Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1990


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1989-1990. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1991  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Verhandelingen

[p. 3]

Definities in woordenboeken
Jaarrede door de voorzitter Dr. H. Heestermans

Dames en Heren,

 

Op 6 april jongstleden overleed ons medelid dr. C.H.A. Kruyskamp. Hij was veertig jaar lang redacteur van het wnt en zesentwintig jaar de enige bewerker van Van Dale. Als geen ander Nederlands lexicograaf kon hij snel en doeltreffend de betekenis van woorden omschrijven.

Te zijner nagedachtenis heb ik besloten dit jaar bovenstaande titel als thema van mijn rede te kiezen.

 

Er zijn weinig dingen die mij meer bekoren dan het vergelijken van definities in woordenboeken. Een afwijking, ik geef het onmiddellijk toe, doch ze schenkt mij veel bevrediging. Zo vergeleek ik al weer enige tijd geleden de definities van het woord vrijgezel. De grote, zesdelige Duitse Duden omschreef een vrijgezel als ‘ein lediger, [noch] nicht verheirateter Mann’. De Engelse Concise Oxford Dictionary week niet ver van zijn Duitse collega af: ‘an unmarried man’, met, tussen haakjes, de subtiele toevoeging: ‘of marriageable age’. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (wnt) hield het op: ‘ongehuwde, volwassen man’ en de Grote Van Dale meende dat een vrijgezel een ‘ongehuwde man, celibatair’ is.

Op het eerste gezicht lijken deze definities niet onverdienstelijk. Een vrijgezel is immers een ongetrouwde man van een leeftijd waarop hij wel getrouwd had kunnen zijn. Een jonge knaap van vijftien zou dus niet zo gemakkelijk kunnen zeggen: ik ben vrijgezel. En als hij het zou zeggen, zou er een lichte glimlach verschijnen op het gelaat van zijn toehoorders.

Toch bekroop mij na enige tijd de twijfel. Zou je, zo vroeg ik mij af, een priester ook een vrijgezel kunnen noemen? Het is toch zonder meer een gegeven dat hij, die priester, niet getrouwd is, maar wel de huwbare leeftijd heeft. De twijfel kroop verder. Is een weduwnaar van zeventig een vrijgezel, of een gescheiden man van veertig? Er klopte dus iets niet met de definitie van vrijgezel in al die woordenboeken. En voor ik de verdenking op mij laad dat ik als lexicograaf andere woordenboeken ga bekritiseren, terwijl ik mijn eigen woordenboek buiten schot laat, moet ik U bekennen dat ik zelf verantwoordelijk ben voor de laatste twee betekenis-

[p. 4]

omschrijvingen, dus voor die uit het wnt en uit Van Dale.

Er was dus iets mis met mijn eigen definities. Had ik niet goed nagedacht? Dat zou kunnen. Of is het formuleren van een goede woordenboeksdefinitie zo moeilijk? Dat zeker. ‘L'art suprême de la lexicographie, c'est la définition,’ zegt de Franse eminence grise van de lexicografie Paul Imbs (en ik weet dat ik deze term nu gebruik in de betekenis die hij in Nederland erbij heeft gekregen, namelijk die van de oude, grijze en bovenal wijze nestor, terwijl eminence grise oorspronkelijk verwees naar de in bruine pij geklede vertrouweling van de Franse kardinaal de Richelieu, François Leclerc du Tremblay). Hoe komt zo'n betekenisomschrijving in een woordenboek tot stand? Zijn er criteria voor of misschien zelfs wel theorieën? Ja, die zijn er wel, maar het is de vraag of ze de schrijver van woordenboeken echt van nut zijn bij zijn praktische werkzaamheden. Dat geldt voor veel theorieën. Zodra ze moeten worden toegepast, blijkt er nog veel te zijn waarin zij niet voorzien. Ik zal aan de hand van een aantal definities laten zien hoe een lexicograaf te werk kan gaan, wat voor kritiek er op zijn produkt kan worden uitgeoefend (vaak terecht, maar even vaak ten onrechte) en hoe hij toch gebruik kan maken van theoretische uitgangspunten, zij het met mate. Mijn uitgangspunt is dat een definitie van een begrip zo compleet moet zijn dat er geen verwarring met een ander begrip mogelijk is. Dus als ik het begrip kat definieer, moet ik ervoor zorgen dat iemand die die definitie leest, niet kan zeggen: ha, dat is een poedeltje.

