Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1993


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1992-1993. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1994  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 146]

Sonja Fortunette Witstein
Rotterdam 22 mei 1920 - Alphen aan den Rijn 11 juli 1978

Enkele jaren van rampspoed zijn bepalend geweest voor het hele leven van Sonja Witstein. Zij sprak daar niet over, en het was ook pas na haar dood dat het tot mij doordrong wat haar zo beklemd had. De onbeschrijfelijke angst die de joden in Duitsland is aangedaan laat zich niet meer omzetten in vrede en opluchting. Het is een angst die altijd blijft, die het hele leven beheerst.

Maar voor ieder die het heeft meegemaakt betekent deze periode van angst iets anders. Ieder vindt zijn eigen manier om ermee te leven. Bij Sonja Witstein leidde dit tot een scherp besef van de kostbaarheid van het leven, tot respect voor het leven van anderen en mededogen met iedereen in de wereld die in zijn bestaan wordt bedreigd. Maar ook betekende dit besef van de kostbaarheid van het leven dat zij zich vast voornam iedere minuut ervan te benutten. Zij beschouwde ieder ogenblik dat haar na het concentratiekamp nog gegund werd als een geschenk. Dat werd vooral duidelijk tijdens de laatste gesprekken in het ziekenhuis in Alphen aan den Rijn: de moedige manier waarop zij afscheid nam van het leven verbaasde iedereen.

Zij ontwikkelde zich in de loop der jaren tot een gezaghebbend kenner van de Nederlandse renaissance-poëzie, een positie die zij verwierf en behield door middel van een uiterst studieus bestaan, door alle uren van de dag die haar ter beschikking stonden te besteden aan het verwerven of uitdragen van kennis. De term waarmee Constantijn Huygens in zijn zedeprint de professor aanduidt, lijkt wel voor haar geschreven, niet alleen als toespeling op haar naam: een ‘wetsteen van de jeugd’, een leraar die niet alleen feitenkennis doorgeeft, maar bovendien helderheid en inzicht verschaft, noodzakelijk om zelfstandig het onderzoek langs de aangegeven wegen voort te zetten.

Sonja Fortunette Witstein werd op 22 mei 1920 te Rotterdam geboren. Haar vader, een jood, was handelaar, haar moeder bracht haar de eerste belangstelling voor literatuur bij. Zij volgde de middelbare school in Den Haag en later in Amersfoort. Rond 1940 maakte zij deel uit van de ‘Wevers’, een kunstzinnige kring die eens in de twee maanden bijeenkwam in het huis van W. Versfelt te Leusden; enkele brieven van Sonja Witstein aan Louis Tiessen, een der Wevers, getuigen daarvan. Zij las

[p. 147]

hier enkele verhalen voor, en discussieerde over literatuur: zij toonde zich een vereerder van Vestdijk en Gide. Ondergedoken voor de Duitse bezetter schreef zij haar novelle Bekentenis aan Julien Delande, die in 1946, zonder dat zij dat wist of wilde, door Contact gepubliceerd werd.

De deportatie naar Auschwitz maakte een eind aan haar literaire arbeid, maar toen zij terugkwam, schreef zij nog een aantal korte verhalen, waarvan enkele in tijdschriften gepubliceerd zijn. Later sprak zij met een soort meewarigheid over deze publikaties, die zij als onschuldige jeugdzonden beschouwde. Het was niet zo dat zij zich schaamde voor de kille, sadistische atmosfeer die zij in Julien Delande getekend had; zij vond eenvoudig dat haar literaire arbeid de toets der kritiek niet kon doorstaan. Toch kan men constateren dat de heldere stijl die het lezen van haar wetenschappelijke publikaties tot een genoegen maakt, reeds in haar literaire jeugdwerk herkenbaar is. Uit de jaren 1950 tot 1952 stamt een briefwisseling met Anna Blaman naar aanleiding van een door Sonja Witstein geschreven recensie van De kruisvaarder; in het door Aad Meinderts becommentarieerde brievenboek Ik schrijf het je grof-eerlijk (1988) treft men een facsimile van het karakteristieke handschrift van Sonja Witstein aan.

In september 1945 begon zij Nederlandse taal- en letterkunde te studeren. Haar studie in Utrecht was een gelukkige tijd, gelukkiger dan de middelbare school. Een van haar leermeesters, W.A.P. Smit, wist blijvend haar belangstelling te wekken voor de geschiedenis en de historische letterkunde. Zij sloot haar studie op 25 januari 1952 af met scripties over het pastorale spel en over Jacques Perk. Inmiddels was zij, vanaf 1 december 1951, assistente in het vak Nederlandse literatuurgeschiedenis bij Smit. In september 1954 werd zij lerares Nederlands aan het Stedelijk Gymnasium te Utrecht. Twee jaar later, in september 1956, volgde haar aanstelling als wetenschappelijk ambtenaar aan het toen juist opgerichte Instituut De Vooys voor Nederlandse taal- en letterkunde te Utrecht; sedert september 1964 was zij verbonden aan het Instituut voor vergelijkend literatuuronderzoek aldaar, eerst als wetenschappelijk hoofdambtenaar en later als wetenschappelijk hoofdmedewerker. In 1975 volgde zij C.A. Zaalberg op als hoogleraar in de Nederlandse letterkunde tot de romantiek aan de Rijksuniversiteit te Leiden, welke functie thans door F.P. van Oostrom vervuld wordt.

