terug  begin  verder
[p. 33]

Het Babel van de geleerden
Latijn in het Nederlandse universitaire onderwijs van de achttiende en de negentiende eeuw
Door Dr. Joke Roelevink

In de zomer van 1766 kwam een einde aan de langdurige leerstoelendans rond de opvolging van Petrus Wesseling, een veelzijdig geleerde die tot zijn overlijden in 1764 in Utrecht zowel rechten als letteren had gedoceerd. Nadat stadhouder Willem v ten langen leste de muziek had stilgezet, bleken niet minder dan drie heren de plaats van de ene professor te hebben bemachtigd: Mijnardus Tydeman diens opdracht in de juridische wetenschappen, Carolus Segaar en Rijklof Michaël van Goens samen die in de artes. Deze unieke hoogtijdag werd slechts overschaduwd door het feit dat de Utrechtse artesfaculteit reeds twee hoogleraren in de klassieke talen en de geschiedenis telde. En vier was destijds bepaald te veel van het goede voor de Domstad.

De eerste stap van de nieuwelingen in de nu onvermijdelijk geworden strijd om de gunst van de studenten, was de inaugurele oratie.1 Humanisten gaven hieraan oorspronkelijk de vorm van een loflied op de wetenschap. Evenals diesredes en panegyrieken op stadhouders waren het schaarse, maar uitgelezen gelegenheden om te schitteren te midden van gelijkgezinde minnaars van de welsprekendheid. Maar al snel kreeg de professorale intreerede een ruimere strekking als visitekaartje aan medegeleerden en universitaire bestuurders, als wervingsactie onder de studenten en als aangename tijdpassering voor de hooggeplaatste liefhebbers. Desondanks bleef de spreker gekluisterd aan de wetten van de retorica én aan de taal van de geleerden, het Latijn.

In tegenstelling tot alle andere universitaire genres zorgden oraties dus voor een wat breder publiek, dat taal en inhoud in salons en tijdschriften zou wikken en wegen. Van Goens was zich daarvan in 1766 heel wel bewust. Maar ‘averechts’2 als altijd kaatste hij de bal onmiddellijk terug. Arme luisteraars, die nu binnen korte tijd drie oraties te verwerken kregen!3 De implicatie, die deze captatio benevolentiae in haar tegendeel verkeerde, was duidelijk. Alweer moesten de toehoorders een uur op hun tenen lopen om het Latijn te begrijpen - als het hun al lukte. Intussen was zelfs Van Goens niet vrijmoedig genoeg om dan maar op de volkstaal over te gaan. Als docent hield dit vat vol tegenstrijdigheden zich aan de vaste gewoonten.

[p. 34]

Inderdaad mocht er gerede twijfel bestaan of alle aanwezigen de strekking van een betoog in het Latijn wel konden vatten. De zwakke broeders behoefden immers niet alleen onder de buitenstaanders te worden gezocht. Studenten en sommige bezetters van de professorenbanken kwamen evengoed in aanmerking. Niet voor niets waren oraties de eerste universitaire teksten die tevens in Nederlandse vertaling uitkwamen. Ook werden taalgebruik en zinsconstructie van de Latijnse teksten in de loop der tijden eenvoudiger. Was dat slechts de overgang van een barokke naar een klassieke stijl, of misschien ook vriendelijke aanpassing van de spreker aan zijn gehoor of lag het toch aan een teruggang in eigen vaardigheid?

