Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2001


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2000-2001. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2002  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 62]

Simon Cornelis Dik
Delden 6 september 1940 - Holysloot 1 maart 1995

Simon Dik werd op 6 september 1940 in Delden geboren als zoon van de schilder Cor Dik en de onderwijzeres Sies Noorman. Na de oorlog verhuisde het gezin naar Amsterdam. Simon bezocht daar het Barlaeusgymnasium, waar hij in 1958 eindexamen deed en zowel het alfa- als het bètadiploma behaalde. Hoewel hij ook andere talenten had, koos hij voor een studie klassieke talen aan de Gemeente Universiteit Amsterdam. Al in zijn tweede studiejaar werd hij student-assistent Algemene Taalwetenschap, bij de hoogleraar Anton Reichling, die hem als gecommitteerde bij het eindexamen had ‘ontdekt’ en hem gestimuleerd had om letteren te gaan studeren. Jarenlang zou hij Reichlings meest vertrouwde medewerker blijven, die hem bijstond bij de voorbereiding en uitwerking van colleges en bij zijn werkzaamheden als redacteur van het tijdschrijft Lingua. Op de Amsteldijk, waar Reichling met zijn gezin woonde, was Simon bij wijze van spreken kind aan huis.

Het was logisch dat Simon na zijn kandidaatsexamen klassieke talen verder ging met de bovenbouwstudie atw. Maar in de taalwetenschap, waar hij al zo vroeg van dichtbij mee in aanraking kwam, was inmiddels iets aan het veranderen. Chomsky's Syntactic structures had in 1957 de bel geluid voor een ontwikkeling in de richting van formele grammatica's, in het bijzonder, op dat moment, de transformationeel-generatieve grammatica. Al in 1960 liet Reichling op het 26ste Nederlands Filologencongres in Groningen de taalkundige wereld in Nederland kennismaken met dat boek - en niet minder met zijn fundamentele kritiek daarop. De taalkundigen raakten verdeeld in kampen, en de structuralisten die aan de Nederlandse universiteiten doceerden waren in meerderheid ‘tegen’. Maar een kleine groep jongere mensen, vooral in Amsterdam, kreeg steeds meer belangstelling voor Chomsky, en die ontwikkelingen waren niet te stuiten. Simon Dik nam in die discussie een kritische en onafhankelijk positie in. Hij volgde de ontwikkeling van de generatieve grammatica met belangstelling, en werd daarin door Reichling niet gehinderd. Met andere jonge taalkundigen bezocht hij, bijvoorbeeld, in 1965 een seminar dat in de avonduren door Frits Staal werd gegeven over Chomsky's net verschenen Aspects of the Theory of Syntax.

[p. 63]

Na zijn doctoraalexamen en aanstelling als wetenschappelijk ambtenaar, begon Simon te werken aan een proefschrift over coördinatie. Daarin zette hij zijn bezwaren tegen een generatief-syntactische analyse van dat toen al veelbesproken onderwerp helder en duidelijk uiteen, en ontwikkelde hij ook een alternatief. Hij verdedigde de dissertatie, Coordination; its implications for the theory of General Linguistics in mei 1968. Nog geen jaar later werd hij benoemd tot opvolger van Reichling als hoogleraar Algemene Taalwetenschap, een benoeming die nogal wat rumoer veroorzaakte, zelfs in de kranten. Maar Simon Dik ging onverstoorbaar zijn eigen gang. Onder zijn leiding ontwikkelde het instituut voor atw in Amsterdam zich tot een actief en groeiend centrum van taalonderzoek, waar verschillende opvattingen, ook de generatieve, naast elkaar gedoceerd werden, en waar zich bovendien, op Simons initiatief, onder leiding van Ben Tervoort een bloeiende afdeling toegepaste taalkunde kon ontwikkelen. Nog weer later deden de creolistiek en sociolinguistiek hun intree in de persoon van Pieter Muysken. In 1970 publiceerde Simon Dik samen met zijn toenmalige collega en medewerker Jan Kooij een inleidend boek, Beginselen van de Algemene Taalwetenschap, waarvan een gewijzigde editie verscheen in 1979 en dat jarenlang een van de meest verkochte Aula-pockets in Nederland was - iets waar de auteurs overigens geruime tijd onkundig van bleven.

Ondertussen waren de discussies in de taalkunde nog volop gaande. En bij Simon Dik groeide de behoefte zich duidelijk in het vak te manifesteren, met een eigen opvatting. In 1978 lanceerde hij zijn theorie over Functional Grammar, een combinatie van formele en functionalistische beschrijving van de zinsstructuur, vanuit het perspectief van taal als een communicatiemiddel. De zin is, in dat perspectief, een formeel, een functioneel en een pragmatisch object, en in dat laatste opzicht bevat de theorie meer elementen van de opvattingen van zijn leermeester Reichling dan men wel eens heeft vermoed. In de grammaticale component verwierp Dik het idee van ‘verplaatsing’ als fundamenteel syntactisch principe.

