|
|
|
| |
| | | |
Leopold Flam
Antwerpen 16 maart 1912 - Brussel 29 september 1995
Niets is zo moeilijk als het levensbericht schrijven van een auteur die er herhaaldelijk op wees de biografische gegevens niet te verwarren met de existentiële leefwereld waarin de mens ondergedompeld is. Het specifieke bestaan van de enkeling, de weg die hij in alle eenzaamheid bewandelt, is niet te herleiden tot een opsomming van zijn verrichtingen, maar houdt verband met zijn wijze van in-de-wereld-zijn, met de manier waarop hij is. In wat volgt zijn de biografische gegevens dan ook tot een strikt minimum beperkt1, en gaat de aandacht uit naar Leopold Flam en zijn werk.2
In de periode van de jaren zestig tot de jaren tachtig maakte Leopold Flam, samen met Alphonse Dewaelhens, Chaïm Perelman en Rudolf Boehm, deel uit van een vooraanstaande generatie van Belgische filosofen. Reeds in 1948 verscheen Flams eerste filosofisch essay, dat zoals een aantal daarop volgende werken in het Frans uitgegeven werd. Vanaf de jaren 1952 tot 1984 volgde een niet aflatende stroom van Nederlandstalige publicaties. Een ernstig ongeval in 1979 leidde het einde van deze zeer productieve periode in3; Flam verdween niet van het toneel, maar zijn gezondheidstoestand liet hem niet meer toe zich even onvermoeibaar aan academische en op publicatie gerichte taken te wijden. Hij overleed op drieëntachtigjarige leeftijd.
‘Professor Flam’ was in academische kringen een begrip, vooral aan de Vrije Universiteit van Brussel. Als student wilden we er allen bij zijn toen de collegezaal zich vulde met honderden studenten in afwachting van de komst van Flam. Tot de onvergetelijke momenten behoorde de wijze waarop Flam aan studenten publieke erkenning verleende voor een geslaagde opdracht. Ik wist toen nog niet dat die erkenning rechtstreeks verband hield met het in zijn werk steeds terugkerend thema van de miskenning en de mislukking. In ieder geval, zo kan ik in alle ernst bekennen, begon mijn leven als het ware op één van die momenten. Enkele jaren later leende hij mij een exemplaar van het weinig bekende essay Faux Traité d'esthétique, geschreven door de in Auschwitz omgekomen dichterdenker Benjamin Fondane.4 Flams eruditie ging gepaard met een onuitputtelijke kennis van auteurs en boeken die hij in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel op het spoor kwam.5 Fondane behoorde niet toevallig tot
| | | |
één van hen. Dat blijkt uit een aantal thema's die zowel Flam als Fondane bespreekbaar maakten: het tragische bewustzijn, de verveling, provocatie en durf, machteloosheid, opstandigheid, creatieve zelfwerkzaamheid, eenzaamheid.
De impact van Flam in Vlaanderen is wellicht groter geweest dan hij ooit zelf vermoed heeft. Uit het liber amicorum dat hem in 1973 aangeboden werd, blijkt dat zijn bekendheid tot over de landsgrenzen reikte.6 Zo nam Flam in 1972 te Cerisy-la-Salle deel aan het colloquium Nietzsche aujourd'hui?7 Zijn zeer interessante bijdrage getiteld ‘Solitude et ‘étrangement’ de Nietzsche dans la pensée de Heidegger’ en de daaropvolgende discussie getuigen van minstens twee elementen die de moeite waard zijn om kort bij stil te staan. Flam, die hield van neologismen, interpreteerde de reacties van zijn Franse toehoorders - die over het oneigenlijk gebruik van het bijwoord étrangement vielen - als een pijnlijk onbegrip voor zijn denkwijze. Hij had nooit de mythe van een objectieve lectuur, noch die van een eigenlijk taalgebruik verdedigd, zeker niet bij een auteur als Nietzsche, en had steeds de intuïtief aanvoelende, op de eigen existentie betrokken benaderingswijze geprezen. Hij leek daarbij beïnvloed door de hem bekende Russische denker Léon Chestov, die er eveneens van beschuldigd werd de auteurs die hij behandelde naar eigen hand te zetten, maar als reactie elke aanspraak op objectiviteit relativeerde en steeds op de mogelijkheid wees om de teksten van de besproken auteurs zelf te lezen. Ook Flam lijkt gedacht te hebben: wenst u Kant, Hegel, Marx, Kierkegaard, Heidegger of Sartre te leren kennen, lees dan hun werken; leest u echter Flam, dan krijgt u Flam.