Ook in de periode dat de letterkunde van de renaissance haar belangstelling had, hield zij zich nog actief met de creatieve letterkunde bezig. Zij werkte mee aan het Amsterdams Tijdschrift voor Letterkunde, waarvan

[p. 148]

zij van 1953 tot 1955 met onder anderen J.B.W. Polak en W.J. Simons de redactie voerde. Zij publiceerde nog enkele verhalen in Proloog, Het Woord, Kompas der Nederlandse Letterkunde en Maatstaf. Maar aansluiting bij de toenmalige vooraanstaande schrijvers vond zij niet. Zij voelde zich niet meer ‘thuis in de kunst’, en spoedig werd de beoefening van de historische letterkunde voor haar het belangrijkste.

Een van de eerste vruchten daarvan was een bloemlezing uit de Minnedichten van Jacob Westerbaan (1956). Na enkele boekbesprekingen en artikelen, meestal in De Nieuwe Taalgids, volgden twee korte monografieën, een over Theodoor Rodenburghs Eglentiers poëtens borst-weringh (1964) en een over de verzencommentaar in Het Theatre van Jan van der Noot (1965). In beide gevallen behandelde zij de bronnen en de bewerkingswijze van deze teksten; omdat het om zeer verschillende teksten ging, bracht dit haar tot zeer verschillend bronnenmateriaal: in het geval van Van der Noot ging het om literaire en theologische auteurs, terwijl bij Rodenburgh de retorische theorie een belangrijke rol speelt. Kennis van de bronnen die de auteurs tot hun beschikking hadden, was voor Sonja Witstein geen doel op zich, maar een methode om zich te verplaatsen in hun denkwereld om zo de literaire produkten van binnenuit te begrijpen.

In de jaren zestig groeide bij haar de overtuiging dat kennis van de klassieke retorica zou leiden tot beter inzicht in de literatuur van de zeventiende eeuw. In het onderwijs werd dit antieke systeem immers gehanteerd om de leerlingen te helpen hun gedachten op overtuigende wijze te formuleren; en aangezien de grens tussen retorica en poëtica, hoewel duidelijk te trekken, geen principiële scheiding der disciplines betekende, ligt het voor de hand dat ook dichters bij het zoeken van hun onderwerpen te rade gingen bij de retorische inventio, en vervolgens gebruik maakten van de overtuigingskracht van de retorische argumentatio en van de stilistische verfraaiing van de retorische ornatus.

Bijzonder rijk aan inhoud is het artikel ‘Menanders pleidooi’, dat handelt over Cats' verhaal Twee verkracht en beyde getrout. Sonja Witstein laat zien dat aan de intrige van Cats een retorische schooloefening ten grondslag ligt, namelijk een der Controversiae van Seneca rhetor. Cats heeft dit gegeven zelfstandig uitgewerkt, en zij geeft een zeer verhelderende analyse van een van de redevoeringen die binnen dit verhaal gehouden worden. Zij laat zien hoe Cats zijn personage gebruik laat maken van bekende retorische technieken, met name de inventio en de argumentatio. Bovendien werpt dit artikel een helder licht op de positie van Cats in de moraalfiloso-

[p. 149]

fische opvattingen van zijn tijd: aan de hand van exemplarische verhalen verkondigt Cats een calvinistische variant van de nieuwe matrimoniale opvattingen die door humanistische juristen, theologen en ethici ontwikkeld waren.

Op 10 januari 1969 promoveerde Sonja Witstein bij haar leermeester W.A.P. Smit op een studie over Funeraire poëzie. Dit boek valt uiteen in twee gedeelten: een inleiding over de theorie betreffende het genre en een analyse van enkele funeraire gedichten van Hooft, Heinsius, Huygens en Vondel. Het eerste deel is een breed opgezette studie waarin het belang van de retorica voor de dichtkunst gedemonstreerd wordt. Om deze theorie in het juiste kader te plaatsen worden de begrippen inventio en imitatio uitvoerig besproken. Vervolgens behandelt Sonja Witstein begrippen uit de poëtica die zeventiende-eeuwse dichters gebruikt kunnen hebben bij het schrijven van gelegenheidsgedichten naar aanleiding van sterfgevallen. Daarmee creëert zij een terminologisch apparaat, dat in het tweede deel van het boek, bij de individuele interpretaties van enkele specimina van het genre, goede diensten zal bewijzen. De verschillende dichters blijken met grote zorg en kiesheid steeds die facetten van de funeraire poëzie te kiezen die bij de persoon van de overledene en de omstandigheden van diens sterven gepast zijn.

