Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1998


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1901-2000


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1997-1998. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1999  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 25]

Mengelingen

[p. 27]

Jan Pieter van Suchtelen (1751-1836) verzamelaar van boeken en handschriften
Oftewel hoe brieven van de maatschappij der Nederlandse letterkunde in Sint-Petersburg terechtkwamen.1
Door Otto S. Lankhorst

‘Nu verbeel ik mij lieve Ammetje, dat wij in ons deshabillé bij het vuur zitten praaten, terwijle Jan Piet eenige pas gekreegene boeken overhoop haald’, zo schreef Rochus van Suchtelen op 22 december 1782 aan zijn nicht Amarentia Wilhelmina Hartingh. Rochus was directeur van de vestingwerken in Staats-Vlaanderen en vanuit Sluis, waar hij was gelegerd, verlangde hij geregeld naar de huiselijkheid in Den Haag, naar ‘aangenaame uuren die ik prefereerde boven alle groote partijen, alwaar het ceremonieel altijd de eerste rol speeld’.2 De Jan Piet in bovenstaand citaat is Jan Pieter van Suchtelen, de oomzegger van Rochus. De boeken waarmee de oom zijn neef in gedachten druk bezig ziet, vormen het onderwerp van dit artikel, dat handelt over Jan Pieter van Suchtelen (1751-1836) als verzamelaar van boeken en handschriften.

In Nederland heeft Jan Pieter van Suchtelen nooit de bekendheid gekregen die hij in Rusland, zijn tweede vaderland, wel verwierf. Bij ons komt zijn naam nog wel voor in het Biographisch woordenboek van A.J. van der Aa,3 maar in latere encyclopedieën en biografische woordenboeken zoekt men hem vergeefs. In Russische naslagwerken is zijn naam en die van zijn zoons wel opgenomen4 en in Sint-Petersburg vindt men zijn portret zowel in de Hermitage in de galerij van de generaals uit de oorlog van 1812 als ook in de handschriftenafdeling van de Nationale Openbare Bibliotheek van Rusland, waar zijn rijke collectie boeken en handschriften is terechtgekomen.5 Belangrijk onderdeel van zijn handschriftenverzameling vormt de omvangrijke autografencollectie, nog steeds opgeborgen in de portefeuilles zoals Van Suchtelen deze heeft samengesteld. In zijn autografencollectie nam Van Suchtelen ook brieven uit zijn eigen correspondentie op, zoals de hierboven geciteerde van zijn oom Rochus. Dit artikel is deels gebaseerd op die persoonlijke brieven uit de autografencollectie. In de afgelopen jaren had ik enkele malen gelegenheid om een aantal van de portefeuilles door te nemen. In de nabije toekomst hoop ik samen met V. Somov uitgebreider onderzoek te doen naar Van Suchtelen, mede door

[p. 28]

het raadplegen van zijn persoonlijk archief, dat in een van de Moskouse archieven is gedeponeerd.6 Hetgeen hier volgt is een eerste schets van een veelzijdig personage: ingenieur, militair en diplomaat, maar ook een enthousiast verzamelaar van boeken en handschriften, van autografen en medailles, van schilderijen en tekeningen. Uit de documenten komt Van Suchtelen te voorschijn als een erudiet, tolerant en bescheiden mens: ‘Comme homme et comme savant, Soukhtelen était un exemple peu commun d'une immense érudition jointe à la modestie et à la tolérance qui caractérisent le vrai savant, et qu'il possédait au suprême degré.’7

Maatschappelijke loopbaan van Van Suchtelen

Jan Pieter van Suchtelen werd geboren op 2 augustus 1751 in de garnizoensstad Grave aan de Maas als zoon van Cornelis van Suchtelen (1712-1768) en van Theodora Emila van Cattenburgh (1718-1794). Jan Pieter had een ouder zusje, Ottonia (1748-1821) (twee andere zusjes stierven elk kort na hun geboorte) en twee broers, Abraham (1752-1783) en Rochus (1756-1819).8 Vader Cornelis was in Grave werkzaam als majoor-ingenieur; in 1763 volgde zijn promotie als grootmajoor naar Sluis.

Jan Pieter werd op achtjarige leeftijd naar Groningen gestuurd om daar de Latijnse school, de voorbereidingsschool voor de universiteit te volgen. De school was gevestigd in de zuidelijke en oostelijke vleugel van het Franciscaner-, oftewel Broerklooster. Er waren ook verschillende Latijnse scholen in Gelre en Brabant, meer in de nabijheid van Grave. Wellicht hing de keuze van Groningen samen met het plan om de studie daar voort te zetten aan de universiteit die mogelijkheden bood voor de beroepsopleiding tot militair ingenieur.9 Vermoedelijk heeft Van Suchtelen echter niet aan de Groningse universiteit gestudeerd.10 Op 24 december 1764, op de vooravond van het feest van Kerstmis, hield hij zijn Oratio de Christi doctrinae praestantia (over de voortreffelijkheid van de leer van Christus).11 Spoedig daarop verliet hij Groningen en keerde hij terug naar zijn ouders.

Zijn vorming als militair ingenieur heeft Jan Pieter in eigen familie gekregen. Zowel zijn vader als ook zijn oom Rochus deden binnen het leger dienst bij het Korps Ingenieurs.12 De taak van de militaire ingenieurs bestond uit het inspecteren en ontwerpen van vesting-, belegerings- en inundatiewerken en het leiding geven aan de bouw- en herstelwerkzaamheden. Zijn vader onderrichtte hem in de mathematiek en in het gezelschap van zijn oom maakte hij een wetenschappelijke expeditie naar Frankrijk en Zwitserland.13 In januari 1768, zestien jaar oud, werd Jan

[p. 29]

Pieter aangesteld als tweede luitenant (ingenieur extraordinair) bij het korps der genie. Hij klom er op tot luitenant-kolonel.14 In 1774 volgde de aanstelling als ‘aide de camp’ van generaal-majoor Carel Diederik Dumoulin. Dumoulin heeft zich sterk beijverd om het wetenschappelijk peil van het Korps Ingenieurs te verhogen en het vestingstelsel aan de Nederlandse grenzen te verbeteren.