Het risico van zo'n subjectieve toe-eigening bestaat evenwel in de mogelijke vereenzelviging met het onderwerp, wat op zijn beurt kan leiden tot een afkeuring vanwege de lezer en wat, in dit geval, bij Flam een gevoel van persoonlijke miskenning veroorzaakte. Niet dat hij dat risico niet wilde lopen, integendeel. Hij meende dat een denker die het conflict uit de weg gaat, het meningsverschil schuwt of zwicht voor moeilijke opdrachten, om in ruil persoonlijke zekerheden, materiële welstand en zielenrust te verkrijgen, van een diep menselijk bedrog getuigt en de eigen dood anticipeert; Flam vatte menselijk respect op als een dimensie die niet alleen refereerde aan onderlinge instemming en gelijkheid van gedachte, maar tevens te herkennen was in geschillen en uitgesproken meningsverschillen. Niettemin bracht zijn ‘differentiedrift’ hem op een eenzame weg, die uitmondde in angst voor verraad en zelfs kon omslaan in geanticipeerd
| | | |
verraad en een gewild doorprikken van de (soms onbestaande) valstrik. Ook die kenmerken van zijn denken en handelen dienen genoemd te worden (obsessie, achterdocht, vertwijfeling). Ze hebben nooit hetzelfde succes gekend als de even gewaagde existentiële thema's (de walging, de afkeer, het niets of de angst) die zijn collega's zo beroemd maakten. Voor Flam maakten ze deel uit van zijn bestaan en derhalve van de menselijke existentie in het algemeen; de negatieve kanten dienden niet geloochend noch verworpen te worden, maar maakten, samen met de zogenaamde positieve aspecten, deel uit van het toevallige en eindige verblijf in deze wereld.
Wat nu zijn oeuvre als geheel betreft kunnen hoofdzakelijk twee strekkingen herkend worden. De eerste is van esthetisch-existentiële aard en vertolkt de relatie van de mens tot zijn eigen levensontwerp, de tweede is van socio-politieke aard en is gericht op de verhouding tussen enkeling en gezag. Tot de thema's die dat eerste aspect benaderen behoren onderwerpen als de vertwijfeling, de verveling, de mislukking, machteloosheid en zelfvervreemding, maar ook zelfwerkzaamheid en zelffundering. De tweede dimensie belicht naast thema's als macht, geweld en dwang ook de onderwerping, de onderdanigheid, de berusting en de gehoorzaamheid, maar ook de weigering, de opstandigheid, de kritiek en het protest.
Algemeen kan inderdaad gesteld worden dat Flams denken ontegensprekelijk gekenmerkt wordt door het uitdiepen van de vele houdingen die men kan aannemen ten opzichte van een autoriteit, van welke aard ook, die van het zelf ten opzichte van het zelf inbegrepen. Wie daarvoor een biografische verklaring zoekt, komt weliswaar uit op zijn ervaringen in interneringsplaatsen als de Dossin-kazerne in Mechelen en het concentratiekamp Buchenwald.8 De extreme vernederingen, de directe getuigenissen van datgene waartoe de mens in staat is, liggen wellicht aan de basis van zijn wantrouwen in de mens, maar omdat het zo'n diep geankerd wantrouwen is, hangt het onvermijdelijk vast aan een even onpeilbaar vertrouwen.