Welnu. Als we in de Concise Oxford Dictionary kijken, lezen we onder cat: ‘small furry domesticated carnivorous quadrupped’ en daarachter ‘Felis Cattus’. Dus: kleine, tamme, harige, vleesetende viervoeter. En ik denk: ha, dat is een poedeltje.

Er schort iets aan de omschrijving. Maar wat? Ik raadpleeg de Petit Robert, een van de beste woordenboeken ter wereld. Daar staat onder chat: ‘petit mammifère familier à poil doux, aux yeux oblongs et brillants, à oreilles triangulaires’. Vertaald luidt dat: klein, tam zoogdier met zachte vacht, ovale en schitterende ogen en driehoekige oren.

Ook voor een Fransman is de kat klein en tam. Dat hij vlees eet is kennelijk van minder belang, want het epitheton ‘vleesetend’ ontbreekt. Maar er zijn andere bijna poëtische kenmerken aangedragen. Zoals zijn zachte vacht, ovale en schitterende ogen en driehoekige oren. Zijn deze kenmerken behalve poëtisch ook karakteristiek voor de kat? Zijn er niet meer dieren met een zachte vacht? Ja zeker wel en daarmee is dit kenmerk niet ty-

[p. 5]

pisch voor de kat. Zijn er nog meer beesten met ovale en schitterende ogen en driehoekige oren? Ik weet het niet zeker. Dus laat ik het erop houden dat deze ogen en oren des kats zijn, dat de kat zich met zijn ovale en schitterende ogen en driehoekige oren onderscheidt van alle andere viervoetige zoogdieren.

En daarmee ben ik beland bij een van de semantische theorieën die de lexicograaf van dienst kunnen zijn bij het opstellen van een correcte definitie: de structurele semantiek. Het uitgangspunt van deze tak van de betekenisleer is deze: alleen die kenmerken in een betekenis zijn taalkundig van belang die het ene woord doen verschillen van het andere dat in hetzelfde ‘woordveld’ ligt. Dus: je zet alle woorden voor zitmeubilair (want dat is het bekendste voorbeeld) tegen elkaar af en dan constateer je dat een bank een rugleuning heeft en een poef niet, dat een fauteuil voor één persoon is, een poef eveneens, maar een bank voor meer dan één persoon. Zo kom je tot een definitie van bank als: zitmeubel met rugleuning, met armleuning, op poten, voor meer dan één persoon, uit hard materiaal. Dat lijkt een mooi systeem, maar er zijn toch wel enige kanttekeningen bij te plaatsen. Zoals U weet nemen theorieën vaak de mooiste voorbeelden die treffend de theorie bewijzen. Zo ook hier.

Eén van de problemen is: wat doe ik met woorden die niet of niet gemakkelijk in een woordveld te plaatsen zijn? In welk woordveld moet ik God plaatsen? In het woordveld engel, duivel, apostel en dergelijke?

Het tweede probleem is: wat is het woordveld van vrijgezel? Is dat: gehuwde man, man, echtgenoot, verloofde, vriend? Waarom plaatsen we er ook niet woorden als priester, weduwnaar en gescheiden man in? Want we kunnen ons toch ook afvragen of we een weduwnaar van vijfenveertig en een gescheiden man van vijftig een vrijgezel mogen noemen.