Tussen Dumoulin en Van Suchtelen was er sprake van een relatie leraar-leerling. Ze waren onmiskenbaar op elkaar gesteld. Van Suchtelen noemt Dumoulin: ‘Mon maître, protecteur et bienfaiteur’.15 Dumoulin begint zijn brieven aan Van Suchtelen met ‘Monsieur, tres cher et tres honnoré ami’. In 1792 - het is dan reeds negen jaar geleden dat Van Suchtelen naar Rusland is vertrokken - schrijft Dumoulin dat hij sinds enkele maanden te ziek is om buitenshuis te gaan. Hij heeft gehoord dat Van Suchtelen en zijn vrouw naar Nederland komen en dit bericht ‘a fait plus d'effet pour le rétablissement de ma santé que toutes les drogues dont mon corps est farci’. En hij voegt daaraan toe: ‘Si le Jour de Votre Départ d'ici était un Jour de Deuil pour moi, Celui de Vous revoir sera le plus beau de ma vie: Qu'il vienne bientôt ce jour.’16

Archiefonderzoek zal meer gegevens kunnen verschaffen over de Nederlandse jaren van Van Suchtelen. In elk geval was hij tot 1775 enkele jaren gelegerd te Sluis, alwaar hij lid was van de Mathematische Sociëteit.17 In 1779 trouwde hij met Amarentia Wilhelmina Hartingh: het echtpaar woonde in Den Haag. Jan Pieter was aldaar lid van de vrijmetselaarsloge L'Union Royale.18 In de afscheidsbrief die hij bij zijn vertrek in 1783 meekreeg, werd van hem gezegd: ‘il a rempli avec le zèle le plus distingué & la plus grande application la charge d'Architecte, pendant plusieurs années.’ De brief diende als een recommandatiebrief voor een andere loge, waarbij Van Suchtelen zich eventueel wenste aan te sluiten.19

In 1783 is Van Suchtelen naar Rusland vertrokken. Catharina ii, die ingenieurs zocht, heeft vermoedelijk geprobeerd om Dumoulin te bewegen naar Rusland te komen, maar deze ging daar niet op in. Hij had ook zes jaar eerder het verzoek van Karel van Brunswijk afgeslagen om het Pruisische geniekorps te reorganiseren. Mogelijk heeft Dumoulin Van Suchtelen, zijn ‘aide de camp’, aangespoord om op de uitnodiging uit Rusland in te gaan.20 Daarbij speelde mogelijk ook een rol de omstandigheid dat diens carrièremogelijkheden in Nederland niet zo groot waren door de meningsverschillen tussen Dumoulin en hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk, commandant van Den Bosch.21

[p. 30]



illustratie

Jan Pieter van Suchtelen (1751-1836).
Ongedateerd en ongesigneerd portret.
Foto Iconographisch Bureau, 's-Gravenhage


[p. 31]

In Rusland doorliep Van Suchtelen een succesvolle carrière.22 Hij gaf vanaf 1785 leiding aan het graven van het Catharinakanaal in Noord-Rusland, waardoor de rivieren de Dwina en de Kama met elkaar werden verbonden en daarmee het stroomgebied van de Witte Zee met dat van de Kaspische Zee. In de oorlog tegen Zweden (1788) werd hij gewond. Als beloning werd hij niet alleen bevorderd tot generaal-majoor (1789), maar kreeg hij van Catharina ook een landgoed ten geschenke van 300 mannelijke zielen in het gouvernement van Vyborg.

In 1792-1793 keerde Van Suchtelen met zijn vrouw voor enige tijd naar Nederland terug. Dat blijkt ook uit brieven van Laurent Broemer en van Johan Creuts, die vanuit Sint-Petersburg informeren over de kinderen die in Rusland zijn achtergebleven, onder anderen de kleine Jan Martin, geboren op 10 juli 1791, over wie op 27 juli 1792 kan worden gemeld dat zijn eerste tandje is doorgebroken, enkele weken later dat hij begint te lopen, waarna op 17 augustus de tweede tand zich aandient.23 In augustus 1793 zou Jan Martin echter overlijden. In Nederland was er het weerzien met familie, met leermeester Dumoulin en met vrienden en kennissen. Admiraal Van Kinsbergen, die een twintigtal jaren eerder in Russische dienst was geweest, nodigde Van Suchtelen uit om een paar dagen op zijn landgoed Adrichem bij Beverwijk, ‘à la campagne’, te komen uitrusten.24

Teruggekeerd in Rusland, werd Van Suchtelen naar Polen gestuurd om er de vestingwerken te inspecteren. Hij raakte gewond tijdens de opstand in Warschau en bleef er gevangen tot de komst van de Russische troepen.25 Vervolgens kreeg hij de opdracht een inspectietocht te maken langs alle Russische vestingwerken van Witte Zee tot Zwarte Zee. Daarmee waren enkele jaren (1794-1797) gemoeid. Inmiddels was Catharina opgevolgd door haar zoon Paul i. Deze benoemde Van Suchtelen in 1799 op de voor de gebeurtenis toepasselijke feestdag van Petrus en Paulus - Jan Pieter had bij zijn indiensttreding in Rusland zijn voornaam Jan afgelegd - tot generaal-chef. Hij werd naar Kiev en vervolgens naar Riga gestuurd als bevelhebber van de genie. Zodra Alexander i aan de macht was gekomen (1801), riep hij Van Suchtelen terug naar Sint-Petersburg en benoemde hem tot generaal-kwartiermeester. In deze belangrijke functie kon hij zijn plannen tot reorganisatie van het leger doorvoeren. Tevens werd hij aangesteld tot directeur van het Cartografisch Instituut26 en tot inspecteur van het werk der ingenieurs.27 Van Suchtelen, die sinds mei 1801 weduwnaar was, kreeg als woning een gedeelte van het Michaelpaleis toegewezen. Dit paleis had Paul i als een fort laten bouwen om zich te be-

[p. 32]

schermen tegen aanslagen, vergeefs, want hij was er in maart 1801 in zijn eigen slaapkamer vermoord. Van Suchtelen vertoefde deze jaren in de kring van intimi van Alexander i en hij was in de nabijheid van de tsaar in de slag bij Austerlitz (1805).