Dat laatste uitte zich van bij aanvang in zijn pedagogische bewogenheid, in wat hij kortom de heropvoeding van de jeugd noemde. Flam was van 1945 tot 1955 leraar geschiedenis en vanaf 1957 was hij veertien jaar lang inspecteur van datzelfde vak, hoewel hij die laatste functie, omwille van de dubbelzinnigheid van zien en gezien worden, niet als een onschuldige waarnemende activiteit kon opvatten. Zo merkte hij op: ‘De titel zelf van die functie maakte van me een bespieder, die zelf bespied werd en het
| | | |
wist.’9 Hij voerde nieuwe lesmethoden in en schreef de daarbij behorende artikelen over didactiek en algemene onderwijsproblemen.10 Ook aan de universiteit nam hij het initiatief tot nieuwe wijzen van filosoferen; de bestaande vormen, het academisch hoorcollege inbegrepen, konden niet volstaan. Naast de colleges waar hij een grote groep jongeren kon bereiken, inspireerde Flam derhalve het denken in kleine groepjes. Met het stichten van de Vlaamse Vereniging voor Wijsbegeerte te Brussel en daarna de filosofische kring Aurora te Antwerpen, waar ook jonge studenten het woord konden nemen, keerde hij bovendien de hiërarchie van universitaire instellingen om. De socratische meester-leerling verhouding genoot zijn voorkeur. Hoewel die niet te verwarren is met de hegeliaanse heerslaaf verhouding, hield Flam vast aan de kenmerkende eenheid der tegengestelden van de Duitse filosoof. Heer en knecht zijn als twee elkaar weerstrevende krachten, niet onverschillig tegenover elkaar. Enkel door tussenkomst van de knecht verwerkelijkt de heer zijn erkenning als heer, terwijl wat de knecht doet voor de heer, hij meteen ook doet voor zichzelf. Die dialectische verhouding lag voor Flam aan de basis van alle intersubjectieve uitwisselingen, uitgezonderd de door vriendschap en liefde getekende man-vrouw relatie.11 Misschien was Flam nooit echt op zoek naar gesprekspartners, maar naar kritische luisteraars aan wie hij zijn gedachten kon spiegelen.
Flams inzichten in de geschiedenis brachten hem tot de overtuiging dat tragisch bewustzijn (de aan de existentie inherente kloof tussen denken en zijn, tussen willen en doen) en zelfbevestiging hand in hand gaan. Hoewel zijn protest tegen geweld en onrecht in deze wereld niet door alle voor tegenslag gespaarde jongeren begrepen werd, belichaamde Flam desondanks de gedaante van de enkeling die zijn lot op zich neemt, van de opstandige geest die, zoals Job, gerechtigheid eist, maar niet krijgt waar hij naar vraagt. Want leest men het verhaal van Job tot net voor het antwoord van God en voor het gezegend einde, dan vindt men daar een beschrijving van de laatste levensjaren van Flam: ‘Ik verwachtte het goede, maar het kwade kwam; ik verbeidde het licht, maar de duisternis kwam. Mijn binnenste kookt en komt niet tot rust, dagen van ellende hebben mij overvallen.’ (Job 30:26-27.) Na elke tegenslag kwam Flam opnieuw tot de vaststelling dat de enige manier om te overleven lag in de zelfwerkzaamheid. Hij wist dat geen enkel bestaan ongeschonden was of bleef, dat een existentie zonder littekens een loochening is van de realiteit en dat derhalve ieder van ons uitgenodigd is om telkens opnieuw bij de wijze van leven en
| | | |
overleven stil te staan. Zoals lezen en schrijven voor Flam de enige samenhang in een ontbonden werkelijkheid vormde, zo spoorde hij ieder van zijn toehoorders aan om via het gesproken betoog of het schrift het beste in zichzelf te ontdekken. Flam gebruikte daartoe vaak de methode van de provocatie als vonk om iemand uit de twijfel te helpen en tot daadwerkelijke zelfmanifestatie over te doen gaan. Aangezien hij filosofie als een marginale activiteit zag die door geen enkele andere instantie dan het denken zelf gedicteerd kon worden, stelde hij prijs op de ontdekking door studenten van allerlei mogelijke verschijningsvormen waaronder hun verpersoonlijkte filosofie zich kon uiten.
Flam zocht toehoorders via het schrift en vond ze er niet. Hoewel de gepubliceerde boeken een paradoxaal genoeg hoog aantal bereikten, stond het gesproken boven het geschreven woord. Dat laatste werd door Flam, in navolging van Plato, als dood bestempeld en kon alleen verlevendigd worden door gezamenlijke lectuur tijdens filosofische bijeenkomsten. In die zin miste het geschreven woord een zelfstandigheid en werd het door Flam in feite beschouwd als een bevriezen op papier van gesproken betogen. Zijn schrijfstijl wordt inderdaad gekenmerkt door het ritme en de spontaneïteit van de gesproken taal (soms zelfs van de spreektaal), en aangezien hij niet altijd de nodige aandacht besteedde aan de juiste schrijftechniek, zijn niet alle boeken even genietbaar.12 Een boek van Flam sla je op verschillende plaatsen open tot je een plek vindt waar je je tenten tijdelijk kunt opslaan en uit de conventionele denkwereld verdwijnt.
