Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1998


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1997-1998. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1999  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

Verhandelingen

[p. 3]

De Noortsche Nachtegael van Vondel
Jaarrede door de voorzitter, Dr. E.K. Grootes

Tot het bezit van de Bibliotheca Thysiana, hier vlak om de hoek op het Rapenburg, behoort een planodruk met een gedicht onder de titel ‘De Noortsche Nachtegael’. Als het om een negentiende-eeuws geschrift zou gaan, zou achter deze titel een romantische natuurimpressie kunnen schuilen. We zitten echter met deze tekst midden in de zeventiende eeuw, en bij lezing ontvouwt zich dan ook iets dat daar ver van afwijkt. De plano draagt het jaartal 1659, maar er staat geen ondertekening op; uit andere uitgaven blijkt echter zonneklaar dat we met werk van Vondel te maken hebben.1

Bij een eerste onvoorbereide lezing worden we geconfronteerd met een reeks merkwaardige mededelingen, die deels niet anders dan uiterst cryptisch genoemd kunnen worden. Ik citeer de tekst hier naar het genoemde exemplaar van de planodruk.2

De Noortsche Nachtegael
Op de wijze van Arent Pieter Gijzen etc.
 
Het keelgat was gevangen.
 
De hangman met de bast
 
Stont reê de keel te hangen.
 
Zy had te veel gebrast.
5
Meester hengker maeckte vast
 
Den strop gereet.
 
Toen brack haer 't zweet
 
Dootzweet uit, van angst en last.
 
 
 
De hangman sprak: nu prevel
10
Voor 't leste noch een woort.
 
Het keelgat kreet gans krevel,
 
Och meester, spaer uw koort.
 
Meester, vaer zoo ras niet voort.
 
Och, schel my quijt
 
Een luttel tijt,
 
Eer de strop den aessem smoort.
 
 
[p. 4]
 
De keel riep 't lichaem t'zamen,
 
Beval het woort de maegh,
 
Die riet haer, zegh geen amen,
20
Eer ick het ommevraegh.
 
Is de scherreprechter graêgh,
 
Hy wachte een wijl:
 
Dat's hier de stijl,
 
Eer men hem voor recht beklaegh.
 
 
25
De maegh, om rouw te stelpen,
 
Beriet zich met de leên,
 
Of 't lijf de keel zou helpen,
 
En spaeren voor 't gemeen:
 
Want haer docht het was wel reên
30
Dat lijf en ziel
 
De keel behiel,
 
Zoo gedienstigh voor elck een.
 
 
 
Laet gy de keel ophanghen,
 
Wat zal de maegh, uw kock
35
En keuckenmaeght, ontfangen,
 
Wanneer de hongerklock
 
Brant en moort klept even drock?
 
Och, spaer de keel.
 
Zy schaft u meel,
40
Als gy bedelt om den brock.
 
 
 
Waer blijven d'ingewanden,
 
De buick, wanneer ick vast?
 
Al malen kies en tanden
 
Wat op den acker wast,
45
Zoo de beul de keel verrast,
 
En 't keelgat sluit,
 
Al 't lijf heeft uit,
 
Long noch lever gaen te gast.
 
 
 
Waertoe brengt u de duivel?
50
Zijn al de leden dwaes?
[p. 5]
 
De maegh hoeft meer dan zuivel,
 
En boter, melck, en kaes.
 
Kaes en broot is 't edel aes,
 
Daer jongk en out
55
Het lijf by houdt.
 
Scheit dan vry uit dit geraes.
 
 
 
Elck merckt dat hier gevaer is.
 
Men hoorde elcx stem in 't ront,
 
En gaf den pensenaris
60
Van 't lijf, den vryen mont,
 
Last dat hy de keel terstont
 
Van strop en tou
 
Verlossen zou,
 
Eer zich 't lijf verlegen vont,
 
 
65
Dat by gebreck van handen,
 
Verboden weêr te biên,
 
De mont zijn kopre tanden
 
Eens fel zou laeten zien,
 
Eer hy 't halsrecht liet geschiên:
70
Want vint de beul
 
By 't recht geen heul,
 
Hy zal zelf de galge ontvliên.
 