Bij sommige collega's, in eerste instantie in Amsterdam, en daarna ook elders, wekte deze integrale opvatting over de beschrijving van taalstructuur veel enthousiasme. Tot zijn medestanders van het eerste uur behoorden onder andere de classici Harm Pinkster en Machtelt Bolkestein en de anglist Lachlan Mackenzie. Anderen waren sceptisch over de noodzaak van een nieuwe theorie, en van de kant van de generatieve syntactici waren de eerste reacties op het nieuwe programma kritisch en soms ronduit negatief. De Amsterdamse fg-groep ontwikkelde zich al spoedig tot een

[p. 64]

eigen school met een eigen programma, hoewel Simon Dik probeerde om het sectarisme, zeker in zijn eigen instituut, zoveel mogelijk buiten de deur te houden.

Simon Dik is verantwoordelijk geweest voor veel positieve ontwikkelingen in de beoefening en organisatie van de Nederlandse taalkunde. Een voorbeeld daarvan is de jaarlijkse bijeenkomst ‘Taalwetenschap in Nederland’ (tin), waar vooral jonge taalkundigen de resultaten van hun onderzoek in korte lezingen kunnen presenteren aan een landelijk publiek van vakgenoten. In de tijd dat de faculteiten heil begonnen te zien in het ondersteunen en stimuleren van onderzoeksinstituten die zich verantwoordelijk maakten voor de opleiding en begeleiding van promovendi, bracht Harm Pinkster het grootste deel van de taalkunde van de letterenfaculteit in de UvA bij elkaar in het Instituut voor Functioneel Onderzoek van Taal en Taalgebruik, bij afkorting ifott. Simon speelde daarbij een belangrijke rol. Ook spande hij zich in voor de taalkundige werkgemeenschappen van - toen nog - zwo, en voor de latere Stichting Taalwetenschap van nwo, en hij zette zijn organisatorische activiteiten voort toen hij in 1987 werd gekozen tot lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Van 1985 tot 1988 was hij ook decaan van de Amsterdamse letterenfaculteit, maar dat viel hem niet zo mee, omdat hij zich tegengewerkt voelde door de ambtelijke autoriteiten, en niet kon wennen aan een manier van omgaan met anderen die hij in zijn instituut vanaf het begin resoluut had uitgebannen. In het voetspoor van Reichling, en lange tijd nog samen met hem en anderen, was Simon Dik redacteur van het internationale taalkundige tijdschrift Lingua, en ook daar nam hij verschillende initiatieven die de positie van het tijdschrift versterkten.

Ondertussen werkte hij gestaag verder aan de uitbouw en toepassing van zijn theorie, ook op andere talen dan de bekende westerse, waardoor in Amsterdam ook de belangstelling voor taaltypologie toenam. Hij trad op als promotor van leerlingen, zoals Kees Hengeveld, die later zijn opvolger zou worden, maar hij was ook promotor bij een aantal dissertaties over andere onderwerpen en met andere visies op grammatica, inclusief generatieve grammatica. Het Instituut voor atw in Amsterdam bleef een plaats waar pluriformiteit vanzelfsprekend was, ook nu Dik een eigen positie in het vak had ingenomen. Hij verdedigde die positie als hij dat nodig vond met kracht. Nederland was inmiddels in de internationale taalkunde een belangrijk centrum geworden van de generatieve grammatica, en ook daar was de pluriformiteit gegroeid. Maar Dik hield vast aan zijn overtuiging

[p. 65]

dat er aan die theorie iets essentieels ontbrak, en dat de functionalistische opvattingen van hem en anderen, ook als ze andere namen droegen, een noodzakelijk tegenwicht vormden. Na het boek uit 1978 publiceerde hij al in 1980 een vervolg, Studies in Functional Grammar, met een aantal preciseringen en een aantal case studies. In 1989 verscheen het eerste deel van The Theory of Functional Grammar, het tweede deel, geredigeerd door Kees Hengeveld, verscheen samen met een nieuwe druk van het eerste deel, postuum in 1997. Hij publiceerde ook nog enkele meer semantische studies, zoals Stepwise lexical decomposition uit 1978.