In 1972 verscheen haar artikel ‘Aandacht voor de Aenleidinge’, waarin de opbouw van Vondels poëtica behandeld wordt. De structuur van deze beroemde tekst is allerminst eenduidig en wordt in verschillende studies steeds anders beoordeeld. Sonja Witstein laat zien dat Vondel achtereenvolgens spreekt over de dichter, de dichtkunst en de waarde van de poëzie; deze indeling brengt zij in verband met de structuur van de retorische thesis en met de retorische statusleer.

In 1975 publiceerde zij haar boekje over Bredero's Ridder Rodderick. Zij behandelt de ethische instructie in dit drama en de gevolgen hiervan voor de analyse van de tragische wending in het spel. Zodoende komt zij tot een nieuwe, zinvolle duiding van Bredero's bedoeling, namelijk het tonen van de wisselvalligheid van de fortuin en de al dan niet gewenste reacties van de mensen daarop. Een jaar eerder had zij een artikel gepubliceerd over een ander toneelstuk waarin Bredero stof uit de ridderroman Palmerijn van Olijve had bewerkt, de Stommen Ridder. De toeschouwers van deze stukken, vertrouwd als ze waren met het contemporaine waardensysteem, werden door beschouwelijke passages geconditioneerd om de uitgebeelde handeling op de juiste wijze te interpreteren.

[p. 150]

Haar artikel over Huydecopers Achilles, een Frans-klassieke tragedie die door velen als model-tragedie beschouwd is, maar een voor zijn tijd verouderde structuur blijkt te hebben, biedt eveneens een fraai voorbeeld van het samengaan van bronnenstudie en structuuranalyse, verbonden door inzicht in de literaire theorie van die dagen. Om zijn stof, die immers afkomstig is uit het homerische epos, om te smeden tot een tragedie die voldoet aan de contemporaine eisen van volkomenheid en eenheid van de handeling en uitbeelding van hartstochten (met name liefde en eer), moest Huydecoper de intrige danig vervormen. Hij is er niet in geslaagd zijn toneelstuk de interne kracht en spanning te geven die de literaire theorie in feite van hem vergde.

Hoezeer zij ook door haar historische vak in beslag werd genomen, Sonja Witstein heeft altijd grote belangstelling gehouden voor de moderne letterkunde en de hedendaagse kunst in het algemeen. Haar modern ingerichte woning vormde een merkwaardig contrast met haar geverseerdheid in zeventiende-eeuwse materie. Zij bewonderde in de moderne literatuur lang niet alles, maar zij vond het van belang de nieuwste ontwikkelingen kritisch te volgen.

Haar belangrijkste bijdrage aan haar vak was de nieuwe studie van de retorica. Zij was niet de eerste in Nederland die op het belang van deze discipline voor de dichtkunst wees, maar door haar diepgaande kennis van het retorische systeem, die zij op zeer verschillende literaire produkten toepaste, gaf zij aan dat zeventiende-eeuwse teksten begrijpen zonder kennis van het systeem der antieke retorica, geïntegreerd in kennis van het theologisch, ethisch en historisch kader, in feite niet mogelijk is. Dat thans aan de Universiteit van Amsterdam, in de persoon van M. Spies, een hoogleraar in de geschiedenis van de retorica aangesteld is, mag gezien worden als een resultaat van de werkzaamheden en als vervulling van een hartewens van Sonja Witstein. Kort na haar overlijden zijn haar belangrijkste artikelen gebundeld onder de titel Een Wetsteen voor de Ieught, met een inleidend essay van haar Amsterdamse collega E.K. Grootes.

Sonja Witstein is nog geen drie jaar als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Leiden verbonden geweest. In die korte tijd heeft zij veel tot stand gebracht. Zij was plichtsgetrouw en bezeten door haar werk. Toch is de periode van het hoogleraarschap voorhaar geen gelukkige tijd geweest: de naar haar idee slechte bibliotheekvoorzieningen, de talrijke vergaderingen over zaken die haar niet werkelijk interesseerden en het politieke netwerk dat plannen slechts langzaam tot uitvoering deed brengen, hebben

[p. 151]

haar heftig geïrriteerd. Hoewel de tijd te kort was om meer dan enkele studenten op te leiden, heeft zij op haar vakgroep een blijvende invloed uitgeoefend.

Na betrekkelijk kort, maar hevig ziek te zijn geweest, overleed Sonja Witstein op 11 juli 1978 te Alphen aan den Rijn.

 

ton harmsen