terug  begin  verderprepost
[p. 15]

Over paarden, kamelen en een Harley Davidson
Door Fleur Bourgonje

Bijna een eeuw geleden, in het voorjaar van 1911, trokken mijn grootouders per paard en wagen vanuit het oosten van het land over de Veluwe naar de Gelderse Vallei op zoek naar een boerendorp dat nog geen smid had om de paarden te beslaan. Mijn grootvader hield de teugels. Mijn grootmoeder, die op de bok naast hem zat, had op haar schoot een tweejarig kind: mijn vader. Op de wagen lag hun hele bezit: hamers, tangen, blaasbalgen, een aambeeld, hoefijzers, potten en pannen, rijglaarsjes en een lange jurk met kanten kraag, klompen en werkkleren.

De tocht duurde langer dan een dag, er moest op verschillende plaatsen tol worden betaald en het paard werd een paar keer vervangen. Ze hadden geen landkaart, geen kompas, ze waren aangewezen op wat boswachters en voorbijgangers hun zeiden. Ze trokken verder en verder, tot, ten slotte, de wagen kon worden uitgeladen.

De plek die in 1911 een hoefsmid ontbeerde, was niet meer dan een gehucht, een boerengehucht tussen heivelden, weilanden en hier een daar een klein bos dat wild en landlopers herbergde.

Er is moed voor nodig om in een gesloten gemeenschap een leegstaand huis te betrekken en in een vreemd dialect hulp te vragen en je diensten aan te bieden, er is moed voor nodig om in uit de toon vallende kleding over de hoofdstraat en zijpaden van een argwanend dorp te lopen; mijn grootouders deden het. Geleidelijk doorbraken ze de argwaan. Geleidelijk pasten ze zich aan. Alleen hun tongval bleef eraan herinneren dat ze van ver waren gekomen, dat ze geen deel hadden gehad aan de geschiedenis van de plek die het lot hun had toebedacht.

Bijna zestig jaar zouden mijn grootvader en vader alle paarden van de streek beslaan, alle ijzerwerk lassen, alle afrasteringen rond de weilanden aanbrengen. Zomer en winter stonden ze achter hun aambeelden bij het vuur. Ze verlieten het dorp niet, behalve voor kleine uitstapjes of bedevaarten of voor een bezoek aan een kwakzalver in hun streek van herkomst, op een van de oevers van de IJssel, omdat zij ervan overtuigd waren dat alleen de plek van oorsprong het geheim van iemands geluk en ongeluk, van iemands lichamelijke en psychische kwalen en derhalve ook de genezing ervan kent. Toch werd mijn vader, toen hij allang smid was, lid van de Harley Davidson-club en bereed een motor met zijspan

[p. 16]

waarin, later, mijn moeder zat. Toen er vijf kinderen waren, ruilde hij zijn Harley in voor een zilverkleurige Vauxhall Victor met enorme treeplanken waarin hij als een koning over de binnenwegen reed, van boerderij naar boerderij, van gehucht naar gehucht, tot hij, aan het eind van zijn leven, plotseling met bravoure meerdere malen diep Duitsland in reed.

Mijn grootvader deed tot aan zijn dood, op zevenennegentigjarige leeftijd, alles op de fiets.

 

Ik ben in een sfeer van vanzelfsprekendheid, begrenzing en stilstand opgegroeid. Er werd gewerkt, niet gepraat. Er móet gedroomd en gefantaseerd zijn over betere beroepen, mooiere landstreken, vriendelijker klimaten, hogere spaarbankboekjes en hartstochtelijker liefdes, maar daar werd niet openlijk over gesproken. Behalve op die ene, die gewijde plek: de ruimte rond de paardenhoefstal, rond de twee aambeelden en het vuur, in de kleine kring van boeren en gefascineerde voorbijgangers die wachtten tot de paarden beslagen waren. Het kon gebeuren dat op die plek, in de gloed van dat vuur, verhalen ontstonden waarvan buitenstaanders zeiden dat het leugens waren, overdrijvingen, verzinsels die niet pasten in de streekcultuur van ernst en het najagen van waarheid. De gloed van het vuur en de beslotenheid van de kring gaven de ernst en de waarheid vleugels: de doden van het dorp werden met gemak uit hun graf geroepen, levenden werden met hetzelfde gemak onder een fatale lading zand bedolven en dromen werden voor de duur van het op maat maken van vier hoefijzers werkelijkheid. In gedachten trokken de mensen, die zich nooit van hun grond lieten scheiden, de hun onbekende wijde wereld rond. Terwijl mijn vader en grootvader het roodgloeiende ijzer door middel van een moker hun wil oplegden, legden de wachtende boeren de harde werkelijkheid hun wil op en vervormden haar, om daarna, als de paarden waren beslagen, weer zwijgend terug naar hun akkers en stallen te gaan.

 

De ziel heeft geen wortels, schreef de Portugese dichter Fernando Pessoa; El alma no tiene raíces. Als kind al heb ik dat gehoord en gezien en gevoeld.

Als kind al heb ik geleerd dat je jaar in jaar uit over dezelfde zandweg naar de kern van een dorp kunt lopen maar toch steeds ergens anders heen kunt gaan, dat je uitentreuren op hetzelfde hek aan de rand van een

[p. 17]

weiland kunt zitten om naar dezelfde horizon te staren terwijl je voorbíj die onveranderlijke horizon toch steeds een heel ander landschap meent te zien.