Op het hoogtepunt van zijn succesvolle carrière, als taalkundige, leider van een groep, en bestuurder, openbaarden zich vroeg in 1992 de eerste verschijnselen van een ernstige ziekte. Aanvankelijk was er, ook bij Simon zelf, optimisme over de kans om de ziekte en z'n gevolgen te bestrijden. Hij zette zijn werk voort, maar met steeds meer moeite en inspanning, en in 1994 was hij gedwongen zijn hoogleraarschap neer te leggen omdat hij de dagelijkse taken niet meer kon vervullen. Het einde kwam op 1 maart 1995; hij was toen nog geen vijfenvijftig jaar oud. Een groot aantal vrienden en collega's begeleidden hem en zijn naaste familie op zijn laatste tocht naar Westerveld. Hij liet zijn tweede vrouw Willy van Wetter achter, met hun kleine zoon Remco, en twee dochters, Iris en Hester, uit zijn eerste huwelijk met Annelies Vogels.

Het verhaal van het leven en de carrière van Simon Dik is voor een deel ook het verhaal van de geschiedenis van de taalkunde in Nederland, in het bijzonder in Amsterdam. Begonnen in de betrekkelijke bescherming van een degelijke studie klassieke talen, kwam hij al gauw terecht in de fascinerende, maar ook rumoerige ontwikkelingen van de taalkunde in de jaren zestig en zeventig, waar het soms hard toeging. Als assistent en vertrouweling van Reichling moest hij zijn eigen positie bepalen, en op jonge leeftijd de verantwoordelijkheden van hoogleraar op zich nemen. Hij deed dat met beheersing en daadkracht, en werd op die manier de onbetwiste leider van het Instituut voor atw. Voor zichzelf koos hij met zijn Functionele Grammatica een positie in het vak die niet gemakkelijk was. Aan de ene kant was het een moderne theorie, die de formele kant van de grammatica niet schuwde, maar het was ook een theorie die formele en functionele gezichtspunten, structuur en gebruik, in een en dezelfde dimensie wilde integreren - wat een ambitieuze doelstelling is. Bovendien moet hij beseft hebben dat het riskant was om een theorie uit te werken en te verdedigen die de pretentie had een ander paradigma te bieden, terwijl jongere taalkundi-

[p. 66]

gen, maar ook leeftijdgenoten en oudere collega's in Nederland, zich in toenemende mate door Chomsky en zijn leerlingen lieten overtuigen. Maar op dat punt was Simon onverstoorbaar en overtuigd van zijn gelijk. Dat had een voordeel, maar ook een nadeel: na de allereerste confrontaties, kort na het verschijnen van Functional Grammar in 1978, bleef de gehoopte discussie verder uit. De verschillende taalkundigen werkten in feite langs elkaar heen, ieder in hun eigen circuit.

In zijn instituut was Simon Dik een betrouwbare vriend, collega en begeleider, die van het begin af de democratie waarvoor de wub de mogelijkheid gaf, volledig doorvoerde. In zijn persoonlijke leven was hij charmant en gastvrij; zijn verjaardagen waren vrolijke ontmoetingsplaatsen van vrienden en collega's uit alle hoeken van de universiteit en daarbuiten. Alleen kon zijn onverstoorbaarheid ook wel eens omslaan in een soort koppigheid, waar niets tegen te beginnen was. De lange relatie met zijn inmiddels hoogbejaarde leermeester Reichling kreeg een nogal abrupt einde - wat hij met iets meer tact van zijn kant ook had kunnen voorkomen. En in de redactie van Lingua ontstonden moeilijkheden toen Simon zijn Functional Grammar wat al te krachtig wilde bevorderen, met als gevolg dat hij het tijdschrift verliet. Maar dat waren uitzonderingen: gewoonlijk was hij tolerant en laconiek en had hij genoeg gevoel voor humor om zichzelf en anderen te relativeren. Toen onze wegen in het vak zich definitief gescheiden hadden, ook omdat ik me steeds meer toelegde op de fonologie, die hem weinig interesseerde, en ik hem op een tin-dag tegenkwam, keek hij naar beneden en zei op droge toon: ‘Nou ja, in ieder geval dragen we nog hetzelfde soort schoenen.’

Voor de organisatie en de positie van de taalwetenschap in Nederland heeft Simon Dik veel verdiensten gehad. De promovendi van nu in Nederland profiteren nog steeds van een infrastructuur die in die jaren werd opgebouwd, door collega's in verschillende faculteiten, maar zeker ook door Simon. Dat hij, toen hij al ziek was, mede voor zijn bestuurlijke activiteiten een koninklijke onderscheiding kreeg was dan ook terecht. De Nederlandse taalkunde en de opleiding Algemene Taalwetenschap in Amsterdam hebben veel aan hem te danken, en zijn collega's en studenten bewaren een warme herinnering aan een actieve en daadkrachtige man, die zich volledig in dienst stelde van het vakgebied zoals hij het zag en zoals hij het wilde ontwikkelen.

 

j.g. kooij