De keuze van zo'n woordveld blijkt dus bepalend te zijn voor de definitie. Maar die keuze is niet objectief en dus is de definitie ook nooit objectief.

Terug nu naar de andere omschrijvingen van de kat. Een ervan luidt kort en kernachtig: ‘viervoetig huisdier’ en erachter staat, tussen haakjes, Felis orcheata domestica. Deze definitie berust op een lexicografische truc. De woordenboekschrijver geeft zeer beknopt aan dat een kat een huisdier is en vier poten heeft en om verder van alle rompslomp van moeizame beschrijvingen over ovale oogjes en driehoekige oortjes verlost te zijn, wordt de officiële Latijnse benaming Felis orcheata domestica uit de hoge hoed getoverd. Maar in hetzelfde woordenboek komt Felis orcheata do-

[p. 6]

mestica niet voor. Iemand die niet weet wat een kat is, zal zijn zucht naar meer kennis over dat beestje nimmer kunnen bevredigen. Althans niet met behulp van dit woordenboek. Toch is deze definieerwijze te verdedigen. Ten eerste: ik sprak zojuist over ‘iemand die niet weet wat een kat is’. Maar die iemand bestaat niet en er zullen weinig mensen zijn die in een woordenboek de definitie van het woord kat gaan opzoeken. Hooguit omdat ze willen weten hoe de lexicograaf zijn opdracht heeft vervuld, niet uit drang naar kennis.

Elk woordenboek, zeker een klein woordenboek (en deze definitie komt uit Van Dale Groot Woordenboek van het Hedendaags Nederlands) moet woekeren met de ruimte. Een Engelse lexicograaf, van wie ik de naam ben vergeten, heeft jaren geleden betoogd dat veel ruimte kon worden gewonnen door de algemeen bekende betekenissen van algemeen bekende woorden zeer simpel te definiëren. Voor tafel zou dat worden ‘het bekende meubelstuk’, voor duif ‘de bekende vogel’ en voor paard ‘het bekende hoefdier’. Het is een niet zeer elegante, maar wel zeer praktische oplossing.

De definitie in de Grote Van Dale is niet veel beter dan die in de Hedendaagse Van Dale. Kat wordt erin omschreven als: ‘bekend viervoetig huisdier uit de familie der katachtigen, van de orde van roofdieren (Felis orcheata domestica) met dichte, zachte pels’.

Hier zijn meer lexicografische trucs uitgehaald. Allereerst is de kat geplaatst in het wetenschappelijke classificatiesysteem dat bestaat uit families, orden en onderorden. Vervolgens is ook de Latijnse benaming Felis orcheata domestica als redmiddel te baat genomen en als mager toegift wordt vermeld dat de kat een ‘dichte, zachte pels’ bezit.

Er is veel ruimte in beslag genomen voor relatief weinig zeggende gegevens. Dan is de oplossing ‘bekend viervoetig huisdier’, eventueel met de toevoeging Felis orcheata domestica te verkiezen. Verfrissend is het te lezen wat de zesdelige Duitse Duden onder Katze verstaat. Het is een ‘zich soepel en geluidloos bewegend, vooral muizen vangend klein huisdier met slank lichaam, gedrongen kop met korte, spitse, staande oren, zachte pels, scherpe tanden, intrekbare nagels en ogen die ook 's nachts voortreffelijk kunnen zien’ (‘sich geschmeidig u. lautlos bewegendes, vor allem Mäuse fangendes kleines Haustier mit schlankem Körper, gedrungenem Kopf mit kurzen, spitzen, stehenden Ohren, seidigem, weichem Fell, scharfen Zähnen, einziehbaren Krallen u. Augen, die auch in der Dunkelheit hervorragend sehen’). Wie dit geschreven heeft moet een minnaar van katten