 
 
Dit wert voor 's konings kroeghjes
 
Gezongen in de Sont,
75
Toen 't nachtegaeltje vroeghjes,
 
En in den morgenstont,
 
Al den voglezang in 't ront,
 
Voor dagh voor douw,
 
Ontvouwen wou,
80
Waer het leven by bestont.
 
 
 
t'Amsterdam, voor de Weduwe van abraham de wees,
 
op den Middeldam, 1659.
[p. 6]

Kennelijk is er een keelgat dat zich in een bedreigende situatie bevindt, waar andere lichaamsdelen zich mee gaan bemoeien. Pas in de laatste strofe duikt er een mededeling op die verwijst naar iets uit de reële menselijke wereld:

 
Dit wert voor 's konings kroeghjes
 
Gezongen in de Sont,

maar die Deense connectie blijft voorlopig ook voornamelijk duister. Geoefende lezers, en dat zijn natuurlijk alle leden van de Maatschappij, weten inmiddels allang dat de hulpeloosheid van de interpretator geveinsd is en dat zo'n tekst niet als een werkelijkheidsgetrouw politierapport gelezen moet worden, maar als een allegorie. Er wordt door de dichter een literair spel gespeeld. Wat we nodig hebben is een sleutel die toegang geeft tot de erachter liggende betekenis. Dus: waar slaat dit merkwaardige gedicht op?

Laten we niet onmiddellijk een moderne Vondeleditie met uitvoerig commentaar opslaan, maar eerst eens kijken wat de tekst zelf ons aan informatie oplevert. Om te beginnen staat er onder de titel een wijsaanduiding. Dit betekent dat de term ‘gedicht’ die ik hierboven gebruikte, minder juist is. Het gaat om een liedje, dat gezongen kan worden op een populaire melodie uit die tijd: met de naam ‘Arent Pieter Gijzen’ begint Bredero's ‘Boerengeselschap’, het openingslied uit diens Groot Lied-boeck.3 Aan het eind van de tekst staat een uitgeversadres, de aanwijzing dat het inderdaad om een afzonderlijke uitgave gaat. Die is voor risico van de Weduwe van Abraham de Wees op de markt gebracht. Al blijft de dichter hier anoniem, de uitgever, die we kennen van andere Vondeledities, treedt wel in de openbaarheid. We hebben hier kennelijk niet een provocerende tekst die tot repressief ingrijpen van de overheid aanleiding had kunnen geven.

Deze twee gegevens tezamen, de wijsaanduiding en de uitgave als een los blad, zeggen iets over de functie en de verspreiding ervan. Uitgaven van dit type bevatten meestal een gelegenheidstekst, al of niet als bijdrage aan de actuele opinievorming. Zeker in dat laatste geval werden ze op straat verkocht, als het om een lied ging eventueel voorgezongen door een liedjeszanger, die als uitventer optrad. Zo zou het ook met deze tekst van Vondel gegaan kunnen zijn. Maar dat stelt ons in het licht van de inhoud ervan toch wel voor vraagtekens. Hoe kan deze cryptische tekst als zodanig gefunctioneerd hebben? Wie kan begrijpen waar het om gaat als je dit hoort zingen? Moeten we ons voorstellen dat je als Amsterdamse burger

[p. 7]

op de Dam loopt en geboeid blijft staan luisteren als een straatzanger begint met ‘Het keelgat was gevangen’? Zo dadelijk zal blijken dat het om een politieke tekst gaat, wat u waarschijnlijk al vermoed zult hebben. Maar als de dichter daarmee een boodschap wilde overbrengen, waarom kiest hij dan zo'n duistere inkleding? We weten hoe persoonlijk Vondel betrokken was bij het wel en wee van zijn stad en van de Republiek. Dacht hij nu echt dat zijn standpunt zo zou overkomen? Of is dit bedoeld voor een kleine kring van ingewijden, die door zorgvuldig lezen alle toespelingen zullen ontraadselen? Maar dat lijkt weer niet te passen bij deze wijze van uitgeven.

