Het tiende verenigingsjaar van de Zuidelijke Afdeling van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde werd geopend met de jaarvergadering, die plaatsvond op zaterdag 7 maart 1998, in de Spiegelzaal van de Faculteit der Cultuurwetenschappen van de Universiteit Maastricht. Onder de titel Die de haver verdienen hield bestuurslid en historicus dr. Jos Perry (Universiteit Maastricht) een voordracht ‘over man en paard’, in het bijzonder over de geschiedenis van het paard in de ondergrondse mijnbouw. Na het huishoudelijk gedeelte sprak de neerlandica Lizet Duyvendak (Open Universiteit Heerlen) over het thema Zonder kwestie een boek dat in onze bibliotheek thuishoort: Het Haags Damesleesmuseum. Over deze oudste nog bestaande bibliotheek voor vrouwen in Nederland (opgericht 1894) publiceerde spreekster reeds een herdenkingsboek en bereidt zij een dissertatie voor. In haar lezing ging zij in het bijzonder in op de gemotiveerde en genuanceerde boekenaanschaf, die minder eenzijdig is dan wel verwacht zou kunnen worden.
Na de jaarvergadering vonden nog drie werkvergaderingen plaats. Op zaterdag 16 mei sprak de historicus Pieter Caljé (Universiteit Maastricht) over Het ontstaan van het moderne studentenleven. Waar het moderne studentenleven veelal wordt geassocieerd met ‘brallen en brassen’ en noties als ‘een speeltuin van rijkeluiszoontjes’, was het ontstaan van het corporale studentenleven in de vroege negentiende eeuw juist sterk verbonden met deugdzaamheidsidealen en de noodzaak moderne staatsburgers te kweken.
Spreker demonstreerde een en ander aan de geschiedenis van het oudste ‘moderne corps’ van Nederland, het Groninger Studentencorps Vindicat atque Polit, waarover hij een proefschrift voorbereidt.
Uit een onder de leden der Zuidelijke Afdeling gehouden enquête over wensen ten aanzien van programmering en dergelijke was onder meer gebleken dat een aantal leden er prijs op stelde dat de vergaderingen vanwege de voor hen grote afstand tot Maastricht ook eens elders zouden worden gehouden. Vandaar dat de vergadering van 19 september plaatshad in de Knillispoort te 's-Hertogenbosch. De taalkundige dr. Jef Vromans (Université Libre de Bruxelles) hield hier een voordracht onder de titel Het Nederlands in Vlaanderen: van taalzorg naar taalbewustzijn. In zijn verhaal ging hij in op het uit elkaar groeien van het taalgebruik in Vlaanderen en in Nederland. Door de ontwikkeling van een sterkere eigen Vlaamse identiteit wordt een taal die in allerlei opzichten afwijkt van het Nederlands in Nederland en zich daartegen afzet, steeds meer officieel aanvaard.
De laatste vergadering, wederom te Maastricht, werd gehouden op zaterdag 14 november. De neerlandica en biografe dr. Angenies Brandenburg sprak hier over aspecten van de Augustinusbiografie, onder de titel Op gezegende afstand, of Spelen met een dierbare heiligman. Zij maakte duidelijk hoe Aurelius Augustinus uiteraard een grote geest was en een literair genie, maar als zodanig door de kerk gebruikt is voor háár doeleinden. Zelden wordt hij in zijn historische context geplaatst en zelden wordt hij anders gezien dan als rooms-katholieke heilige. In haar lezing ging Angenies Brandenburg nu vooral in op de mens, de man Augustinus.
De werkvergaderingen werden door gemiddeld twaalf leden en genodigden bijgewoond. De convocaties zijn verstuurd naar de circa 230 leden van de Maatschappij die in het Zuiden van Nederland, in België en in het Duitse grensgebied woonachtig zijn. Het bestuur bestond in het verslagjaar uit dr. Wiel Kusters (voorzitter), dr. Diederik Grit (secretaris), Leo Herberghs (penningmeester) en dr. Jos Perry (lid).
diederik grit, secretaris