Wie de vaak onstuimige Flam aan het werk zag, wist dat deze hartstochtelijke eenzaat een strijd voerde met innerlijke demonen (volgens de uitdrukking van Maurice de Gandillac). De durf die Flam aan de dag legde om zijn onophoudelijk innerlijk gevecht in de openbaarheid te brengen, de verhoogde kwetsbaarheid die daardoor ontstond ten opzichte van zijn vermeende tegenstanders hebben hem nooit doen bezwijken voor de bewuste belevenis van de grenssituaties van de eindige mens. De laatste jaren van zijn leven werd Flam meer dan ooit geconfronteerd met de eenzaamheid voor de dood, een taak die, zoals hij wist, niemand van iemand anders kan overnemen. Maar ook toen bleven zijn levensvragen zich herhalen. Hoe raak je door een dermate gekwetste existentie zonder medelijden op te wekken? Wat weerhoudt de mens van daadwerkelijke zelfmoord midden in een wereld van symbolische zelfmoord? Heeft de durf om niet conformistisch te denken uiteindelijk wel zin? Flam wist dat anti-conformisme vaak uitmondt in conformisme en had de vele vormen daarvan beschreven.
| | | |
Ofwel worden de nonconformistische gedachten door de geïnstitutionaliseerde macht opgenomen en onopgemerkt getransformeerd in conformisme, ofwel verschijnt de anticonformist als een ontwortelde, een gek of een gevaarlijke misdadiger. Dat betekent dat hem, met andere woorden, geen keuze overblijft. Om anticonformist te kunnen blijven, wordt hij ertoe gedwongen met het genadeloze oordeel van het heersend gezag in te stemmen en, net als Foucault, machteloos toe te zien hoe de geïnstitutionaliseerde maatschappij de waanzin en misdadigheid niet alleen in stand houdt maar schept en organiseert. Er rest hem alleen nog de mogelijkheid om als uitgestotene in een zelfgebouwde werkelijkheid te verblijven en de innerlijke strijd van ontreddering, wanhoop en zelfverachting proberen te overleven.
Vandaar dat Flam zich nooit overgegeven heeft aan een of ander bestaand gezag, aan een ideologie of aan een eschatologisch denken. In die zin is hij onbetwist een voorloper van de postmoderne deconstructie van zekerheden. Onjuist is het om hem als een scepticus te bestempelen en virtueel onmondig te maken. De scepticus is iemand die observeert, die nadenkt, maar niet tot onbetwistbare zekerheden komt. Flam poogde de traditionele tegenstelling van weten en niet-weten te ontkrachten door er de ontelbare tussengebieden van in kaart te brengen. Als denkende mens wist hij daarbij zijn denkinhoud vrij behoorlijk te beheersen, maar dat nam niet weg dat hij desondanks stootte op wat zich in het denken zelf openbaart: de naakte relatie tot het zijn. Denken slaat immers niet alleen op het denken van iets, maar is, zoals Heidegger opmerkte, een zijnservaring. Niet vanuit een alomvattend perspectief dus, maar stapsgewijs ontwierp Flam de omgang met de wereld en daarmee zichzelf.13 Vanuit de voorbije ervaringen en ontdekkingen richtte hij zich telkens opnieuw op een nieuwe wijze van zien en handelen. Vooruitkijken werd op die manier een merkwaardig soort terugblikken. Vandaar dat Flam schreef: ‘Elk anticonformisme heeft het geheugen van de toekomst.’
De notie toekomst, ten slotte, duikt met grote regelmaat op in deze zwaar geladen existentiefilosofie. Een toekomstgerichte filosofie kan immers alleen ontworpen worden vanuit een kier of een spleet, vanuit een vernauwde blik maar met wereldverbeterende ambities. Hoewel Flam in zijn latere geschriften het concept intersubjectiviteit een belangrijke plaats toekent, toch vertolken zijn werken een uitgesproken subjectiviteitsfilosofie: het subject, en vooral het bewustzijnsaspect van het denkende subject treden op de voorgrond. Dat blijkt tevens uit één van zijn definities van
| | | |
filosofie: ‘Filosofie is in de eerste plaats de denkende zelfverwezenlijking van een enkeling, waardoor hij in staat wordt gesteld de wereld en de anderen in hun geheel te begrijpen.’14 Deze uitspraak getuigt op het eerste gezicht van een prijzenswaardige redelijkheid, maar heeft in feite de bedoeling om de eigenzinnige, zelfstandige denkactiviteit te doen vergeven dankzij de toenadering van de denker tot de wereld en de ander die in zijn denken weerspiegeld zijn. Ze vraagt goedkeuring en begrip voor de egoistische zelfverwezenlijking door erop te wijzen dat die laatste een in wezen altruïstische act is.