Nu zijn er dichters in de zeventiende eeuw die bewust streven naar een zekere duisterheid. Huygens is er een voorbeeld van. Maar Vondel heeft bij verschillende gelegenheden juist gepleit voor helderheid. ‘Zal een ander uwe rol verstaen; verstaze eerst zelf te dege, en spreeck klaer’, schreef hij in 1650.4 Net als de meeste dichters van zijn tijd wil hij met zijn poëzie het publiek iets onder ogen brengen, het overtuigen van een standpunt, of zijn visie op een zaak naar voren brengen. Je mag verwachten dat hij dan de middelen kiest die daarvoor adequaat zijn en waarmee hij het gewenste effect zal bereiken. Is dat nu hier evenzeer het geval als elders in zijn werk?

We zien dat hij in dit lied een soort verhaaltje opzet (zonder enige vorm van inleiding), waarin lichaamsdelen (de keel, de maag) als personen worden voorgesteld. De keel wordt bedreigd, de maag pleegt overleg met de leden of men de keel te hulp moet komen en de mond kan tenslotte op gemeenschappelijk verzoek ingrijpen. Wil dit een publiek onmiddellijk aanspreken; dan moet daartoe de grond bereid zijn. Dat wil zeggen: de tijdgenoot moet over een referentiekader beschikt hebben waardoor de dichter voor hem, anders dan voor vele twintigste-eeuwers, niet in raadsels sprak.

Wel, dat kader was er, in algemene en in specifieke zin. Wat het eerste betreft, meer dan de huidige lezer was de zeventiende-eeuwer vertrouwd met allegorische inkleding. De prentkunst is er vol van, zeker waar het om politieke thema's gaat. Het allegorisch toneel van de rederijkers was weliswaar op zijn retour in het midden van de zeventiende eeuw, maar bij allerlei feestelijke gelegenheden waren het nog steeds zinnebeeldige voorstellingen die in tableaux vivants of praalwagens uitdrukking gaven aan gemeenschappelijke gevoelens. In het oudere rederijkersdrama komen we ook personificaties tegen als Lachenden Mont, Dickenbuijck of Buijcxken

[p. 8]

Selden Sat. In een tafelspel van Houwaert, uitgegeven te Rotterdam in 1621, discussiëren Het Herte, De Ooghe en De Wille met elkaar.5

In meer specifieke zin kan het publiek bekend worden geacht met het door Vondel gekozen stramien van als personen optredende lichaamsdelen. Het blijkt hier om een oeroud thema te gaan, populair in de fabelliteratuur, waarbij de strijd respectievelijk de samenwerking van de onderdelen van het menselijk lichaam wordt gebruikt om de tegenstelling tussen eendracht en tweedracht of tussen bedachtzaam en ondoordacht handelen te verbeelden. Meestal weigeren de ledematen verdere diensten aan de buik, die zij als een profiteur beschouwen. Zij werken zich in het zweet, terwijl de buik niets anders doet dan innemen. Ze weigeren hem verder te voeden, maar merken al snel dat zij zichzelf daarmee schaden. De moraal is natuurlijk dat ze niet zonder elkander kunnen.