Renaissance en Reformatie hadden met hun aandacht voor de volkstalen de unieke positie van het Latijn in de kerk en in de geleerde wereld slechts in beperkte mate aangetast. Dit medium van de bronnen van de antieke wetenschap bleef de toegangspoort tot alle wijsheid. En ofschoon met de toevoeging van Grieks en Hebreeuws aan het universitaire curriculum een verschil tussen passieve en actieve beheersing van een taal werd geïnstitutionaliseerd, zou dit onderscheid voor het Latijn de eerste eeuwen niet worden gemaakt. Integendeel, de respublica literaria handhaafde het, gezuiverd van scholastieke insluipselen, als internationaal communicatiemiddel.4

Hoewel aan de Latijnse scholen en de universiteiten het Latijn in beginsel de algemene voertaal was, bestonden er wel uitzonderingen die de oorsprong van steeds wijder gapende breuklijnen zouden worden. In de eerste plaats zag men een relatie tussen de behandelde stof en de taal. Zowel het begrip als de overdracht van onderwerpen waarvan de bronnen uit de oudheid stamden, vergden beheersing van het klassieke Latijn. Dit gold dus niet alleen de artes, maar ook theologie, rechten en medicijnen, kortom het hele toenmalige universitaire onderwijs. Maar in een publikatie over heden en verleden van het eigen volk, dus op grond van in de landstaal gestelde bronnen, mocht deze worden gebruikt. Een verhandeling over de Hollandse rechtsgeleerdheid, hoe wetenschappelijk van strekking ook, kon daarom in het Nederlands verschijnen.5

Bovendien ontwikkelde zich aan de periferie van de universiteit een zuiver functioneel gebruik van het Nederlands. Ten behoeve van militaire ingenieurs en landmeters werd in Leiden al vroeg in de zeventiende eeuw de Duitse Mathematicque opgericht, die aan deze niet-latinisten in het Nederlands de exacte vakken onderwees. Dit voorbeeld werd op den duur aan andere universiteiten nagevolgd, al werd maar mondjesmaat van

[p. 35]

het Latijn afgeweken en liet men de betrokkenen goed voelen dat zij geen standgenoten waren.6

Een derde scheur in het gebouw van de Latijnse wetenschap werd veroorzaakt door de professoren persoonlijk. Al in de tweede helft van de achttiende eeuw namen de Nederlandstalige brieven in hun correspondenties hand over hand toe, zelfs als het vakgenoten onderling betrof. Er zijn aanwijzingen dat het in hun dagelijkse gesprekken met medegeleerden al niet anders ging. Het privé-leven begon steeds dieper binnen te dringen in de publieke persoonlijkheid van de geleerde.

In dit verband rijst de vraag of het Latijn werkelijk het internationale paspoort was waarvoor de respublica literaria het hield. Wat betreft de geschreven taal in de zeventiende en de achttiende eeuw luidt het antwoord positief. De internationale doelgroep van de in Nederland verschijnende universitaire en geleerde boeken was blijkbaar het Latijn voldoende machtig, aangezien auteurs en uitgevers zich daarvan vaak bleven bedienen. Naast de Acta Eruditorum uit Leipzig7 stonden Nederlandse tijdschriften zoals de Miscellaneae Observationes van Jean Philippe d'Orville en Petrus Burman en de Bibliotheca Critica van Daniël Wyttenbach. Deze periodieken zouden zeker een kleiner verspreidingsgebied hebben gehad als ze in het Duits of Engels waren gesteld. Het Frans, op zich een goede mogelijkheid, was bij uitstek geschikt voor het wat grotere publiek, getuige de produktie van geleerden als Le Clercq en Bayle. Maar de Nederlandse wetenschappelijke wereld, uitgezonderd de theologen die zo nodig op een leger vertalers konden terugvallen, liet zich naar verhouding weinig met popularisering in, zodat het nauwelijks noodzakelijk was het Latijn los te laten. Een blad als de Boekzaal der Geleerde Waereld liet zich hier te lande vanwege de taal onmiddellijk als hopeloos provinciaal kennen.