In 1808 viel Rusland Zweden aan. De expeditie was voorbereid door Van Suchtelen. Het lukte hem om de Zweedse vesting Sveaborg in te nemen, zonder dat het tot een veldslag kwam.28 Sveaborg had de faam een onneembare vesting te zijn: het Gibraltar van het Noorden. De overwinning op de Zweden, die tot gevolg had dat Finland bij Rusland kwam, versterkte het gezag en de positie van Van Suchtelen. Alexander benoemde hem in 1809 tot ambassadeur voor Rusland in Zweden. Aanvankelijk werd hij er vijandig benaderd, omdat hij het land kort tevoren zo'n smadelijke nederlaag had toegebracht. Hij won echter snel vertrouwen en sympathie. Hij raakte er bevriend met de kroonprins, Jean Baptiste Bernadotte, de latere Karel xiv.29 In het gevolg van Bernadotte kwam Van Suchtelen in het voorjaar van 1813 naar Berlijn. Daar werd hij onder meer ontvangen aan het Nederlandse hof in ballingschap. Frederika Louise, dochter van Willem v, nodigde Van Suchtelen uit voor een diner ter gelegenheid van de verjaardag van haar moeder, prinses Wilhelmina van Pruisen, op 7 augustus 1813, ‘a la familière et en petit committé’.30 Vanuit Berlijn ging hij naar Leipzig, waar hij naast Alexander en Bernadotte aanwezig was in de Volkerenslag (oktober 1813). In het gevolg van de tsaar trok hij in maart 1814 Parijs binnen en reisde vervolgens mee naar Brussel en Nederland. In Brussel werd hij onder meer uitgenodigd door de arts en naturalist père François-Xavier Burtin (1743-1818).31 In Nederland zorgde baron van Westreenen ervoor dat Cornelis Apostool, de directeur van het Koninklijk Museum van schilderijen en oudheden te Amsterdam, Van Suchtelen de medailles uit de collectie van Pieter van Damme liet zien en hij stelde lijstjes op van de incunabelen in de universiteitsbibliotheek te Leiden en in de bibliotheek op het Stadhuis te Haarlem die het interessantst waren om te bekijken.32

Voor zijn verdiensten voor Rusland ontving Van Suchtelen een reeks onderscheidingen: de orde van St. Wladimir (1786, vierde klasse; 1790, tweede klasse; 1808 grootkruis), de orde van St. Georges (1789), de orde van Sint Anna (1799), de orde van Sint Jan van Jeruzalem (commandeur in 1801), de orde van Alexander Newsky (commandeur in 1803) en de orde van St. Andreas (grootkruis in 1825; diamanten orde in 1834). In 1812 werd hij baron van het groothertogdom Finland en in 1822 graaf.

[p. 33]

Vanaf 1809 woonde Van Suchtelen in Stockholm en daar werd hij spoedig een graag geziene gast bij diners en partijen: ‘le favori des Dames, l'ami des époux, et le protecteur des jeunes gens’.33 Te zijnent ontving hij 's woensdags diplomaten en politici en op zaterdag, ‘la journée des savans’, geleerden en kunstenaars. In de Stockholmse pers werd in een aan hem gewijd in memoriam geschreven: ‘Les artistes et les savants avaient en lui un protecteur zélé et généreux; sa maison était ouverte à toute espèce de mérite.’34 In de zomermaanden verbleef hij in zijn buitenverblijf Ulriksdal, nabij Stockholm. Hij bekommerde er zich om zijn tuinen en menagerie. In het levensbericht dat de Algemeene konst- en letterbode na zijn dood publiceerde, werd Ulriksdal als volgt beschreven:

‘Hij had zich daar, om zoo te spreken, een klein Holland gevormd. Partijen tulpen, hiacinten en andere bolgewassen van verschillenden bloeitijd bragten hem zijn' geboortegrond voor den geest. [...] Het verheugde den ouden man ook zeer de levende dieren en vogelen, die hij er had, te zien en zelf te voeden. Dat alles stond open voor het publiek en werd vooral 's zondags drok bezocht, hetwelk den eigenaar zeer behaagde.’35

De verzamelingen van Van Suchtelen

In de jaren dat Van Suchtelen in Stockholm woonde - en dan met name toen na 1815 de rust in Europa was teruggekeerd - had hij tijd om zich te wijden aan zijn verzamelingen boeken en handschriften, autografen en munten, schilderijen en tekeningen. Uit het openingscitaat van oom Rochus valt echter af te lezen dat Jan Pieter ook vóór zijn emigratie naar Rusland al boekenverzamelaar was. Enkele weken na Van Suchtelens vertrek reisden zijn vrouw en kinderen hem in de herfst van 1783 naar Sint-Petersburg achterna, voorzien van enkele grote kisten met ‘tous ses livres, instruments et papiers’.36

De boeken van Van Suchtelen hebben veel gereisd. In Sint-Petersburg waren ze een aantal jaren ondergebracht in het Michaelpaleis, in de voormalige troonzaal van Paul i.37 Vervolgens zijn ze naar Stockholm vervoerd, alwaar de collectie verder werd uitgebreid. Bij de dood van Van Suchtelen in 1836 telde de bibliotheek meer dan 26.000 boeken. De gehele boekerij werd gekocht door tsaar Nicolaas i voor de toenmalige Keizerlijke Bibliotheek te Sint-Petersburg (na 1917 de Saltykow-Shchedrin Bibliotheek te Leningrad; vanaf 1992 de Nationale Openbare Bibliotheek van Rusland te Sint-Petersburg). In Stockholm werd een nauwgezette inventarisatie gemaakt, die bewaard is gebleven: ‘Catalogue abregé de livres de la biblio-