[p. 7]

zijn. Alles aan het beest is esthethisch verantwoord. De gang is soepel, het lichaam is slank en de ogen zien des nachts zo voortreffelijk. We kunnen ons toch minstens twee vragen stellen. Ten eerste: zijn het ook zinvolle onderdelen die hier in deze definitie zijn opgenomen? Ten tweede: mijn enige nog overgebleven kat (uit een familie van drie) vangt weliswaar muizen maar heeft, door een noodlottig ongeval, geen oren meer en door de ouderdom en de listigheid waarmee hij elders extra voedsel weet te verschalken, bezit hij ook geen slank lichaam; hij is dik, zeer dik. De vraag is: mag ik hem toch nog een kat noemen? Hij beantwoordt immers niet aan alle genoemde kenmerken?

Om deze vragen te beantwoorden moet ik een tweede betekenistheorie te voorschijn halen: de cognitieve semantiek. Volgens deze betekenisleer bevat de betekenis van een woord alle kennis die iemand in de loop van zijn leven in verband met dat woord heeft opgedaan. Ze onderscheidt zich op minimaal twee punten van de structurele semantiek. Ten eerste: die structurele semantiek hield zich alleen bezig met linguïstische betekeniskenmerken. Dat waren de plusjes-en-minnetjes-kenmerken die gevonden konden worden door woorden uit hetzelfde woordveld te vergelijken. Alle andere kenmerken waren encyclopedische gegevens. Daarmee diende de taalkundige zich niet in te laten. Ten tweede: de cognitieve semantiek ziet de betekenis van een woord niet als een scherp afgebakende categorie, als een lijst met vaststaande kenmerken. Laat ik dat met een voorbeeld illustreren. Een vogel is, volgens de definitie in het wnt (en deze definitie is van Kruyskamp): ‘Naam voor de tweebenige, warmbloedige gevleugelde en gevederde dieren die in beginsel het vermogen hebben zich in de lucht te verheffen’.

Drie kenmerken zijn hier essentieel, dunkt me. Een vogel heeft twee poten, vleugels en veren. Volgens de structurele semantiek moeten alle vogels deze kenmerken bezitten. De cognitieve semantiek gaat ervan uit dat er een glijdende schaal van kenmerken is. En dat is door Kruyskamp kundig gedefinieerd door de toevoeging van in beginsel. Amerikaanse proefpersonen bij een psychologische test werd gevraagd een aantal van tevoren gegeven vogelnamen te rangschikken naar de mate waarin ze het beeld van de categorie vogel vertegenwoordigden. De volgorde werd deze: 1. roodborstje; 2. zwaluw; 3. arend; 4. kraai; 5. fazant; 6. gans; 7. kip; 8. pinguïn.

Het roodborstje was dus het meest typische lid van de vogelfamilie, het beantwoordde het meest aan alle kenmerken van een vogel. Het heeft

[p. 8]

vleugels, het kan vliegen, heeft veren, een snavel, kan zingen, enzovoort. Het is het prototype van een vogel. In een andere proef werden de volgende vragen gesteld: is een roodborstje een vogel en is een kip een vogel? Het antwoord luidde in beide gevallen: ‘ja’. Maar het ‘ja’ op de tweede vraag: ‘is een kip een vogel?’, werd bijna een seconde later gegeven dan het ‘ja’ op de eerste vraag. Waarom? De proefpersoon had kennelijk ook als ideaal beeld van een vogel in zijn gedachten een beestje met vleugels en veren dat kan vliegen. Juist bij dat laatste punt, ‘kan een kip vliegen?’, moest hij even wat langer nadenken. Dat verklaart de extra seconde denktijd.

De leden van een categorie hoeven dus niet alle kenmerken gemeen te hebben. In de cognitieve semantiek zegt men dan dat er tussen die leden (van de categorie vogels bijvoorbeeld) niet een volledige overeenkomst heerst, maar een familiegelijkenis. Er is hooguit een overeenkomst in een wisselend aantal kenmerken.