Als fabel komt dit thema zowel in de Griekse als in de Indische traditie voor. Volgens Heinrich Gombel, die een studie heeft geschreven over Die Fabel ‘Vom Magen und den Gliedern’ in der Weltliteratur, stamt de oudst bekende opgeschreven versie uit de twintigste dynastie in Egypte, omstreeks het jaar 1100 voor Christus. Er zijn twee kleine houten plankjes gevonden, met de volgende tekst: Proces van de buik en het hoofd, met daarin de pleidooien voor het hooggerechtshof. Na deze koptitel volgt er een stuk van het pleidooi van het hoofd.6 Ook in de Grieks-Romeinse Aesopus-traditie is de fabel van de strijdende lichaamsdelen overgeleverd. We zien verder dat hij in andere literatuur uit de Oudheid opduikt als exempel. In een redevoering bij Livius krijgt hij een politieke lading: Menenius Agrippa weet met behulp van de fabel het opstandige volk over te halen zich onder het gezag van de patriciërs te schikken.7

Quintilianus acht fabels geschikt om eenvoudige lieden te overtuigen en noemt dit geval dan als voorbeeld.8 Aan de hand van die plaats bij Livius komen we weer in de Nederlandse literatuur terecht. In 1619 publiceerde de Amsterdamse toneelschrijver Theodore Rodenburgh een verdediging van de dichtkunst: de Eglentiers Poëtens Borst-weringh. Daarin spreekt hij over de rol van verzonnen verhaaltjes in een argumentatie. De passage bij Livius wordt dan geciteerd als een van de twee voorbeelden om te demonstreren dat zulke fictionele verhalen overtuigingskracht kunnen bezitten.9

Niet alle varianten en versies van de fabel maken deel uit van een samenhangende traditie die ons voert tot in de Nederlandse Gouden Eeuw. Voor de esopische fabels geldt in elk geval wel dat ze een grote opgang

[p. 9]

hebben gemaakt in de West-Europese cultuur. De Latijnse Aesopus was een veel gebruikt schoolboek. De fabel van de maag en de ledematen komt tevens voor in allerlei Latijnse fabelverzamelingen uit de zestiende en zeventiende eeuw.10 In Frankrijk heeft op een later tijdstip La Fontaine de fabel van de maag en de ledematen een nieuwe en langdurige bekendheid verschaft. Zijn ‘Les membres et l'estomac’ heeft een duidelijke politieke lading: onderdanen moeten beseffen dat ‘la grandeur royale’ niet slechts van hun zwoegen profiteert, zoals zij meenden, maar er evenveel voor teruggeeft.11

Maar, om terug te komen bij de vraag naar de begrijpelijkheid van Vondels tekst, was er ook sprake van een ruime bekendheid bij het Nederlandse publiek in zijn tijd? In zeventiende-eeuwse Esopusuitgaven in het Nederlands ben ik de fabel niet tegengekomen. Wel staat hij in de Middelnederlandse Esopet, overgeleverd in een handschrift uit de veertiende eeuw12, maar waarschijnlijk was die tekst drie eeuwen later volstrekt onbekend. Je kunt natuurlijk veronderstellen dat dit soort verhaaltjes in de volksmond voortleefde, maar daarvoor ontbreekt elk bewijs.13 Er zijn echter andere wegen waarlangs het thema van de fabel kan zijn doorgegeven. De beeldspraak ligt immers ook tamelijk voor de hand, er hoeft niet per se een literaire traditie aan ten grondslag te liggen. We vinden haar bijvoorbeeld ook in de Bijbel. In 1 Korinthe 12 wordt het beeld gebruikt voor de eenheid van de gelovigen in Christus. Zie bijvoorbeeld de verzen 21 en 26:

‘Maar het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet nodig; of ook het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet nodig.

Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde.’

Er was in de zeventiende eeuw aanleiding genoeg om deze bijbelplaats frequent vanaf de preekstoel te laten horen.

Ook binnen de literatuur in engere zin kan de zeventiende-eeuwse Nederlander het thema tegengekomen zijn. In 1630 verscheen er in Den Haag een klein boekje onder de titel Leeden strydt.14 Het bevat een gedicht waarin een aantal onderdelen van het menselijk lichaam na elkaar de kans krijgen hun kwaliteit en onmisbaarheid te verdedigen. Het oog opent de rij:

 
Gelijck den hoogen Staet en eere van de Man
 
De gansche Werelt nu te velde brenghen kan:
 
Soo hebben oock wel eer de Menschelijcke leden
[p. 10]
 
Getwistet onder haer, en voor haer naem gestreden,
 
Een yder deed' sijn best, en roemde van sijn werck,
 
De wil was even groot, de reeden even sterck.
 