[p. 34]

thèque de Suchtelen’.38 Het betreft een folio van 305 vel, waarin per kamer en per kast de boektitels in verkorte vorm (auteur, titel, jaar van uitgave en formaat) zijn genoteerd. Uit deze catalogus is de indeling van de bibliotheek nauwgezet af te leiden. Een aparte rubriek vormen de ‘Editions des Elzevirs’: 213 titels en 66 titels uit de serie van de ‘republieken’. Onder de elzeviers bezat Van Suchtelen onder meer: ‘ce qu'il y a de plus désirable en fait d'impressions elzeviriennes: la Sagesse de Charon et l'Imitation, sans date; les Colloques d'Erasme, 1636, la réunion bien complète des Républiques, en exemplaires non rognés; un exemplaire broché et non coupé de la colossale Bible en hollandois, 1663’.39

Daarnaast is er een catalogus van boeken van vóór 1600: de ‘Catalogue detaillé’.40 Hierin staan 364 gedateerde incunabelen chronologisch gerangschikt, 103 ‘livres sans année qu'on suppose être imprimés avant 1501’ en in een apart ingevoegd cahier 118 Aldus-edities. Het cijfer van meer dan 900 incunabelen in de collectie van Van Suchtelen, dat soms wordt genoemd, komt vermoedelijk tot stand doordat ook abusievelijk de post-

illustratie

Ex-libris van Jan Pieter van Suchtelen


[p. 35]

incunabelen uit deze catalogus worden meegeteld.41 Een derde catalogus is de ‘Catalogue détaillé des éditions précieuses de l'ancienne bibliothèque du comte Van Suchtelen qui doivent entrer à la Bibliothèque’.42 Hierin staan een aantal bijzondere uitgaven vermeld: edities van Barbou uit Parijs (76 delen), van Prault uit Parijs (42 delen), van Baskerville uit Birmingham (7 delen), van Didot uit Parijs, van Bodoni uit Parma, van Angelo Majo en ‘The Delphini Classics’ van Valpy uit Londen. Ten slotte is er nog de ‘Catalogue de 551 pamphlets en tout genre reliés en 101 volumes de différens formats en veau’.43

Het onderzoek naar de samenstelling van de collectie van Van Suchtelen en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, zal in de Nationale Openbare Bibliotheek van Rusland te Sint-Petersburg moeten plaatsvinden. Daar bevinden zich de catalogi van zijn bibliotheek en daar is het leeuwendeel van de boeken. De boeken die aan Van Suchtelen hebben toebehoord, zijn te herkennen aan zijn ex-libris, bestaande uit zijn wapen en de spreuk ‘Aequa Mente’. Een ander middel tot herkenning is zijn specifieke boekband. Een eerste onderzoek in Sint-Petersburg doet vermoeden dat boeken uit de Nederlandse periode te herkennen zijn aan banden met het monogram vs op het voorplat. Hieronder zijn veel boeken in het Nederlands, zoals de Gedichten van Jakob Spex (Den Haag, P.G. van Balen, 1755), Tydwinst in ledige uuren of Proeven van Stigtelijken aandagt door M.L. (Leiden, J. Le Mair en C. van Hoogeveen, 1774) en De Mymering of een vlucht naar het paradys der dwaazen (Den Haag, P. van Os, 1765).44 In Rusland en Zweden laat Van Suchtelen zijn boeken binden in een verzorgde, stijlvolle, eenvoudige band van marokijn of kalfsleer. De platten zijn meestal bestempeld met een lijnenkader. De velden op de rug zijn bestempeld, met uitzondering van meestal twee velden die auteur en titel en vaak ook plaats van uitgave en jaartal vermelden.

 

Van de boeken waarvan tot nu toe de herkomst kon worden achterhaald, volgen enkele schenkingen en aankopen. Van Catharina ii ontving Van Suchtelen onder meer een exemplaar van de Opera van Vergilius in een bijzondere editie, waarin de gehele tekst op koper is gegraveerd door de Venetiaan Marco Pitteri.45 Van A. Olenin, die blijkens de handgeschreven opdracht onder Van Suchtelen had gediend, kreeg hij als ‘gage de respect et de dévouement’ diens Observations sur une note de l'ouvrage intitulé ‘Peinture de vases antiques’.46 Wat de aankopen betreft, is al wel duidelijk dat hij kocht op veilingen van vooraanstaande bibliofielen uit het begin van de

[p. 36]

negentiende eeuw, zoals die van de comte J. de Mac-Carthy Reagh (Parijs 1817)47, van C.G. Hultman (Den Bosch 1821)48 en van G. en J. Meerman (Den Haag 1824).49

Van Suchtelen was bereid om zijn bibliotheek voor geleerden en geletterden open te stellen en boeken uit te lenen. Enkele briefjes in zijn autografencollectie getuigen daarvan. Zo weten we dat de in Sint-Petersburg verblijvende Franse schrijver Joseph de Maistre boeken leende en dat in Stockholm boeken aan het hof werden geleend.50 Doordat hij bekendstond als groot kenner van boeken, werd geregeld ook in boekenzaken zijn advies gevraagd. Zo werd hij in 1804 als adviseur betrokken bij de aanschaf door de Keizerlijke Bibliotheek van de collectie van Pierre Doubrovsky.51

De bibliotheek van Van Suchtelen had een uitgesproken Franstalig karakter. Dat is niet verbazend, want het Frans was immers nog de voertaal in de diplomatieke kringen waarin Van Suchtelen vertoefde. En bovendien weten wij dat hij een zeker vooroordeel had tegen de Duitse taal. Hij kocht over een bepaald onderwerp liever een middelmatig Frans werk dan een goed Duits; liever een gebrekkige Franse vertaling dan het oorspronkelijk werk in het Duits.52