Was het Latijn in geschrifte vrijwel universeel toepasbaar, als spreektaal borg het toch wat moeilijkheden in zich. De uitspraak liep in de grote cultuurlanden tamelijk sterk uiteen. Met name de Engelsen veroorzaakten en ondervonden problemen met de verstaanbaarheid. Toch kan in het algemeen worden gesteld dat, waar een vaste wil aanwezig was, ook actief gebruik van het Latijn heel zinvol was. De universiteiten van de Republiek hadden nooit onderwijs kunnen bieden aan de vele Duitsers, Schotten en Hongaren, als Nederlands of Frans de voertaal was geweest. Zelfs buiten de geleerde wereld leverde het Latijn aanvankelijk nog voordelen op voor vertegenwoordigers van kleine taalgebieden. Ambassadeurs van landen als Zweden, Polen, Denemarken en Transsylvanië bedienden zich bij

[p. 36]

hun overleg met de Staten-Generaal nog lange tijd van het Latijn.

Het is duidelijk dat in de achttiende eeuw de actieve beheersing van het Latijn internationaal nog veel sneller afbrokkelde dan de passieve. De Verlichte wetenschap bediende zich principieel van de landstalen, ten behoeve van allen die zich wilden laten beschaven. Zodoende nam ook de wendbaarheid van het Latijn als taal van wetenschap nog verder af, nadat de Renaissance het scholastieke ‘jargon’ al had proberen te vervangen door Ciceroniaans Latijn. Op den duur werd de kloof tussen nieuwe terminologie en latiniteit, de worsteling om helderheid gepaard aan schoonheid, ook in het universitaire onderwijs te groot.

Al met al werd de functie van het Latijn als geleerd paspoort steeds verder beperkt. Tegelijkertijd nam, mede om uiteenlopende andere redenen, het internationale studentenverkeer af. Nederland alleen kon dergelijke ontwikkelingen sturen noch tot staan brengen. Op den duur zou een bewuste keuze voor hetzij Latijn, Nederlands of Frans onvermijdelijk worden. Het was echter moeilijk om een dergelijke stap te zetten, omdat de infrastructuur volledig was toegesneden op het Latijn. Dit vak was immers een waar koekoeksei in de opleiding. De stadsscholen wijdden er het grootste deel van het officiële lessenpakket aan.8 Actieve beheersing van een vreemde taal op universitair niveau vereist nu eenmaal langdurige en intensieve oefening. Intussen breidde het officieuze curriculum van bijlessen zich gestaag uit, vooral ten gunste van leerlingen met beter gesitueerde ouders.

De bovenlaag kreeg in de achttiende eeuw ook meer in het algemeen te maken met een steeds grotere verscheidenheid in opleidingen. De Latijnse scholen en de universiteiten werden opties, waarvan men eclectisch gebruik maakte.9 Vooral aan de universiteiten ging dat gemakkelijk, omdat verschillende categorieën studenten eigen wegen konden volgen bij gebrek aan een voorgeschreven curriculum. Kennis van het Latijn werd voor sommigen nu minder belangrijk. Alleen voor studenten die belang stelden in wetenschap als zodanig, trad in dit opzicht geen verandering op. Wel was hun opleiding intussen langduriger en zwaarder geworden omdat de Franse school zich had genesteld tussen het matressenschooltje en de Latijnse school.

Het Latijn bleef in de middelbare regionen dus veel tijd en aandacht vragen van de leerling die zich op de wetenschap wilde voorbereiden. Maar daarmee was de kous niet af. De colleges over Latijnse taal en stijl bleken in de Utrechtse artesfaculteit, de enige waarvan wat cijfers voor-

[p. 37]

handen zijn, buitengewoon trouw te worden bezocht.10 De serieuze werkers kwamen blijkbaar al snel tot de ontdekking dat hun vooropleiding ondanks alles ontoereikend was om de colleges met vrucht te volgen of medestudenten van katoen te geven in een dispuut. Want het Latijn bleef een geduchte barrière, zelfs voor de welwillende student.

Toch kan men zich afvragen of deze barrière bestond uit een stevige muur dan wel uit een opgetuigde stapel losse blokken. Op niet-classici maakt Latijn als universitaire taal altijd een zekere indruk. Maar het feit dat neolatinisten zich tegenwoordig liever vastklampen aan de vroege zeventiende eeuw of, bij uitzondering, aan de Latijnse dichters van de achttiende, moet te denken geven. In werkelijkheid herinnerden zowel zinsconstructie als woordgebruik van de meeste academici steeds sterker aan die van de moderne talen.