Ik stelde zoëven twee vragen. Ten eerste: zijn alle onderdelen die in de definitie van Katze in Duden waren opgenomen ook zinvol. Het antwoord kan nu zijn: ja, dat zou kunnen, want katten hebben over het algemeen een soepele loop, rechtopstaande oren, scherpe tanden en intrekbare nagels. Net zoals in die definitie staat. Maar als ik aan een kat denk, denk ik toch zeker ook aan zijn vermogen tot ‘miauwen’. Dat aspect nu wordt nergens, in welk woordenboek dan ook, vermeld. Ook deze theorie geeft derhalve de lexicograaf niet het onfeilbare instrumentarium waarmee hij een volmaakte betekenisomschrijving kan scheppen.

Het antwoord op de tweede vraag probeer ik nu te geven. Wat betekent de cognitieve semantiek voor mijn kat die geen oortjes meer heeft en wiens slanke lichaam van vroeger heeft moeten plaatsmaken voor een weldoorvoed katerlijf? Dat hij toch tot de categorie der katten behoort. Weliswaar beantwoordt hij niet meer aan het prototypische ideaalbeeld, maar een familiegelijkenis is er zeker. Ik heb hem er niet minder lief om.

Een derde vraag stel ik vervolgens. Wat betekent de cognitieve semantiek voor de woordenboeksdefinitie? Het antwoord is dat in de definitie het prototype wordt beschreven en dat een definitie geen al te gedetailleerde verantwoording hoeft af te leggen voor de familieleden die afwijkend zijn.

Is het van belang dit te weten? Ja. Ik zal u dit belang illustreren. In de zesdelige Duden wordt het woord Nation gedefinieerd als (en ik vertaal): ‘grote, meestal bij elkaar levende gemeenschap van mensen met dezelfde afstamming, geschiedenis, taal en cultuur, die een staat vormen of willen vormen’.

[p. 9]

Op deze definitie is in Duitsland veel kritiek uitgeoefend, vooral omdat er verband wordt gelegd tussen natie en staat. Volgens velen is de staat steeds minder geografisch, historisch, taalkundig, cultureel bepaald - wat dus wel in Dudens definitie stond -, maar juist politiek.

Een Duitse taalkundige wijst er dan ook op dat de Polen in een niet eens zo ver verleden tot de Duitse staat behoorden, maar niet tot het Duitse volk. Anderzijds, zo merkt hij op, hadden de Oostenrijkers ooit wel het Duits-nationale bewustzijn, maar toch waren ze geen rijksduitsers. ‘Die Reichszugehörigkeit entsprach nicht immer die Nationszugehörigkeit.’

Ik wil hier niet uitweiden over de vraag wie er gelijk heeft, Duden of die Duitse taalkundige. Het gaat me om het argument dat door de kritiek is aangevoerd. Is de definitie in Duden fout waarin het verband wordt gelegd tussen een natie en een staat omdat er twee uitzonderingen zijn: Polen en Oostenrijk?

Volgens de prototype-opvatting zeker niet. Duitsland leek toen net zo veel op het ideaalbeeld van een Nation als een kip op het ideaalbeeld van een vogel: het roodborstje. Zo blijft een tijger met drie poten altijd een tijger en een dikke kat zonder oren een kat.

Het kennen van een theorie kan voor de schrijver van woordenboeken zoals u ziet toch enige voordelen met zich meebrengen. Al is het slechts om kritiek te weerleggen. Ik zei het u reeds, hoe mooi en indrukwekkend die prototypetheorie ook is: de lexicograaf heeft er in de praktijk weinig aan. Ik geef u daarvan nog een voorbeeld.

De Amerikaanse onderzoekster van Poolse herkomst Anna Wierzbicka schrijft in haar boek Lexicography and Conceptual Analysis, dat tot de bestanddelen van de betekenis van kopje (Engels: cup) zeker behoort: dat het iets is om herhaaldelijk warme vloeistoffen als thee en koffie uit te drinken, dat het ergens op gezet moet kunnen worden, dat het van stevig materiaal gemaakt moet zijn, dat het rond en van boven open is, zodat men er gemakkelijk uit kan drinken ‘by tipping the top part slightly towards the mouth’.