Ick reycke sprack het Oogh tot boven in de Wolcken,
 
Ick leer des Hemels loop, [etc.]

Daarna komen achtereenvolgens aan het woord het oor, de mond, de hand, de voet, ‘een ander lidt’, dat niet bij name genoemd wordt maar dat het mannelijk geslachtsdeel blijkt te zijn, en ‘den Aers’. De laatste twee het uitvoerigst. Het boekje besluit met een ‘Discours op een Veest’. Het is dan ook, blijkens een mededeling aan het slot, een vastenavondtekst, waar zulk soort genitale en anale folklore tot het geijkte repertoire behoort.

Er bestaat van dit boekje een tweede druk, waaruit we de naam van de auteur leren kennen. Het blijkt een edelman te zijn, Adriaan Stikke, heer van Breskens, die de tekst in 1626 op veldtocht in Hongarije gemaakt zou hebben. Het laat nog weer eens zien dat dit type vastenavondgrappen misschien wel gerekend kan worden tot soldatenhumor, maar zeker niet zonder meer tot volksliteratuur. In deze tweede druk beschuldigt de auteur verder de auteur Pieter Baerdt van plagiaat. Dat bracht me op het spoor van een andere bewerking van de fabel.

De Friese arts Pieter Baerdt publiceerde allerlei boekjes, voor een deel bewerkingen van uitgaven van anderen. In 1640 verscheen van hem te Leeuwarden een werkje met de volgende titel: Democratia Corporis Humani; Dat is Leden-stemminghe des Menschelijcken Lichaems, Gevoegt op een Democratike Regieringe sommigher Republijcken. Waer in aen-ghetogen wendt, de Noot-wendicheyt, so wel van de minste als van de meeste ledematen. In de voorrede wordt verwezen naar een eerdere publicatie, een ‘Tractaetje, genaemt de Leden-Strydt’, uit 1634. De tekst bestaat afwisselend uit poëzie, voor een deel bewerkt naar het gedicht van Stikke, en uit proza. Interessant is natuurlijk dat hier nog eens expliciet een verbinding wordt gelegd tussen het thema van de samenwerking der menselijke lichaamsdelen en de politiek. In de voorrede schrijft Baerdt dan ook:

‘Ick swijge de nootwendicheyt van alle voorverhaelde Ledematen; sonder welcker eene, niemandt soude connen bestaen. O wel-gestelde Republijck! wel ware te wenschen, een yeghelyck sick hier aen met reden conde spiegelen, ende haren Staet daer naer formeren.’15

Met een uitgave uit 1640 zijn we al wat dichter gekomen bij de tijd waarin Vondels liedje uitkwam. Ik geloof dat het hier aangehaalde voor-

[p. 11]

beeldmateriaal, dat ongetwijfeld niet compleet is, het voldoende aannemelijk maakt dat het zeventiende-eeuwse publiek met dit metaforische gebruik van het menselijk lichaam vertrouwd was. Dat kan ook gelden voor de analogie met het welzijn van de staat. Het is voor de toehoorders in 1659 niet vergezocht om Vondels tekst in die richting te interpreteren. Maar daarmee is het nog steeds niet duidelijk waar hij precies op slaat. Daarvoor moeten we kijken naar de actuele politieke situatie.