Er zijn natuurlijk veel fraai uitgewerkte collegedictaten bewaard gebleven. Het daarin toegepaste ingewikkelde, maar efficiënte afkortingensysteem11 getuigt niet alleen van een behoorlijke kennis van het Latijn, maar ook van een consensus omtrent de weergave. Deze dictaten bewijzen dat een deel van de studenten goed was opgewassen tegen de eisen die het Latijnse onderwijs stelde. Maar over de rest kan op basis hiervan geen oordeel worden geveld. Wat aan dictaten tot ons is gekomen, stamt veelal uit de nalatenschappen van studenten die in hun latere leven grote wetenschappelijke belangstelling bleven tonen. Wie zou immers nog zorg besteden aan - in de woorden van Klikspaan - een ‘dictaat waaraan toch, wegens de menigvuldige hiaten, die veel overeenkomst geven met een geïllumineerd gebouw op een winderige nacht, weinig verbeurd is’?12

De schriftelijke weerslag van het universitaire onderwijs geeft zeker geen volledig beeld van de beheersing van het Latijn. Oraties, handboeken en dictaten konden door de hoogleraar thuis worden opgesteld. Daar zat hij misschien te midden van stapels woordenboeken in stilte peentjes te zweten. Jean le Clercq wist in elk geval te melden dat wie Latijn schreef, de zinnen eerst in de eigen moedertaal uitdacht.13 Met dissertaties was het niet anders. De auteur, dus hetzij de promotor of praeses, hetzij een leverancier of de student zelf, kon eindeloos schaven aan het Latijn.14

Het uur van de waarheid sloeg pas als er voor de vuist weg Latijn moest worden gesproken, bij overhoringen en bij disputen. Daarover weten we weinig, maar de aantekeningen die de later zo befaamde Lodewijk Valckenaer in knullig Latijn maakte voor een dispuut, laten weinig goeds vermoeden.15 Voor de rest moeten we het doen met getuigenissen van

[p. 38]

hoogleraren, bestuurders en scribenten van het bezorgde slag. De tamelijk veelvuldige klachten zijn verspreid over een lange periode, zodat men er naar gelang het eigen temperament een gemeenplaats of een echte wantoestand in kan zien. Bovendien moet rekening worden gehouden met zelfgenoegzaamheid bij de klagers. Terugblikkend schreef de Leidse faculteit van de wis- en natuurkunde in 1828: ‘De stijl der mathematici, die vroeger in het Latijn schreven, is dikwijls zoo barbaarsch en de schrijfwijzen loopen zoo uiteen, dat iemand, die aan goeden latijnschen stijl gewoon is, met moeite dezelve leest.’16

De waarheid over de beheersing van het Latijn ligt waarschijnlijk ergens in het midden. De meerderheid van de docenten kon met het Latijn voldoende overweg, al was fraai en slagvaardig taalgebruik voorbehouden aan de taalkundig begaafden. Maar zelfs een groot voorvechter van het Latijn als Philip Willem van Heusde, die er geen merkbare moeite mee had, bekende in zijn jeugdjaren aan een vriend dat ‘eenvouwig Hollands’ hem het best afging.17

Onder de studenten bracht het Latijn een scherpere scheiding teweeg. De intelligentste en meest toegewijde leerlingen, die een welomlijnd doel voor ogen hadden, kregen voldoende mogelijkheden om zich deze taal op het gewenste niveau eigen te maken. Maar voor de grote hoop was de drempel in intellectueel of in praktisch opzicht te hoog. De ruime vrijheid aan de universiteiten van het ancien régime liet beide groepen toe, daar toch iets van hun gading te vinden. In de negentiende eeuw echter zou de scheiding tussen de schapen en de bokken, en dan zowel sociaal als intellectueel, tot een prijzenswaardige politiek worden verheven. De Utrechtse senaat noemde het Latijn openlijk een ‘heilzame slagboom [...] welke ongeschikte jongelingen uit de mindere standen’ weerhoudt.18