In de jaren dertig van deze eeuw zijn een aantal kostbare boeken uit voormalig keizerlijk bezit en uit de Keizerlijke Bibliotheek op veilingen in West-Europa verhandeld. Daaronder zijn ook zeldzame werken uit het bezit van Van Suchtelen. De exacte omvang van het aantal boeken dat is verkocht, is nog niet bekend, maar in elk geval gebeurde dit met een tiental incunabelen, zoals een Latijnse vertaling van Aristoteles (Strasbourg 1469), een uitgave van de preken van de Heilige Bernardus (Mainz 1475) en maar liefst twee verschillende edities van De civitate Dei van Augustinus (Paris 1468 en Mainz 1473). Ook een zeldzame Bodoni-editie uit het bezit van Van Suchtelen (Hymni et epigrammata van Callimachus, Parma 1792) werd geveild.53 Een uitgave van Flores astrologiae van Albumasar (Augsburg 1488) met zijn ex-libris is terechtgekomen in de Harvard University Library.54

Eén onderdeel uit Van Suchtelens boekerij kwam niet in Sint-Petersburg terecht, namelijk zijn omvangrijke collectie van ongeveer 30.000 academische geschriften (dissertaties, oraties en disputaties). Deze zijn na de dood van Van Suchtelen aan de Universiteitsbibliotheek van Helsinki geschonken, waarvan het boekenbezit enkele jaren eerder (1827) geheel was verbrand. De verzameling was tot stand gekomen door onder meer twee belangrijke aankopen. In 1815 had hij via bemiddeling van de

[p. 37]

Zweedse geleerde Carl Peter Thunberg (leerling van Linnaeus) een grote collectie dissertaties (‘une des plus complettes en Suede’) verworven. En Thunberg bood in augustus 1822 - twee weken later stierf hij - zijn eigen collectie aan, die hij in zestig jaren bijeen had verzameld en die hij noemde ‘précieuse, curieuse et extraordinaire’.55 Paaskoski vermeldt dat in Helsinki acht convoluten aanwezig zijn met in totaal 280 Leidse dissertaties. De beschuldiging dat de bibliofiel Van Suchtelen deze uit de Leidse bibliotheek zou hebben ontvreemd, acht ik onwaarschijnlijk.56

 

Over de handschriften die Van Suchtelen heeft verzameld en die in Sint-Petersburg zijn terechtgekomen, is nog weinig bekend. Het waren er in totaal 260, waarvan na zijn dood een inventaris is opgemaakt, die bewaard bleef: ‘Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque de S.E. le comte de Suchtelen’.57 Onder deze handschriften bevinden zich acht Middelnederlandse handschriften, waarvan er, zoals gezegd, vier gekocht zijn op de veiling van C.G. Hultman (1821).58 Over de andere Nederlandse manuscripten van Van Suchtelen die in Sint-Petersburg zijn terechtgekomen, zal meer bekend worden, zodra een nieuwe inventaris gereed is.59 Evenals de boeken zijn ook de handschriften te herkennen als afkomstig van Van Suchtelen door diens ex-libris of door de band. Voor de Franse handschriften is recentelijk een nieuwe inventaris gereedgekomen en daarin zijn provenancegegevens opgenomen. Daaruit blijkt dat er ook stukken uit het persoonlijk archief van Van Suchtelen in de collectie zijn opgenomen, zoals een ‘Rapport du général Suchtelen touchant le pont d'Aboff à Wibourg’ en een ‘Essai d'un plan défensif de la Lithuanie’.60

Twee brieven van Dumoulin in de autografencollectie onthullen dat hij voor Van Suchtelen, voorheen zijn ‘aide de camp’, bemiddelde bij de aankoop van een collectie militaire manuscripten. Op 23 mei 1791 schrijft Dumoulin dat hij die dag de ‘catalogue raisonné’ naar Sint-Petersburg heeft verstuurd van een verzameling handschriften die zich op dat moment in München bevindt en waarvan de eigenaar nooit bekend mag worden. Voor het forse bedrag van duizend dukaten is de collectie te koop.61 Blijkbaar is de koop doorgegaan. De ‘catalogue raisonné’ - ‘un très gros Volume infolio’ zoals Dumoulin schreef - bevindt zich in de handschriftenafdeling in Sint-Petersburg: ‘Catalogue raisonné des manuscrits très rares, traitans de la science des ingénieurs, de celles de l'artillerie, des mines, de la tactique et des autres matières très utiles’, 1786.62 De daarin vermelde manuscripten zijn, voorzover op basis van een eerste onderzoek kon worden

[p. 38]

geconstateerd, thans ook in Sint-Petersburg. De herkomst van de collectie is onbekend, maar moet vermoedelijk gezocht worden onder een van de uit Frankrijk gevluchte ‘émigrés’.

Over de handschriften die van belang zijn voor de Zweedse en Finse geschiedenis is recentelijk gepubliceerd.63 En er is een kort artikel over het omvangrijke archief van het Koninkrijk Westfalen (1811-1813) dat door Van Suchtelen is verworven en dat uit meer dan 14.000 documenten bestaat.64

De autografencollectie van Van Suchtelen komt hieronder uitgebreider ter sprake. Slechts een enkel woord over zijn andere verzamelingen. Het muntenkabinet van ongeveer 11.000 stuks is na zijn dood terechtgekomen in de Academie van Wetenschappen van Sint-Petersburg. De collectie van 5.000 gravures werd gekocht door de verzamelaar Arkady Nicolayevitch Alferoff (1811-1872).65 De collectie tekeningen werd pas in 1862 in Parijs geveild. De Nederlandse afkomst van Van Suchtelen werd in de titel van de catalogus abusievelijk veranderd in een Russische ambassadeurspost in Nederland.66 De catalogus telt 141 tekeningen en 8 gravures; van 79 tekeningen is echter expliciet vermeld dat zij van Van Suchtelen afkomstig zijn.67

