Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1995


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1994-1995. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1996  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 141]

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs
Dankwoord door Peter Ghyssaert

Dames en heren,

 

De Maastrichtse dichter Pierre Kemp, met wie ik de liefde voor de klassieke muziek deel, heeft ooit geschreven, terugblikkend op zijn gedichten: ‘Lees straks mijn verzen maar [...] is dat niet alles of ik over harpen liep, toen ik mijn weg zocht naar het Eeuwige Rijk?’ Hij beschouwde zichzelf een beetje als een verloren componist en zijn poëzie als een - weliswaar hoogwaardig - surrogaat voor wat hij niet in muziek tot uitdrukking had kunnen brengen.

Als dichter en uitvoerend musicus bevind ik mij in een ietwat comfortabeler verhouding tot de beide kunsten dan Pierre Kemp: muziek en poëzie zijn in mijn leven in gelijke mate aanwezig, maar, zoals de lichten schaduwzijde van een planeet, zijn zij tegelijk onafscheidelijk en toch strikt van elkaar gescheiden. Als de ene helft in de schemering wegdraait, ontwaakt de andere helft. En andersom. Als musicus ben ik wat men noemt een ‘sociaal’ wezen: ik maak muziek die in de vorm van applaus uit de mij bekende omgeving van de concertzaal naar mij terugkomt. Om te kunnen schrijven moet ik mij afzonderen en een stilte maken waarin de woorden op mij toekomen, vervreemd van al de hun door de conventie opgelegde betekenissen. Dan lijkt het of de taal zelf als een onbekend landschap voor mij openstaat. En zo zijn klank en stilte, muziek en poëzie, in evenwicht en heerst er tussen beide samenhang en onafhankelijkheid.

Maar die onafhankelijkheid, dat betekent natuurlijk ook dat het ‘onderwerp’ eigenlijk van geen belang is in de poëzie. Een compositie heeft uitsluitend de muziek tot onderwerp; een gedicht de taal en de woorden, of die nu uit een muzieklexicon komen of niet. Zo gaat het ook in mijn andere gedichten niet over ‘de natuur’, ‘de psychologie’, ‘de moeder’ of ‘het verval’, maar dienen al deze onderwerpen de taal, het ritme en de onverwachte, nieuwe connotaties die tussen de woorden ontstaan, waarbij het natuurlijk onvermijdelijk is dat er ook een visie op de natuur, de moeder, het verval en de psychologie te voorschijn komt. Maar het is een visie die door de taal wordt gemanipuleerd en, uiteindelijk, gecontroleerd.

En zo is het als dichter uitsluitend mijn taak u te bezweren en u met

[p. 142]

nieuwe formuleringen ijskristallen in de longen en mosterd in de neus te bezorgen en dient u zich, als lezer, enkel om deze toverformules te bekommeren en niet om thematische abstracta, ‘ouderwetse’ of ‘moderne’ onderwerpen; de aan- of afwezigheid in de poëzie van modieuze of onmodieuze woorden.

Ik wil u, tot slot, een gedicht voorlezen. Het schrijven van gedichten is een proces waarbij elk gedicht langzaam aan zijn dichter schrijft, tot deze uiteindelijk in zijn volledigheid voor het publiek staat en het onderscheid tussen schrijver en werk is opgeheven. in mijn eerste bundels ontbrak een dichterlijk ‘ik’. Dat wil zeggen ‘ik’ was niet meer dan een oog, een lens waardoor de lezer in het landschap van de gedichten kon binnendringen. In Sneeuwboekhouding, mijn laatste bundel, is die ‘ik’ wel te voorschijn gekomen. In het laatste gedicht van de bundel, ‘Opdracht’, staat hij voor zijn publiek, maar hoeveel er precies van de dichter zichtbaar is door de woorden heen, en in hoeverre dichter en publiek tegen elkaar uitgespeeld worden, dat moeten lezers en toehoorders zelf maar uitmaken.

Opdracht
 
Ziehier mijn zoveelste gedicht, een opus dinges
 
aan u opgedragen, lievelingspubliek;
 
voor u zal ik al stotterend vervagen
 
en verdwijnen met mijn schrijfsels
 
in uw rooskleurig verschiet.
 
Wanneer ik in mijn brave baard
 
hier flemend vóór uw leven sta te zingen
 
vraag ik toch om aandacht, die u hebt
 
als andere mooie dingen; al wat ik ontbeer
 
schrijf ik in mijn gedicht als op een lijst.
 
Dat u daarmee naar vrijdagmarkten ging
 
en liefde voor mij kocht, en schoonheid, als
 
nog op te poetsen lampekappen; mooier
 
zong ik dan: van uw liefdadigheid.
 
Want ik ben dichter, man met kruimels
 
in zijn zak; ik rammel zacht als men mij schudt,
 
mijn kleingeld zelfs is van een nietig plan verschoond
 
en ik ben tam tot uw bevel
 
mij met de helderheid als van
[p. 143]
 
een kolonel onder de teugel neemt.
 
Ik ben uw vriend, ik hoef u niet tot luisteren
 
naar wat u zelf het meeste streelt
 
te overreden. Zie, al mijn gedachten
 
vormen langzaam aan een kaart
 
waarmee u overweg kunt, moeiteloos.
 
Maar nog ben ik niet klaar. Ik ben
 
ook graag onder de indruk van
 
de weerberichten in uw kamers en
 
uw huidig wereldbeeld - ik weet
 
dat edelstenen met een fout facet
 
ook schitteren; dat kwarts betovert
 
als men het wild in het licht ronddraait.
 
En is uw tijd zelf niet verlicht - domein
 
waarin uw huisraad fluisterend verslijt,
 
maar u mij, zonder aarzelen, bij de hand neemt
 
en mij leidt?
 
Ik zou wel ùw gedichten willen lezen
 
in het woordenboek, maar kan de bladzijden
 
maar niet onthouden, ook de volgorde
 
der woorden niet, al zit u dagenlang
 
's middags uw ochtenden, 's avonds
 
uw middagen te redigeren; helpen
 
kan ik daarbij niet, u bent subliem
 
en ik ken slechts een enkel mooi moment
 
al is mijn haar niet altijd goed gekamd.
 
Ik hoop maar dat u hierbij, als mijn dichters
 
wel het ene, niet het andere
 
goedkeurend in uw schriften zult noteren.