Intussen had dit argument niet de doorslag gegeven bij de officiële handhaving van het Latijn als academietaal na de Franse Revolutie. De overtuiging dat het hier ging om de geleerdentaal bij uitstek, die zo nodig tegen hoge prijs bewaard moest blijven, was hier toch het belangrijkste.19 Het Koninklijk Besluit van 1815 bevestigde, met krachtige steun van de daartoe ingestelde commissie en van de Raad van State, de bestaande toestand. Artikel 66 stelde vast: ‘De taal van welke zich de professoren in de faculteiten, met uitzondering alleen van de hoogleraren in de Nederduitsche letterkunde en de economische wetenschappen, bedienen moeten, blijft bij voortduring en uitsluiting de Latijnsche.’ Curatoren konden eventueel vrijstellingen verlenen.20 Een en ander geschiedde ongetwijfeld

[p. 39]

met bijzondere instemming van Willem i. Zelfs omstreeks 1838 bleek nog dat ‘Z.M. zelve hecht aan het Latijn’.21

De wat korzelige formulering van de wet duidt op vrees voor tegenstand, maar de beslissing als zodanig lag in de lijn der verwachtingen. Het is immers opvallend dat achttiende-eeuwse klagers over de kennis van het Latijn onder de studenten, wel maatregelen ter verbetering voorstelden, maar nooit afschaffing van het gebruik eisten. Politiek had het niet anders gelegen. Ondanks alle gepraat over vaderlandse eenheid in de Nationale Vergadering, opperde niemand de gedachte het Latijn aan de universiteiten te vervangen door het Nederlands. De Franse vertegenwoordigers van de Université Impériale meldden in 1810 terecht dat velen vóór de handhaving van het Latijn waren. Zelf zagen ze daar ook wel wat in, omdat deze taal toch meer op Frans leek dan het Hollands.22 Het zal geen argument zijn geweest dat door leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde werd gebruikt. Toch deden ook zij geen aanval op de hegemonie van het Latijn aan de universiteiten.

De wetenschappelijke en de politieke wil om het Latijn te handhaven, ging gepaard met reële inspanningen om het onderwijs aan de Latijnse scholen te verbeteren. In feite vergde juist de internationale taal van de geleerde stand hoge investeringen, in een tijd dat nieuwe wetenschappen ontstonden en oude weggroeiden van de humanistische bron. In 1828, toen de koning onder druk van de omstandigheden een staatscommissie instelde om advies uit te brengen over het hoger onderwijs, bleek in de daarop volgende discussie de positie van het Latijn in het Noorden nog steeds tamelijk stevig te zijn. Ruwweg wilden de universiteiten daar het Latijn als regel en het Nederlands als uitzondering blijven zien. De curatoren van de Utrechtse universiteit, die op het meest vooruitstrevende taalbeleid konden bogen, verhulden hun mening in zeer voorzichtige bewoordingen. Het feit dat de Nederlanders van het Zuiden over het algemeen liever de moedertalen zagen ingevoerd, heeft ongetwijfeld in het Noorden op dit punt tot halsstarrigheid geleid. Het Latijn kreeg er een pseudo-‘nationaal’ tintje door.23

Ondanks de schijnbare stelligheid borg het Koninklijk Besluit van 1815 de kernoorzaken van de afbrokkeling van het Latijn in zich. Bij de wet op het Hoger Onderwijs van 1876 zouden deze uiteindelijk tot formele afschaffing leiden. In de eerste plaats kon de aloude associatie tussen taal en stof zich, gezien de onafwendbare ontwikkeling en uitbreiding van de wetenschappen, nu binnen de universiteit tegen het Latijn keren. De ui-