Zoals bekend was een belangrijke pijler van de Nederlandse welvaart in de Gouden Eeuw de handelsvaart op de Oostzeelanden. Producten als hout en delfstoffen, maar vooral graan werden daarvandaan verscheept naar de Amsterdamse pakhuizen, vanwaar ze mede verspreid werden naar andere landen, zoals die in het Middellandse-Zeegebied. Ook de voedselvoorziening van het dichtbevolkte Holland was sterk afhankelijk van deze graanimport.16 Ondanks een teruggang in de vervoerde hoeveelheid graan was in het midden van de zeventiende eeuw nog het grootste deel van de schepen die door de Sont voeren Nederlands.17 De Sont kon beschouwd worden als het keelgat waardoor Holland gevoed werd.

Tijdens de oorlogen tussen Zweden, Polen en Denemarken in de jaren 1655-1660 sloot Zweden op een bepaald moment de Sont af. Belemmering van de doorvaart van de Hollandse schepen hield naast grote economische schade tevens een reële kans in op een voedseltekort in de Republiek. In 1658 bracht een Nederlandse vloot onder Obdam de Zweden in de Sont een zware nederlaag toe en ontzette Kopenhagen. Er volgden langdurige vredesonderhandelingen, waaraan kracht werd bijgezet door de aanwezigheid van een Hollandse vloot in de Deense wateren. In mei 1659 werd op initiatief van raadpensionaris Johan de Witt een gezantschap gestuurd, met onder meer de Amsterdamse pensionaris Pieter Vogelsang. Die naam lijkt te echoën in de laatste strofe van Vondels gedicht. Mocht het gezantschap er niet in slagen tot een definitieve vredesregeling te komen, dan lag de vloot onder De Ruyter klaar om deze zo nodig met militaire middelen af te dwingen. Uiteindelijk zou het, na allerlei schermutselingen, daar ook op uitlopen.18 Maar zover was het kennelijk nog niet toen Vondel zich in de discussie over de situatie in Denemarken mengde. Zijn tekst benadrukt vooral het gevaar dat in het Zweedse optreden gelegen was. In dat opzicht vertolkt hij het Amsterdamse standpunt, dat met het oog op de grote economische belangen vroeg om een daadkrachtig ingrijpen. Unger dateert ‘De Noortsche Nachtegael’ op november 1659, toen De Ruyter in actie kwam.19

[p. 12]

Met deze gegevens ter beschikking komt er wat meer licht in de duistere vertelling over het bedreigde keelgat. De ‘hangman’ of ‘meester hengker’ moet Zweden zijn. Dat dreigt het keelgat dicht te knijpen. Dat keelgat kan voor de Sont staan, de doorvaart van en naar de Oostzee, of wellicht voor Holland, de ontvanger van al dat graan. Die tweede mogelijkheid past iets beter bij de derde strofe, waar de keel het lichaam (de Republiek? de Staten-Generaal?) bijeenroept; de interpretatie als de Sont klopt daarentegen beter bij het ‘verlossen van strop en tou’ in vs. 62-63. Hoe dan ook, de situatie is nijpend: de bast of strop is al klaargemaakt. De keel, in een nerveuze haast (‘gans krevel’, r. 11) verzoekt om enig uitstel. In r. 17 treedt dan de maag op als zijn woordvoerder. De maag (de raadpensionaris? of de stad Amsterdam?) gelast de beul even te wachten: vóór een definitief besluit is er overleg nodig. Dat vindt plaats met de ‘leden’, dat moeten wel de overige zes gewesten van de Republiek zijn, die aanmerkelijk minder dan bijvoorbeeld Amsterdam geporteerd waren voor het ondernemen van actie tegen Zweden.20 Zoals bekend was voor een besluit van de Staten-Generaal eenstemmigheid nodig. De volgende drie strofen geven de argumenten van Holland. Als de keel het slachtoffer wordt, zal hongersnood het gevolg zijn: immers ‘zy schaft u meel’ (r. 39), oftewel zorgt voor de graanimport. De productie uit eigen land (‘wat op den acker wast’, r. 44) is niet voldoende; de maag kan niet leven bij de Nederlandse zuivelproducten alleen, kaas én brood zijn noodzakelijk voor het levensonderhoud. Dat argument geeft kennelijk de doorslag: ‘elck merckt dat hier gevaer is’. De pensionaris, de woordvoerder (‘de vryen mont’) van het lichaam krijgt last op te treden, voor het lijf in ernstige problemen zou raken.

