeschiedenis beschikbaar gebleven. Voor lang niet alles kon in Liberalen en Radicalen een plaats gevonden worden. In snel tempo verschenen na de dissertatie portretten van H. Goeman Borgesius, H.C. Dresselhuijs, W. van der Kaaij, P. Rink en Jhr. J. Roëll in het tweede deel van het Biografisch Woordenboek van Nederland (Amsterdam, 1985).

De geschiedenis van Zeeland was Taals derde liefde. Hij was graag in zijn geboorteland. Daar bracht hij zijn vacanties door, studerend met vrouw en zoon in de nabijheid. Zijn doctoraalscriptie betrof het graafschap Zeeland in de landsheerlijke tijd.4 In Zeeuwse bladen verschenen detailstudies over personen uit de periode van zijn dissertatie. Bovenal ging zijn aandacht uit naar deze provincie tijdens de tweede wereldoorlog. Hierover publiceerde hij wat voorstudies hadden kunnen zijn voor het tweede grote werk. In 1978 verleende het Provinciaal Bestuur hem opdracht een werk over Zeeland tijdens de bezettingstijd te voltooien.

[p. 143]

Nauwgezet speurde Taal met behulp van nog levende getuigen naar de feiten en documenten. Te lang en te veel, naar de mening van de opdrachtgever.

In Zeeland, in december 1983, openbaarde zich de ziekte die hem spoedig dwong zijn activiteiten te verminderen en te beëindigen ten slotte. Vóór Ger Taal overleed, droeg hij over wat hij niet meer kon afmaken. Deze nalatenschap had het kenmerk van zijn stijl van leven en werken, die van perfecte orde. Het was zijn wens dat in het bericht van zijn overlijden als kwaliteit vermeld werd: ‘historicus’.

 

J.J. Huizinga

1A.H. Huussen jr, E.H. Kossmann, H. Renner (red.), Historici van de twintigste eeuw. Utrecht/Antwerpen 1981.
2Historici van de twintigste eeuw, p.260.
3G. Taal, Liberalen en Radicalen in Nederland 1872-1901. Den Haag 1980.
4Het Graafschap Holland en zijn verhouding tot Holland in de landsheerlijke tijd in Archief. Vroegere en Latere Mededelingen Voornamelijk in betrekking tot Zeeland, p.51-96.
terug  begin  verder