Flam had het tweede gedeelte van die uitspraak kunnen ombuigen en benadrukken dat het denken de mens in staat stelt op een meer bezonnen wijze met zichzelf, de wereld en de ander om te gaan. Maar het begrijpen van de wereld en van de ander stond hoger aangeschreven dan de omgang met de wereld en de ander - alsof de laatste altijd reeds gegeven was en de eerste steeds nog te maken was - waarmee Flam het socratisch ethisch determinisme een eigen invulling gaf. De moeilijke omgang met de ander vormde, en Flam was zich daarvan bewust - ‘het besef van dit ontologisch karakter van het wantrouwen, [dat me steeds heeft] belet om me onder mensen op mijn gemak te voelen’15 - de achilleshiel in zijn betoog, of beter, in zijn bestaan. Maar aan de andere kant, aangezien het toegelaten is om je op je ongemak te voelen en niemand je dat kan verbieden, bood het hem de kans te vechten tegen onverschilligheid, tegen ‘de gelijkheidswet die vraagt dat iemand zoals iedereen behandeld wordt’. In tegenstelling tot het wantrouwen had het vertrouwen volgens Flam eerder te maken met de toekomst, onder andere met het vertrouwen dat hij trouw zou blijven aan zijn levensopvattingen, iets wat hij tot het einde diende te bevestigen. Vanuit dat inzicht verklaarde hij: ‘Zonder het vertrouwen in zichzelf en in de anderen wordt het protest een wanhoopsdaad. Omdat ik vertrouwen heb in mijn toekomstige bevriende lezers, kan ik zaken meedelen die me verontwaardigen en waartegen ik protesteer.’16 Flam schreef niet in naam van een te bereiken ideaal, maar zette de stappen die de nodige verandering zouden brengen en introduceerde, zij het via de zogeheten omwegen, nieuwe denkwegen. Wat door velen beschouwd wordt als een leven dat beëindigd wordt, het leven dat vanzelf ophoudt, was voor Flam gelijk aan opstandigheid tot de laatste adem.
ann van sevenant
| | | |
| |
Voornaamste geschriften
Deze lijst bevat alleen de publicaties in boekvorm (waaronder enkele als universitaire cursus verschenen) en dus niet de vele artikelen (bijvoorbeeld uit de reeks Problemen), noch de bijdragen aan de tijdschriften waar Flam stichter en directeur van was (bijvoorbeeld Dialoog, Tijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel en Tijdschrift voor de studie van de Verlichting).
| La morale du siècle des Lumières. Bruxelles 1949. |
| Morales religieuses préchrétiennes. Bruxelles 1950. |
| Het levensideaal bij de Griekse filosofen. Berchem 1951. |
| Plato, Descartes, Kant. Antwerpen 1952. |
| De wijsgerige bezinning. Gent 1954. |
| Fluisterende stemmen. Gent 1954. |
| Nietzsche, wijsgeer van de voornaamheid. Bussum 1955. |
| De crisis van de burgerlijke moraal. Antwerpen 1956. |
| Het innerlijk tehuis. Gent 1957. |
| Profielen van Plato tot Sartre. Antwerpen 1957. |
| De morele crisis van onze tijd. Amsterdam 1958. |
| Ontbinding en protest. Van Marquis de Sade tot Sartre. Antwerpen 1959. (Herwerkte versie Amsterdam 1967). |
| Filosofie is atheïsme. Sint-Niklaas 1959. |
| De onverzoenlijken. Sint-Niklaas 1959. |
| Ethisch socialisme. Antwerpen 1960. |
| Wie was Nietzsche? Beschouwingen bij ‘Alzo sprak Zarathustra’. Antwerpen 1960. |
| Zelfbewust-Zijn. Antwerpen 1961. |
| La philosophie au tournant de notre temps. Bruxelles 1961. |
| Verleden en toekomst van de filosofie. Amsterdam 1962. |
| Proeven over het tragisch bewustzijn en de geschiedenis. Antwerpen 1963. |
| Denken en existeren. Amsterdam 1964. |
| L'homme et la conscience tragique. Problèmes du temps présent. Bruxelles-Paris 1964. |
| De geschiedenis van de dialektiek. Sint-Niklaas 1964. |
| Geschiedenis van het atheïsme. Brussel 1964. |