Van de schilderijen uit het bezit van Jan Pieter had de familie al eerder afstand gedaan. In 1847 werden zij door tsaar Nicolaas 1 gekocht, die ze deels in Moskou in het Kremlin liet ophangen en deels in Sint-Petersburg in de Hermitage. Er is in elk geval een lijst bewaard gebleven van de verzameling in de jaren dat Van Suchtelen in het Michaelpaleis woonde en zelfs een overzicht van de ophanging van de schilderijen aldaar, hetgeen een reconstructie mogelijk maakt.68 Ik kan het niet laten om hier in elk geval één schilderij uit het bezit van Van Suchtelen te noemen, dat thans in de Hermitage hangt, in één van de rijke zalen van de Nederlandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw. In de nabijheid van andere meesterwerken van Gerard Terborgh, zoals de prachtige ‘Vioolspeler’, hangt diens portret van Catharina van Leunink (1635-1680). Zij was de echtgenote van Jan van Suchtelen, burgemeester van Deventer. Dit schilderij is als familiestuk van de Van Suchtelens in bezit geweest van Jan Pieter en hangt thans in de nabijheid van diens eigen portret in de eregalerij van Dawe.69

De autografencollectie van Van Suchtelen

Met het aanleggen van zijn autografencollectie is Van Suchtelen vermoedelijk pas in Stockholm begonnen. In 1821 op bezoek in Nederland geeft

[p. 39]

hij in elk geval toe dat zijn verzameling nog niet goed is geordend.70 Vanaf dat moment heeft hij er echter veel zorg en tijd aan besteed, hetgeen resulteerde in een omvang van 13.000 dossiers die na zijn dood naar de Keizerlijke Bibliotheek te Sint-Petersburg kwamen. Er bevinden zich ook andere autografencollecties in de Petersburgse bibliotheek, maar die van Van Suchtelen is verreweg de grootste.71 Uit de Van Suchtelen-collectie zijn in de loop der jaren een aantal brieven en briefjes van bekende personen gepubliceerd, zoals van Goethe, Diderot, Herder. Voor de Nederlandse autografen is dit, voorzover mij bekend, nog niet gebeurd.72

In het begin van de negentiende eeuw raakte het in zwang om autografen te verzamelen. Zeventiende-eeuwse brievenverzamelingen, zoals die van Loménie de Brienne en van Philippe de Béthune werden bijeengebracht vanwege de historische, staatspolitieke betekenis. Andere collecties, zoals die van geleerden als Bonaventura Vulcanius, Justus Lipsius, Isaac en Gerardus Joannes Vossius, bleven bewaard om wetenschappelijke redenen. Aan het eind van de achttiende eeuw, met de groeiende belangstelling van de romantici voor het verleden, kwamen er nieuwe motieven om autografen te verzamelen: motieven van historische sensatie brachten verzamelaars ertoe om zoveel mogelijk handtekeningen van beroemde personen in albums of portefeuilles bijeen te brengen. In Engeland was John Cotton een van de eersten; in Frankrijk abbé Villeneuve. Vanaf 1823 werden er te Londen geregeld belangrijke autografenveilingen gehouden. Een belangrijke datum vormde het jaar 1828, toen in Parijs het eerste deel verscheen van de Isographie des hommes célèbres van Bérard, vier delen facsimile's van handtekeningen van beroemde personen, een standaardwerk voor de verzamelaars.73

In Nederland werd op dat moment al naarstig verzameld. Op 17 november 1809 had de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde een openbare vergadering gehouden, waarop mr. P.J.B.C. van der Aa een verhandeling voorlas ‘over het belangrijke van briefverzamelingen van beroemde mannen, opgehelderd door de mededeeling van twee onuitgegevene brieven van J. van Heemskerk en D. Rafelsz. Camphuyzen’.74 De tekst van deze redevoering is weliswaar gedrukt, maar helaas vooralsnog niet terug te vinden.75 Toen Van Suchtelen in 1820 de Nederlandse historicus Jacobus Scheltema had gevraagd of deze hem niet wilde helpen met het verwerven van autografen, kreeg hij als antwoord: ‘Ik ben niet in staat autographen aan Uwe Exc. te bezorgen - daaromtrent is ook alhier veel liefhebberij en eene manie bijna voor naamteekeningen.’

[p. 40]

Uiteindelijk lukte het Van Suchtelen een grote collectie aan te leggen van handtekeningen van bekende staatslieden, dichters, geleerden en militairen uit heel Europa. Zoals gezegd telt de verzameling ongeveer 13.000 dossiers, waarvan er ongeveer 1.000 betrekking hebben op Noord-Nederlanders. De Nederlandse sectie in de collectie is volgens de toentertijd gangbare opzet geordend: allereerst de staatslieden, te beginnen met de vorsten, vervolgens militairen, geleerden, letterkundigen. Soms bestaat een dossier uitsluitend uit een handtekening, uit enkele regels geknipt uit een origineel document of uit een blad afkomstig uit een album amicorum, maar soms ook uit één of meerdere in hun geheel bewaard gebleven brieven.

