terug  begin  verder
[p. 145]

Juryadviezen en toespraken

[p. 147]

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1997
Rapport van de Commissie voor schone letteren

Piet Gerbrandy is een bijna veertigjarige classicus, woonachtig in Winterswijk, dus in de buurt van Staring en Komrij, die met Weloverwogen en onopgemerkt een stevige, voldragen eersteling op de wereld heeft gezet. ‘Goedgehumeurd lulkoek vertrappend honderd willen worden,’ schrijft hij daarin ergens. Dat zij hem gegund, want dan hebben we nog lang plezier van hem.

De dichter stelt zich in zijn debuut op het standpunt, lijkt wel, dat het voor wie de mens en zijn zinledig getob, ten plattelande of in de stad, beziet, niet altijd eenvoudig is om niet in een sardonische lach uit te barsten. Gerbrandy wil daar ook doorgaans liever niet in slagen, maar in de laatste gedichten van elk van de drie afdelingen waaruit de bundel bestaat, plaatst hij de voorafgaande, waarin met dik hout wordt gefiguurzaagd, bekwaam en wijs in een Prediker-achtig perspectief en dat maakt veel goed. Het moge dan zo zijn dat men in de stad van de mens

 
[...] woont in rot beton en hoest
 
en wie niet horen wil zal nooit meer horen,

en dat het in Ratum (Achterhoek) niet echt beter is:

 
Waar koeien gras vertrappen
 
fietst er, een dochtertje
 
raaskallend op het stuur,
 
de avond tegemoet.
 
 
 
Grazen manke auto's,
 
loeit een claxon schor.
 
 
 
[...]

maar de dichter laat deze dingen gebeuren in de troostvolle wetenschap dat alles in het licht van de eeuwigheid uiteindelijk toch neerkomt ‘op niet, nog niet, niet meer’.

Voor het overige wordt Gerbrandy's poëzie gekenmerkt door een even

[p. 148]

opgewekte als trefzekere ongegeneerdheid in het verwoorden van zijn vrolijke weerzin tegen dit leven op aarde, vroeger en nu. Daarbij valt op dat hij het adjectief, in de hedendaagse poëzie nogal verguisd, in ere probeert te herstellen. Niet alleen het nieuw-gevormde, zoals ‘lekbandig’ en ‘prikkeldraden’, maar zeker ook het archaïsche. We moeten tot Karel van de Woestijne en Geerten Gossaert teruggaan om een dichter zonder al te veel ironie van fulpen lepels (van een haas) en reeuwse, dat is een lijklucht verspreidende, gevaarten (in dit geval dames) te horen spreken. Het gedicht ‘Feest’, waarin die ‘reeuwse [...] gevaarten’ figureren, is een goed voorbeeld van Gerbrandy's stijl (beknopte bijzinnen, archaïsmen) en Baudelaire-in-de-Achterhoek-achtige thematiek:

 
Dorstende blik op de smijdige
 
flanken van reeuwse room morsende
 
hemels gekapte gevaarten,
 
 
 
informeer ik beleefd naar hun hobbies,
 
net iets te goed articulerend.
 
 
 
Dan bral ik mijn been moet
 
eraf, hoort u wel, het is rot en
 
uw borst ook, uw
 
 
 
harige borsten van vlees.

Als je probeert het raadsel van Gerbrandy's weloverwogen en woedende arbeid op te lossen - wat wil hij nou eigenlijk? -, dan kom je, lijkt ons, uit bij de tegenhanger van de eerder geciteerde uitspraak ‘Goedgehumeurd lulkoek vertrappend honderd willen worden’, te weten bij:

 
Droom van een slapen zonder droom,
 
klank zonder woord, volmaakt
 
ontstentenis.

Bij niets minder dan de dood dus, zoals het een romanticus betaamt.

 
In zijn eerste gedicht plaatst de dichter
[p. 149]
 
[...] tussen u
 
en mij een withete stalen plaat
 
waarop wij spugen voor gezelligheid.

Hij maakt het ons daarmee wel erg gemakkelijk. Welnu, het gesis dat van dat gespuug het gevolg is, behoort inderdaad niet onopgemerkt te blijven. De Commissie draag Piet Gerbrandy dan ook graag voor als laureaat van de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1997.

 

De Commissie voor schone letteren
Hugo Brems
Kester Freriks
Anton Korteweg (voorzitter)
Rudi van der Paardt

 

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft in zijn vergadering van 17 maart 1997 besloten de voordracht van de Commissie te volgen en de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 1997 toe te kennen aan Piet Gerbrandy.

terug  begin  verder