Minder zeker behoren tot de betekenis volgens Wierzbicka onder andere (ze geeft een definitie van bijna anderhalve pagina; gelukkig voegt ze eraan toe dat ze wel weet dat die nooit zo in een woordenboek kan worden opgenomen) het feit dat kopjes meestal in serie worden gemaakt, ‘so that people drinking from them can have each one of such things looking the same, so that they look nice together’. En ook dat bij een kopje meestal een schotel hoort. Dat eerste, dat van die serie, wil ik best geloven. Maar

[p. 10]

dat tweede? Als er nu één ding is waardoor een kopje echt verschilt van bijvoorbeeld een mok, dan is het dat een kopje een schotel bij zich heeft en een mok of een kroes niet. Al was het alleen al omdat er een onverbrekelijke eenheid is in de verbinding: ‘kop en schotel’.

Daaruit blijkt dat ook deze theorie de lexicograaf van weinig praktisch nut is en dat hij is aangewezen op zijn eigen kennis of op de kennis van anderen.

Wat die eigen kennis betreft: die leidt soms tot verrassend persoonlijke visies in definities. U weet waarschijnlijk allen dat Kruyskamp niet schroomde enige subjectieve opvattingen in zijn definities op te nemen. Hij deed dit bij vol bewustzijn en in de overtuiging dat hij hiermee de traditie van de befaamde Dr. Samuel Johnson voortzette. Het zal nauwelijks nodig zijn deze definities, zo vaak gewraakt, en even vaak met vreugde gesmaakt, te vermelden. Toch wil ik ze nog een kort moment in uw herinnering terugroepen.

De meest befaamde was natuurlijk zijn schimpscheut op de popmuziek, die naar zijn mening het best kon worden weergegeven met: ‘ben. voor zekere, oorspr. op de rock-'n-roll gebaseerde, bij jeugdige en onrijpe personen in de smaak vallende hedendaagse amusementsmuziek’. Berucht is ook zijn weergave van volleybal: ‘door twee ploegen van zes spelers gespeeld balspel, waarmee sommige mensen zich vermaken, bestaande in het heen en weer slaan van een bal over een net’.

De mooiste, maar minst bekritiseerde omschrijving is echter nog steeds die van kosmonaut. Dat was volgens Kruyskamp: ‘een ietwat hyperbolische ben. voor personen die een klein sprongetje in de kosmische ruimte doen, door zich bv. naar de maan of een planeet van ons zonnestelsel te laten schieten’. Vrijwel iedereen die weet hoe trefzeker en snel Kruyskamp woorden definieerde, zal hem deze kleine deviaties graag vergeven.

Wat tonen nu enerzijds de definities van Katze in de Duden, waar het slanke lichaam en de soepele gang werden bezongen, en anderzijds de definitie van Kruyskamp, waarin werd gesignaleerd dat popmuziek bij jeugdige en onrijpe figuren in de smaak valt? In elk geval één ding: dat de lexicograaf bij zijn beschrijving van de mogelijke elementen die hij in een definitie kan opnemen, een keuze moet maken en dat die keuze noodzakelijkerwijze subjectief is.