De op één na laatste strofe begint met een moeilijk interpreteerbare passage. Wat wordt er bedoeld met ‘by gebreck van handen’ en waarom zou het die handen verboden zijn om weerstand te bieden? Men mag aannemen dat met de ‘kopre tanden’ in de volgende regel de scheepskanonnen van de vloot zijn bedoeld. Misschien slaat deze passage op de situatie in juni 1659, toen een verlenging van een eerder overeengekomen wapenstilstand het onmogelijk maakte actief in te grijpen, en de grote zeemacht niet meer kon doen dan zich dreigend in die contreien op te houden. Het is in elk geval frappant dat het beeld van de handen ook figureert in de brief die Michiel de Ruyter omstreeks die tijd schreef aan de Nederlandse gezanten en de Amsterdamse Admiraliteit en waarin hij hun onder het oog bracht: ‘dat hun dat verlengen der stilstand vremd voorquam: dat den Koning van Zweeden de handen los waaren, en dat hy al dee wat by wou: dat

[p. 13]

de Hollanders daar laagen met zulk een aanzienlyke vloot, en niet mogten by de hand neemen: dat dit voor hem en de zynen een groot hartzeer was. Doch zy hoopten dat men hunne handen in 't kort zou ontbinden [...]’.21

Misschien is de datering van Unger op november 1659 toch iets te laat gekozen en moet het uitgeven van de plano wat vroeger geplaatst worden. Maar het kan ook zijn dat het zoeken naar een te precieze correspondentie tussen het lied en de erachter liggende politieke werkelijkheid het nogal globale en suggererende karakter van de tekst geweld aandoet.

De laatste strofe laat een wending zien die Vondel aan het oudere volkslied heeft ontleend. In het Antwerps Liedboek van ruim een eeuw eerder staan tientallen liedjes die eindigen met zo'n mededeling buiten het kader van het verhaal:

 
Die dit liedeken dichte,
 
Dat was een ruyter fijn;
 
Hi hevet so wel ghesongen
 
T'Amsterdam (of: T'Antwerpen, Te Campen) al in den wijn.22

Dat maakt Vondels lied nog niet tot een volksliedje, zoals de editeurs van de grote Vondeleditie het noemen. Daarvoor is het te kunstig en bedacht. Grote kunst is het ook niet. Het begin van de tekst is heel aardig, maar dat wordt niet volgehouden, al was het maar omdat die nachtegaal aan het slot wel erg vreemd uit de lucht komt vallen. Zijn plaats in het lied rechtvaardigt ook de titel ervan niet. We moeten hem maar zien als de stem van de dichter die in de slotregel nog even wil zeggen waar het op staat: het gaat hier om een levensbelang van het land.

De primaire functie van De Noortsche Nachtegael was gebonden aan de actualiteit van 1659. Als we een - altijd inadequate - parallel met het heden trekken, ligt die bij een cabarettekst of een politieke krantencolumn. Toch is het liedje gecanoniseerd als ‘literatuur’ doordat het al vanaf 1660 een plaats heeft gekregen in de verzamelbundels van Vondels poëzie. Kennelijk hechtte men er waarde aan los van de voorbije politieke actualiteit. Wat ik wilde laten zien, is dat we bij die gecanoniseerde literaire waarde niet kunnen blijven stilstaan als we dichters uit het verleden serieus willen nemen. Zo'n tekst als deze wordt immers volstrekt nietszeggend zonder kennis van zowel de literaire traditie als de historische context. Pas na een reconstructie daarvan wordt hij weer interessant. Ik hoop dat ik erin geslaagd ben u daarvan te overtuigen.