Een briefje van Van Suchtelen aan baron Stolpe, gouverneur van de Zweedse stad Vesteras, onthult dat ook bij hem het belang van de verzamelde brieven niet zozeer de inhoud van de documenten is als wel het bemachtigen van zoveel mogelijk handtekeningen van beroemde personen. Van Suchtelen stuurt aan Stolpe een lijstje met 69 namen van personen die nog niet in zijn autografencollectie vertegenwoordigd zijn en hij vraagt of Stolpe wellicht nog dubbelen heeft: ‘tout amateur qu'il est [... il recherche] proprement pour sa collection moins ce qui tient à l'histoire, que la simple autographe de toute personne remarquable ou celèbre dans un genre quelconque, indifferent au reste au contenu de la pièce.’76

 

Over de wijze waarop Van Suchtelen zijn collectie tot stand bracht, geven brieven in zijn eigen verzameling een gedeeltelijk antwoord. In elk geval werden aan hemzelf gerichte brieven in de verzameling opgenomen. Door de belangrijke positie die hij in het politieke leven innam, is er op deze wijze een groot aantal beroemde personen in zijn portefeuilles opgenomen. Maar ook brieven van minder bekende personen kregen een plaatsje, zoals bijvoorbeeld van F. Verster, arts in 's-Hertogenbosch, uit 1782, voorzien van een recept van een gorgeldrank, waarmee Van Suchtelen minstens acht keer per dag moest gorgelen ‘en den mond niet kort daer op uit te spoelen’.77 Ook onder de Italiaanse correspondenten bevindt zich een briefje van een arts, namelijk van Vitorio Poggio, arts te Odessa, die in 1800 een recept stuurde ter bestrijding van de oorontsteking van een van de dochters van Van Suchtelen. Duidelijk is dat Van Suchtelen van jongs af aan zijn correspondentie heeft bewaard en daarvan later gebruik heeft gemaakt voor de start van zijn autografencollectie. Zo is er een brief van Johannes van der Trans, een studiegenoot uit Groningen uit 1767. En er zijn, zoals reeds werd opgemerkt, felicitatiebrieven, ontvangen ter gele-

[p. 41]

genheid van zijn bevordering tot kapitein-ingenieur in 1778 en bij zijn huwelijk een jaar later.

Om de verzameling uit te breiden heeft Van Suchtelen geruild met andere verzamelaars, hij heeft vrienden en bekenden aangespoord om hem documenten te bezorgen en hij heeft diverse grote aankopen gedaan. Geruild werd er onder meer met de befaamde Britse verzamelaar William Upcott, met wie hij in contact kwam via een Nederlandse kennis, F.N. Changuion. Deze schreef uit Londen dat Upcott graag dubbelen wilde ruilen: ‘[il] sera charmé de troquer ses doubles de l'Angleterre contre tout ce que vous pourrez lui fournir de la Suéde, du Danemarc, de la Russie, et de la Pologne, dont il n'a presque rien.’78 En bij een bezoek in 1821 aan Nederland probeerde Van Suchtelen via een kennis om van de vooraanstaande Nederlandse verzamelaar C.A. van Sypesteyn een handtekening van Hugo de Groot te bemachtigen, ‘in ruil daarvoor aanbiedende die van Carel den xii met drie andere van zijne opvolgers’.79 Uit dit eerste contact volgde een schenking door Van Sypesteyn van maar liefst 113 autografen. Van Suchtelen antwoordde met het sturen van de autografen van koning Gustaf Adolf, Linnaeus, tsaar Alexander i en Madame De Staël. Bovendien zou hij, zodra hij zijn winterverblijf had betrokken, ‘Russische Generaals, Spaansche Staatsministers en eenige van het ephemere Koningrijk Westphalen’ sturen.80

Voorbeelden van relaties die werden ingeschakeld bij het leveren van autografen, zijn in Parijs onder meer de boekverkoper Guillaume de Bure en de bibliothecaris Joseph van Praet. De Bure stond brieven af van klanten, waaronder bijvoorbeeld baron Silvestre de Sacy en de geograaf Charles-Athanase Walckenaer. Van Praet, de bibliothecaris van de Bibliothèque Royale te Parijs, schroomde niet om brieven cadeau te doen van geleerden en geletterden die zijn hulp vroegen om van de Parijse bibliotheek gebruik te kunnen maken.81 Van de Deense schrijfster Friederike Brun, geboren Münter, ontving hij een verzameling autografen ‘de personnes celèbres et distingués avec lesquels un sort propice m'a mise en relation, dès ma sortie de l'Enfance’.82 En de Zweedse scheikundige Jöns Jacob Berzelius schonk uit zijn eigen briefwisseling in totaal 158 brieven van bekende personen.83 Generaal Benjamin Bloomfield, die van 1822 tot en met 1825 ambassadeur van Groot-Brittannië in Stockholm was geweest, schreef dat hij het verzoek van Van Suchtelen om een autograaf van Bloomfields ‘late Master’ (vermoedelijk doelde hij daarmee op George iv) te sturen, niet was vergeten.84

[p. 42]

Behalve door ruil en schenkingen heeft Van Suchtelen zijn collectie ook uitgebreid door aankopen. Zo zijn verschillende alba amicorum vermoedelijk aangekocht en vervolgens uit elkaar gehaald. Door de hele collectie heen zijn er bladen verspreid geraakt uit de alba van C.P. Thunberg85, van Joachim Hubner, van Joh. Jac. Zeller, van Otto Swanenburg86, van vader en zoon Gezelius,87 en van J.J. Björnståhl.88 Van Pierre Doubrovsky werden 40, merendeels Franse autografen gekocht.89 De Parijse boekverkoper De Bure bood in 1832 aan Van Suchtelen te koop aan: ‘une collection infiniment précieuse [...] non seulement comme écriture de personnages célèbres, mais encore comme d'une grande condition’. Het betrof de brievencollectie van de Italiaanse theoloog Calogera (1699-1768), die inderdaad in Sint-Petersburg is terechtgekomen.90 Vermoedelijk werd ook de collectie van de Parijse verzamelaar Danguin aangeschaft. Deze bood zijn verzameling van 7.731 stukken in 1832 aan Van Suchtelen aan voor 7.731 francs.91

 