Zijn er dan echt geen theorieën die de schrijver van een woordenboek iets verder kunnen helpen? Ik vrees van niet. Er is nog de opvatting van de Amerikaanse linguïst Putnam. Volgens hem is de betekenis van woorden

[p. 11]

als goud, water, tijger, vogel en dergelijke (dus woorden die verwijzen naar wezens en zaken uit de natuur) al wat er scheikundig of natuurkundig over te zeggen is. De betekenis van een woord is al datgene waarnaar een woord verwijst. Natuurlijk kent niet iedereen alle scheikundige kenmerken van goud. Dus is er, zoals Putnam zegt, een linguïstische taakverdeling. De expert kent alle chemische aspecten van goud. De gewone taalgebruiker hoeft alleen maar te weten dat goud een geelachtige, blinkende stof is, duur is en, eventueel met die duurte verbonden, dat het als standaard in de geldeconomie optreedt. Deze laatste kennis noemt Putnam een stereotypie. Een stereotypie is dus een basiskennis, een bepaalde hoeveelheid gegevens die iemand moet kennen, wil hij geacht worden de betekenis van een woord te beheersen.

Wie regelmatig in woordenboeken kijkt, zal zien dat vrij vaak van deze stereotypebenadering gebruik wordt gemaakt. Bij chesterfield bijvoorbeeld leest u in Van Dale: 1. zeker model van armstoel of canapé; 2. zeker model van overjas. Naar de opvatting van de maker van deze definities is deze kennis als basiskennis genoeg. Ik hoef niet meer te weten dan dat een chesterfield een armstoel of canapé is van een bepaald model of een overjas van een bepaald model. De bewerker van Koenen denkt er echter anders over: een chesterfield is in zijn definitie: 1. lange herenoverjas met blinde sluiting; 2. leunstoel met dikke bekleding: dik beklede canapé voor twee, drie of vier personen. De Concise Oxford Dictionary beschrijft de chesterfield als ‘1. sofa with padded seat, back and ends’ (en lijkt daarin sterk op Koenen; in elk geval wordt de nadruk gelegd op de dikke bekleding); ‘2. plain overcoat, usu. with velvet collar’ (een simpele overjas met een fluwelen kraag). Koenen vindt dus dat ik de ‘blinde sluiting’ als kenmerk van de chesterfield moet kennen en de Concise Oxford Dictionary vindt dat de fluwelen kraag zeer opvallend is. Zelfs in deze stereotypische benadering is het onderscheid tussen de verschillende lexicografen groot.

Wat kunnen we uit het voorgaande opmaken?

Op z'n minst twee dingen. Ten eerste: dat een definitie in een woordenboek altijd op haar merites bekeken moet worden. Nooit mag men zeggen: zo staat het in het woordenboek, dus zo is het. Zoals Kruyskamp in zijn bericht voor de tiende uitgave schreef: ‘ook voor woordenboeken geldt [...] tot op zekere hoogte wat van dagbladen gezegd is: ‘un journal c'est un monsieur’ - ook een woordenboek is een meneer. De gebruiker moet zelf zijn standpunt bepalen, en zijn uitgangspunt moet daarbij niet zijn: het staat in Van Dale, dùs is het zo, want het omgekeerde is veeleer

[p. 12]

het geval: òmdat het zo is (naar het beste weten van de bewerkers) staat het (zo) in Van Dale.’ Een cruciale opmerking, die toont hoezeer Kruyskamp zich van de beperkingen waaronder een lexicograaf lijdt, bewust was: ‘naar het beste weten van de bewerkers’. Ook elders in zijn Inleiding (p. xviii) wijst hij op die beperkingen: ‘niemand kan er meer dan de redactie van overtuigd zijn dat het werk zoals het hier ligt nog verre van volmaakt is. Alleen zij die zelf praktisch lexicografisch werk hebben verricht, weten hoe zwaar een taak is als de hier voorlopig beëindigde en hoezeer in de lexicografie meer dan op enig ander terrein het volmaakte een onbereikbaar ideaal is.’

Nog een tweede conclusie is te trekken. Lexicografie is geen wetenschap, er is geen enkele theorie die ten grondslag kan liggen aan het woordenboekswerk. Richard Burchfield, de bewerker van de o.e.d., stelde met recht: ‘lexicography is an art, not a science.’ Iedereen die het werk van Kruyskamp aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal en aan Van Dale kent, weet dat hij een begenadigd kunstenaar was.