| Gestalten van de westerse subjectiviteit. Amsterdam 1965. |
| | | |
| Tegen de stroom. Brussel 1966. |
| Zelfvervreemding en zelfzijn. Amsterdam 1966. |
| Het huis van de wereld. Amsterdam 1966. |
| De bewustwording. Beschouwingen bij de ‘Fenomenologie van de Geest’ van Hegel. Brussel 1966. |
| Le crépuscule des dieux et l'avenir de l'homme. Bruxelles-Paris 1966. |
| De bezinning. Amsterdam 1968. |
| Wording en ontbinding van de filosofie. Amsterdam-Antwerpen 1969. |
| Démocratie et Marxisme. Bruxelles 1969. |
| Passé et avenir de la philosophie. Bruxelles 1970. |
| Het marxisme van 1918 tot heden. 2 delen. Brussel 1970. |
| Droom en werkelijkheid. Brussel 1972. |
| Ideologie en filosofie. Brussel 1972. |
| Filosofie van de eros. Antwerpen 1973. |
| De bron. Leuven 1973. (Herziene uitgave 1978.) |
| De betekenis. Brussel 1975. |
| Atheïsme heden. Brussel 1975. |
| Bevel en gehoorzaamheid. Antwerpen 1978. |
| De eenzaamheid. Leuven 1979. |
| Het individu in het Westers bewustzijn. Antwerpen 1980. |
| Filosofie van het Recht (1821), G.W.F. Hegel. 2 delen. Antwerpen 1980. |
| De kunstenaar. Brussel 1981. |
| Protest tegen de catastrofale werkelijkheid. Leuven 1981. |
| De gekwetste existentie. Leuven 1983. |
| Misschien... over de waarschijnlijkheid. Antwerpen 1984. |
| Grote stromingen van de filosofie. Deel i. Brussel 1985. |
| Grote stromingen in de filosofie van de oudheid tot heden. Brussel 1985. |
| De esthetica van Kant. Leuven 1988. |
| Naar de dageraad, getuigenissen uit de oorlogsjaren 1943-1945. Brussel 1996. |
|
1Ik ontleen de hier gebruikte biografische gegevens aan het overzichtelijk artikel van Eddy Strauven, ‘Een grote onbekende ging heen’, in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 51, p. 51-63. Over de ongelukkige jeugd van Flam is weinig geweten. Strauven verwijst naar de jonge Flam, ‘ontsproten uit een joodse familie’, en noemt hem een ‘kind van een onzekere tijd’: ‘Als zoon van arme en ongeletterde Oosteuropese immigranten leek hij bij voorbaat kansloos. Als 5-jarig jongetje maakt hij het mee dat op één week tijd twee zieke broertjes in zijn armen overleden aan de Spaanse griep. Enkele jaren later verloor hij ook zijn geliefkoosde nichtje, het kind van een tante bij wie hij opgroeide. Zijn enige overgebleven broer, een eenvoudige letterzetter, kwam om in het Nazikamp van Bergen-Belsen.’ Verder wijst Strauven op het feit dat Flam als briljante jongeling, veelbelezen en veeltalig, ‘voortijdig zijn middelbare studies moest staken om bij een bakker in de leer te gaan. Nadat hij in het leervak was mislukt, behaalde hij zijn middelbaar diploma voor de middenjury. In de jaren dertig studeerde Leopold Flam politiek, geschiedenis, filosofie en fysica aan de Gentse Rijksuniversiteit’.
2Over Flam is voorlopig weinig geschreven. Naast bovengenoemd artikel verwijs ik naar Julien Vandiest, ‘Een bevlogen voorvechter: Leopold Flam’, in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 51, p. 64-73 en naar Eric Janssens, ‘Flam, een getuigenis’, in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 60, p. 52-54. Zie ook de inleiding tot Provocatie en inspiratie door Hubert Dethier, Antwerpen 1973.
3Flam werd bij het oversteken van een drukke doorgangsweg aangereden door een auto. Wie samen met hem door de stad wandelde wist dat het verkeer moest wijken wanneer Flam aan de overkant probeerde te komen. Die houding hield niet zozeer verband met de uitdaging van het lot als met de overtuiging dat de techniek de ondergeschikte van de mens moet blijven. Maar dat de enkeling niet altijd primeert boven de veralgemenende techniek is precies door dit ongeval bevestigd.