[p. 40]

terst conservatieve Groningse senaat mocht dan in 1828 wel stellen, dat Nederlands alleen kon worden toegestaan als ‘het onderwerp of de bronnen’ dat vereisten, maar anderen meenden dat een hele reeks vakken in de verschillende faculteiten juist aan dat criterium voldeed. Vooral onder de juristen ontstond op dit punt flinke commotie, omdat het vigerende recht in de moderne talen was verwoord. De moeilijkheden noopten de oude vos Hendrik Tydeman zelfs om voor te stellen op de colleges in het Latijn te dicteren en uitleg te geven in het Nederlands. Volgens zijn collega Thorbecke voegde hij ook de daad bij het woord, door zijn lessen pro forma in het Latijn te beginnen en vervolgens over te gaan op de moedertaal.24 Langzaam raakte zo, met bestuurlijke oogluiking en professorale handigheid, het gebruik van het Latijn uitgehold. De laatste bolwerken waren de colleges over de klassieke oudheid en over het Romeinse recht, die ontegenzeglijk moesten teruggaan op in die taal gestelde bronnen.

Een tweede oorzaak voor de achteruitgang van het Latijn als communicatiemiddel was verlies aan internationaal prestige. De wereldwijde wetenschapsbeoefening vond plaats in de moderne talen. Vanzelfsprekend pasten de infrastructuur en de uitgeverij zich hieraan langzaam maar zeker aan. Persoonlijk moesten geleerden behalve het Frans ook het Duits en in toenemende mate het Engels in elk geval passief beheersen om bij te blijven of eigen ontdekkingen op de juiste wijze wereldkundig te maken. Voor het laatste konden vertalingen natuurlijk uitkomst bieden. De spraakverwarring van de geleerden - de notie is ontleend aan Groen van Prinsterer25 - was begonnen.

Het streven om te ontkomen aan het dilemma tussen internationale verstaanbaarheid en creatieve uitdrukkingsvaardigheid in de moedertaal, had van de Nederlandse universitaire gemeenschappen veel krachten geeist. De moeilijkheden die het gebruik van een vreemde, snel aan levensvatbaarheid inboetende taal met zich meebracht, uitten zich in het krampachtig vasthouden aan het dicteren en in een even schadelijke oppervlakkigheid bij responsies en examens. Mede hierdoor ging de snelle en definitieve achteruitgang van het universitaire dispuut hier te lande niet gepaard met de opkomst van de Seminare of tutorials en essays, zoals in Duitsland en Engeland. Ook bevestigde het Latijn gewild en ongewild het elitaire karakter van het hoger onderwijs. Van de deelnemers werd bovendien een, voor de meesten nodeloze, krachtsinspanning verwacht ter wille van een internationale status van onderzoek en onderwijs die geleidelijk tot een fantoom werd.

[p. 41]

Het internationale karakter van de Nederlandse universiteiten is immers zo lang als het breed is. Al omstreeks 1770 schreef Van Goens: ‘Onze zieken gaan na Aken [...], Onze leeglopers en verkwisters na Brussel of na Parijs, Onze geleerden nergens.’26 Ook toen al ontbraken te vaak tijd, gelegenheid en geld om contacten te leggen. In de zeventiende eeuw, toen de mobiliteit onder geleerden groter was, stroomden ook de buitenlandse studenten naar Nederland toe. Maar in de achttiende eeuw nam dat verschijnsel drastisch af, zonder dat van een hopeloze achterstand van de Nederlandse wetenschap kan worden gesproken.

In de negentiende eeuw kon de onverkorte handhaving van een internationaal geachte taal aan de Nederlandse universiteiten de vloek van Babel niet overwinnen. De reikwijdte van het wetenschapsbegrip, de internationale omstandigheden, flexibiliteit en brede talenkennis zijn nu eenmaal belangrijker dan stuntelig standaardgebruik van één universeel geachte taal. Een deugdelijker leidraad om de openheid en de kwaliteit van de Nederlandse wetenschap te bevorderen, is al heel lang geleden kernachtig omschreven, vanzelfsprekend in het Latijn: ‘pecunia nervus rerum’!