Bij het doornemen van de portefeuilles gewijd aan Nederlandse letterkundigen en geleerden kwam ik ook geregeld brieven tegen die gericht waren aan een van de opeenvolgende secretarissen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Zo zijn er nogal wat brieven waarin nieuwgekozen leden aan de secretaris schrijven om te bedanken voor hun uitverkiezing. Ik geef drie voorbeelden. Griffier Hendrik Fagel voelt zich vereerd te zijn gekozen; het brengt hem in verlegenheid, ‘dewijl ik mij niet bewust ben, diergelijke gunst in eenigerley maniere te verdienen’. Baron de Keversberg aanvaardt de verkiezing tot lid gaarne, maar hij verontschuldigt zich, dat hij door een langdurig verblijf in Duitsland en in Frankrijk geen Nederlands spreekt en evenmin schrijft: ‘mes organes et ma plume se refusent également à s'énoncer dans une langue dont je sens la beauté sans avoir ni les connaissances, ni le courage pour m'en servir.’ Ook Nicolaas Tholen, klerk ter Lands secretarie in Leeuwarden, is vereerd: ‘Hoe zeer ik [...] overtuigt ben van myne onbekwaemheid, om deze aanzienlyke Maetschappij van eenig nut te zullen wezen, zoo vinde ik mij echter met deze verkiezing vereert, en neme dezelve met dankzegging aen, zullende mij bevlijtigen, om te beantwoorden aan het goedgunstig oordeel, 't welk men van mij heeft.’92

Ook andere documenten uit het archief van de Maatschappij zijn in Sint-Petersburg terechtgekomen. Daniel van Alphen, voorzitter van de Maatschappij, stuurt zijn commentaar inzake de uitgave van deel 2 van de

[p. 43]

Werken van de Maetschappy. Cornelis Cleyn, predikant te Brielle, schrijft in verband met de uitgave van diens manuscript door de Maatschappij. Martinus Isaäc de Crane uit Hoorn doet het voorstel dat men niet alleen een afschrift van een vergaderstuk kan vragen, maar dat men de stukken die op de vergadering zijn ingekomen, ook toegestuurd kan krijgen, want hoe weet men anders of de vraag naar een afschrift de moeite waard is. Josua van Iperen schrijft licht geïrriteerd: ‘Krijge ik ook niet een exemplaar van het ontwerp des Woordenboeks? Het staat mij voor, dat ik over eenige jaren, in de Bijdragen aanleidinge tot dat ontwerp gaf; schoon dit thans niet gemeld wordt.’ En als laatste voorbeeld citeer ik een brief van Willem Kops, die in 1770 het manuscript van zijn ‘Schets eener geschiedenisse der rederijkeren’ ter beoordeling stuurt voor opname in de Werken: ‘Het is het belang der Maatschappije, dat de stukken, die zy den waereld staat mede te deelen, de hoogste trap van volmaaktheid, waartoe zy te brengen zijn, bezitten.’ Kops oordeelt dat zijn bijdrage nog niet volmaakt is; daarom heeft hij het een ‘Schets’ genoemd.93

Vermoedelijk zijn al deze brieven die geadresseerd zijn aan de Maatschappij, afkomstig uit een andere autografencollectie, namelijk die van de historicus Jona Willem te Water. Te Water was van 1793 tot aan zijn dood in 1822 voorzitter van de Maatschappij. In de Van Suchtelen-collectie zijn veel brieven aanwezig die aan hem zijn gericht.94 Te Water had een zeer grote collectie autografen, die na zijn dood is geveild.95 Tot nu toe ontbreekt het schriftelijke bewijs dat Van Suchtelen op deze veiling (oktober 1823) aankopen heeft gedaan, maar uitgebreider onderzoek in Sint-Petersburg brengt mogelijk helderheid in de zaak. Een geschikte kandidaat die voor Van Suchtelen kan hebben bemiddeld bij de aankoop, zou Jacobus Scheltema kunnen zijn. Mogelijk hadden beiden elkaar ontmoet in 1814, toen Van Suchtelen tsaar Alexander vergezelde op diens reis naar Nederland, waarover Scheltema een uitgebreid verslag schreef. Scheltema, geïnteresseerd in de Russische geschiedenis, hoopte dat Van Suchtelen voor hem in Sint-Petersburg kon bemiddelen en hij had al eens geschreven wel bij Van Suchtelen te willen werken: ‘Ik wenschte wel gebannen te worden in uw Museum: 500 oude drukken wat zal daar uit te halen zijn voor de geschiedenis der kunsten.’96 Bij de verkoop van de handschriften van Constantijn en Christiaan Huygens in het voorjaar van 1823 had hij niets voor Van Suchtelen kunnen bereiken, hoewel: ‘het was een heerlijke collectie voor Uw Cabinet geweest’.97 De hele verzameling was door de koning aangekocht en vervolgens verdeeld tussen het Rijksarchief, het Koninklijk

[p. 44]

Instituut, de Universiteitsbibliotheek Leiden en het Koninklijk Huisarchief.98 Mogelijk heeft Scheltema later in het jaar Van Suchtelen wel een goede dienst kunnen bewijzen door aankoop op de veiling van Te Water.

Scheltema had eerder een ander voorstel gedaan: hij kon vervalsingen leveren, niet van het origineel te onderscheiden, gemaakt door een ‘kunstig scribent’, voor twee stuivers per stuk. Hij zou op die wijze ‘ontallijk veel naamteekeningen’ kunnen leveren.99 Voorlopig neem ik echter aan dat Van Suchtelen op dit voorstel niet is ingegaan.

 

Helaas ontbreekt in Sint-Petersburg een goede inventaris van de Nederlandse autografen van Van Suchtelen. Voor de Franse en de Zweedse deel-collecties zijn die in de afgelopen jaren al wel tot stand gekomen. Een dergelijke inventaris is onontbeerlijk om de rijkdom van de collectie goed te kennen en te kunnen gebruiken. Tot nu toe is er bijvoorbeeld geen enkele toegang op de afzenders en de herkomst van de aanwezige brieven en autografen.100 Van harte hoop ik dat het de Nationale Openbare Bibliotheek van Rusland zal lukken om, mogelijk in samenwerking met Nederlandse organisaties, een dergelijke inventaris te maken. Het zou tevens een verlaat eerbewijs zijn aan Jan Pieter van Suchtelen: Nederlander en Rus, maar bovenal een erudiet en beminnelijk wereldburger.