4De in Roemenië geboren Benjamin Fondane (1898-1944) verhuisde in 1923 naar Parijs waar hij zich zowel aan poëzie, theater en film wijdde, maar vooral bekendheid genoot omwille van zijn filosofische essays. In 1998 (herdenking geboortejaar) verscheen in Parijs een herdruk van een aantal van zijn werken waaronder het bewuste Faux Traité d'esthétique, dat overigens het uitgangspunt vormde van mijn doctoraal proefschrift over de esthetica van Fondane, en waarvoor ik het genoegen had een voorwoord te schrijven. Flam als mediator heb ik daarbij nooit uit het gezichtsveld verloren.
5Het beeld van de filosoof dat door Flam doorgegeven werd is beslist dat van de publieke figuur die een algemeen toegankelijke werkplaats heeft (collegezaal en openbare bibliotheek), maar zich evenwel tevens in een privé-ruimte afzondert om te schrijven. De filosoof als reizende figuur, zelfs indien hij zich van het ene internationale congres naar het andere beweegt, vond bij Flam geen bijval. Herhaaldelijk wees hij erop dat men van reizen niets leert en dat reizen getuigt van een zekere vlucht, in het bijzonder, de vlucht voor het alleen zijn met zichzelf.
6Provocatie en inspiratie. 2 delen. Antwerpen 1973.
7Nietzsche aujourd'hui?, 1. Intensités, Paris, u.g.e. 10/18, 1973.
8De verwijzingen naar die tijd zijn overal in zijn werk verspreid, o.a. in De bezinning, p. 267-268: ‘Dikwijls ben ik een vlieg geweest in het net van de een of andere spin. [...] Op de Gestapo riep me een kerel toe: ‘Jude... Du suchst eine Weltregierung... Du, Jude, in Auschwitz gibt es eine jüdische Weltrepublik!’ Ik heb toen natuurlijk niet geantwoord aan die kleine nazistische wereldveroveraar. [...] Ik weet helemaal niets over mezelf en is het wel belangrijk dat ik al die veroordelende oordelen zou kennen? Schuld of geen schuld, het is zonder belang als zodanig. Essentieel is hier steeds de terdoodveroordeling en de uitnodiging door mijn rechters om zelfmoord te plegen.’ Zie ook zijn postuum uitgegeven oorlogsdagboek Naar de dageraad, getuigenis uit de oorlogsjaren 1943-1945.
9De bron, p. 214. Cfr. Verleden en toekomst van de filosofie, p. 214: ‘Alles vervaagt, het wordt steeds duisterder en de ziener in hem verwijdert zich, hij is maar een geziene.’ Flam promoveerde aan de Gentse Rijksuniversiteit tot doctor in de geschiedenis. In de schoolstrijd van de jaren vijftig kwam hij op tegen de verzuiling in België. Het Vlaamse katholicisme verweet hij volgzaamheid, onderdanigheid en gehoorzaamheid.
10Een voorbeeld van zijn originele aanpak in het geschiedenisonderwijs was zeker de omgekeerde historische werkwijze. Flam schetste eigentijdse problemen en keerde stapvoets terug in de tijd. Voor de reeks artikelen verwijs ik summier naar Problemen, een studiereeks waarin Flam een filosofie van de geschiedenis voorstelde en inleidingen tot het denken van Plato, Kant en Nietzsche, maar ook naar Clio, een tijdschrift voor leerlingen, en Geschiedenis in het onderwijs, een tijdschrift voor leraars.
11Flam sprak zijn afkeuring uit over de eeuwenlange beheersing van de vrouw door de man. Zijn werk bevat een filosofie van de seksuele differentie die tot op vandaag nog niet ontdekt werd.
12Flam meende terecht dat de algemene overproductie aan boeken geen garantie was voor kwaliteit. Bovendien wees hij erop dat een uiterst verzorgd taalgebruik in boeken het gevaar voor leeg gepraat niet wegneemt. Toch kan dat laatste geen pretext zijn voor een anarchistisch misprijzen van exactheid.
13De tegenspraak is dus een niet uit de weg te gaan kenmerk in zijn werk. Flam lijkt, met Nietzsche, gedacht te hebben dat een denker die consequent wil zijn, niet anders kan dan zichzelf tegenspreken.
14Verleden en toekomst van de filosofie, p. 187-188.
|
|