1Over de inaugurele oratie vanuit de invalshoek van de rite de passage, cf. W. Th. M. Frijhoff, Cultuur, mentaliteit: illusies van elites?, Nijmegen 1984, p. 1-5.
2P.J. Buijnsters, De betekenis van Rijklof Michaël van Goens, in kb-Centraal. Huisorgaan van de Koninklijke Bibliotheek xvii (1988), p. 9.
3R.M. van Goens, Oratio de incrementis, quae humaniores literae, historiae inprimis et linguae graecae studium, seculo hoc decimo octavo ceperunt, Trajecti ad Rhenum 1766, p. 5, 6.
4Over het belang van de geleerde communicatie in het algemeen: J.A.H.G.M. Bots, Republiek der letteren, ideaal en werkelijkheid, Amsterdam 1977, p. 9.
5H. de Groot, Inleiding tot de Hollandsche rechts-geleertheyd. 's-Gravenhage 1631. Overigens zou dit voorbeeld pas in de latere achttiende eeuw regelmatig navolging krijgen.
6P.J. van Winter, Hoger beroepsonderwijs avant-la-lettre. Bemoeiingen met de vorming van landmeters en ingenieurs bij de Nederlandse universiteiten van de 17e en 18e eeuw. Amsterdam/Oxford/New York 1988, Verhandelingen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, Nieuwe Reeks, deel 137.
7A.H. Laeven, De ‘Acta Eruditorum’ onder redactie van Otto Mencke. De geschiedenis van een internationaal geleerdenperiodiek tussen 1682 en 1707, Amsterdam/Maarssen 1986, p. 43, 44.
8H.W. Fortgens, Schola Latina. Uit het verleden van ons voorbereidend Hoger Onderwijs, Zwolle 1958; E.P. de Booy, Kweekhoven der wijsheid. Basis- en vervolgonderwijs in de steden van de provincie Utrecht van 1580 tot het begin der 19e eeuw, Utrecht 1980; R. Bastiaanse, H. Bots, M. Evers, (red.), ‘Tot meesten nut ende dienst van de jeught’. Een onderzoek naar zeventien Gelderse Latijnse scholen ca. 1580-1815, [Zutphen] 1985.
9W. Frijhoff, Van onderwijs naar opvoedend onderwijs. Ontwikkelingslijnen van opvoeding en onderwijs in Noord-Nederland in de achttiende eeuw, in Werkgroep Achttiende Eeuw: Onderwijs en opvoeding in de achttiende eeuw. Verslag van het Symposium, Doesburg, 1982, Amsterdam/Maarssen, 1983; P. Th. F.M. Boekholt en E.P. de Booy, Geschiedenis van de school in Nederland vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd, Assen/Maastricht 1987. Voor de artesfaculteit en haar relatie tot de vooropleidingen: J. Roelevink, Gedicteerd verleden. Het onderwijs in de algemene geschiedenis aan de universiteit te Utrecht, 1735-1839. Amsterdam/Maarssen 1986.
10J. Roelevink, Utrecht student testimonia in the second half of the eighteenth century, in lias viii (1981), p. 87-124; Roelevink, Gedicteerd verleden, p. 36, 37.
11Roelevink, Gedicteerd verleden, p. 107, 108, afbeelding van een achttiende-eeuws overzicht van de meeste afkortingen met de oplossingen. Het systeem werd tot ver in de negentiende eeuw toegepast.
12[J. Kneppelhout], Studentenleven door Klikspaan (eerste druk Leiden, 1844), Hoofdstuk ii, ‘College’.
13Geciteerd bij A. des Amorie van der Hoeven, De Joanne Clerico et Philippo a Limborch dissertationes duae, i, Amstelodami 1843, p. 141.
14J. Roelevink, ‘Gepromoveerde ezels’. Enkele kanttekeningen bij de origine en de originaliteit van dissertaties en disputaties, in Batavia Academica iv (1986), p. 25-37; M.J.A.M. Ahsmann, Collegia en colleges. Juridisch onderwijs aan de Leidse Universiteit 1575-1630, in het bijzonder het disputeren, Groningen 1990, met name p. 311-323. In dit zeer gedetailleerde proefschrift wordt overigens geen melding gemaakt van moeilijkheden met het Latijn, zodat we wel mogen concluderen dat ze zich in deze vroege periode nog niet voordeden.
15ub Leiden, Handschrift bpl 475, L.C. Valckenaer, Adversaria juvenilia (zie ook Roelevink, Gedicteerd verleden, p. 128).
16Den Haag, Algemeen Rijksarchief, 11e Afd., Archief ministerie van Binnenlandse Zaken, afd. Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen 1815-1848, nr. 4983, Commissie Hoger Onderwijs 1828.
17Voor Van Heusde, Roelevink, Gedicteerd verleden, p. 220. H.C. Gall, Willem Bilderdijk en het privatissimum van Professor D.G. van der Keessel, 's-Gravenhage/Leiden 1986, p. 16, deelt mee dat de casus in het onderwijs steeds vaker in het Nederlands werden behandeld. Aan de algemene boekproduktie van de Leidse juristen valt dit tot in de negentiende eeuw niet af te meten (vergelijk M. Ahsmann en R. Feenstra, Bibliografie van hoogleraren in de rechten aan de Leidse universiteit tot 1811. Amsterdam/Oxford/New York 1984).
18Zie noot 16 en K. Wingelaar, Studeren in Utrecht in de negentiende eeuw in Utrechtse Historische Cahiers x (1989) nr. 1/2, p. 23-32 over het onderwijs en stand.
19A.J. van Duyvendijk, De motivering van de klassieke vorming. Een historisch-paedagogische studie over twee eeuwen, Groningen/Djakarta 1955, gaat nader in op de Nederlandse voorliefde voor een klassieke opleiding.
20Koninklijk Besluit nopens de organisatie van het hooger onderwijs, 2 Augustus 1815, nr. 14 (Den Haag, Algemeen Rijksarchief, 11e afdeling, Staatssecretarie, nr. 127; gedrukt in Nederlandsche Staatscourant, nr. 242 en 243, 12 en 13 oktober 1815 en in Bijvoegsel tot het staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, ii, 1813 (Dordrecht 1817), p. 52-120).
21C.J. van Assen aan J.R. Thorbecke, 16 november 1838, De briefwisseling van J.R. Thorbecke iii, 1836-1840, uitgegeven door G.J. Hooykaas ('s-Gravenhage 1988), p. 231.
22M. Cuvier en M. Noel, Rapport sur les établissemens d'instruction publique en Hollande, et sur les moyens de les réunir à l'Université Impériale, Parijs 1811, p. 182, 183.
23Zie noot 16 en A. de Jonghe, De taalpolitiek van Koning Willem i in de Zuidelijke Nederlanden (1814-1830), Sint-Andries-bij-Brugge 1967, p. 221; verder onder andere M. Siegenbeek, Iets over hoogescholen, de onderwijzers en het onderwijs op dezelve; briefsgewijze voorgesteld, Leiden 1828, p. 28: Latijn is noodzakelijk, Frans daarentegen onnodig; Consideratiën van Prof. Tydeman [H.W. Tydeman] te Leiden, over de punten van overweging betrekkelijk het Academisch Onderwijs, Leiden 1828, p. 11: het Latijn moet worden aangehouden om niet te verfransen.
24C.J. van Assen aan J.R. Thorbecke, 23 oktober 1838, Briefwisseling Thorbecke iii, p. 224.
25J. Zwaan, Groen van Prinsterer en de klassieke oudheid, Amsterdam 1973, p. 440.
26D.J. Volkman, Reis-boek door Italiën vi (Utrecht, 1774), Vervolg van de Voorrede van den Heer*** [R.M. Van Goens], p. vii.
terug  begin  verder