Bij de hoefstal en het smidsvuur, op de zandweg en op het hek heb ik al jong afscheid leren nemen om - in gedachten - ver weg te gaan; om naar landen te gaan waar het leven er anders uitzag en de mensen op een andere manier - een warmere, vrijere, dacht ik - met elkaar omgingen. Mijn plaatsgebonden jeugd heeft mij al jong leren reizen. En misschien heeft mijn zwijgzame geboortedorp, dat zich alleen zo nu en dan verbaal te buiten ging aan oprechte bekentenissen en verzonnen avonturen, ook wel een schrijver van me gemaakt. Want toen al heb ik me schrijvend - in een dagboek krabbelend - weten te redden uit de geslotenheid, het starre denken, de vanzelfsprekendheid en de monotonie; al schrijvend heb ik wetten en moraal naar mijn hand proberen te zetten; al schrijvend ben ik later, met mijn ijzer smedende vader en grootvader als voorbeeld, de vorm - de taal - te lijf gegaan.

 

Een reizende schrijver hoeft nog geen vluchtende schrijver te zijn.

Een reizende schrijver is een bewegende schrijver.

Een reizende schrijver is een schrijver die vermoedt dat zich achter de horizon die hij ziet vanuit zijn werkkamer, vanaf zijn dagelijkse staar-hek, iets bevindt wat zijn geest en zijn pen in beweging zal brengen, wat zijn zintuigen en zijn verbeelding zal activeren. Hij vermoedt dat zich achter de horizon, achter de bergen, aan de overkant van de oceaan wel eens iets zou kunnen afspelen wat hij vanuit zijn aangeleerde en misschien al bijna ingeslepen denkpatroon niet onmiddellijk zal begrijpen, niet onmiddellijk zal aanvoelen - en dat hij zijn denkpatroon en zijn gemoedsrust zal moeten loslaten om zo onbevangen mogelijk het onbekende op hem te laten inwerken en ermee aan de slag te gaan.

Een reizende schrijver is een schrijver die de kunst van het toelaten en zelfs uitlokken van het toeval verstaat. Hij weet dat het toeval verborgen mogelijkheden zichtbaar kan maken en dat het een schrijfproject méér vooruit kan helpen dan een strikte planning, uitgestippelde verhaallijnen en zorgvuldig ontworpen schema's.

Een reizende schrijver is een schrijver die de ontregeling niet schuwt, integendeel, hij zoekt haar op, hij streeft haar na, omdat hij weet dat de ontregeling van de buitenwereld de ontregeling van de binnenwereld tot gevolg heeft en dat hij het daarvan moet hebben, van het op losse schroe-

[p. 18]

ven zetten van waarden, van het twijfelen aan zekerheden, van het plotselinge zien van voorheen onwaarschijnlijke verbanden, van het niet meer serieus kunnen nemen van zijn naam en zijn roem - of het uitblijven ervan - in eígen kring, eígen land, eígen taal.

 

Een reizende schrijver - en nu moet ik overgaan op de eerste persoon enkelvoud omdat ik vanaf nu alleen nog over mijzelf kan spreken - ik, reizende schrijver, weet uit ervaring dat de verbeelding het vermogen bij uitstek is om de werkelijkheid te beleven en dat dat bijna altijd pas achteraf is.

Ik weet dat de herinnering aan de reis belangrijker is dan de reis zélf.

Het klinkt paradoxaal maar het is de waarheid, de mijne: ik ga op reis om herinneringen te halen.

Niet alleen herinneringen aan de landschappen, de marktpleinen, de veerboten of woestijnkaravanen, maar ook, of vooral, aan wat de landschappen, de marktpleinen, de boten en karavanen in mijn bewustzijn hebben opgeroepen en in mijn onderbewuste hebben losgewoeld.

Niet alleen herinneringen aan de zichtbare en meetbare bewegingen in tijd en ruimte, maar ook, of vooral, aan de onzichtbare, aan de geheime bewegingen van de ‘ziel’.

De echte reis speelt zich dan ook thuis af.

De echte gevaren bedreigen mij pas als ik achter mijn typemachine zit.

Pas wanneer ik met gesloten ogen op mijn werkplek zit en de film van mijn reis terugdraai, pas dan verdwaalt de karavaan echt, pas dan zinkt de veerboot bijna, pas dan raast de storm over de pampa.

Pas dan besef ik dat ik landen en landschappen had uitgekozen die zich het best zouden lenen voor het weergeven van mijn eigen innerlijk landschap - op dat moment, in die fase van mijn leven.

Pas dan kan ik de diepte peilen van het contact met de mensen die ik heb ontmoet en die, misschien, model kunnen staan of iets kunnen toevoegen aan de personages van mijn nog te schrijven verhaal.

Pas dan, thuis, met de pen in de hand of de vingers op de toetsen, voel ik mij ontheemd, verdwaald - en moederziel alleen.

 

In 2002 verbleef ik een tijdje in Marokko, in de stad Fez, om indrukken op te doen voor mijn roman Labyrint. Het toeval dreef me in de armen van Abderrahim Filali Baba, die zowel een laboratorium voor medisch

[p. 19]

onderzoek leidde als burgemeester van de stad was, maar ik raakte bevriend met hem vanwege zijn filosofische kwaliteiten.

Zijn familie was afkomstig uit Erfoud aan het begin van de Sahara, zijn voorouders waren schapenhoeders, leerlooiers en wolververs. Tijdens een van onze wandelingen door Fez, legde hij mij uit wat hij onder reizen verstond.

We bevonden ons bij een van de poorten in de muur die de medina, de oude, labyrintvormige stadskern omvat.

‘Reizen’, zei hij, ‘is een metafoor voor “leven”.’

Hij wees naar de poort.

‘Je kunt’, zei hij, ‘bij de ingang van de poort blijven staan zonder het labyrint in te durven gaan: je kijkt naar binnen maar je verzet geen stap zodat je alleen het nabije ziet, niet wat erachter ligt.

Je kunt er ook ín gaan, in het labyrint van het leven, maar met een angstig hart omdat je bang bent dat je zult verdwalen, en dan verhindert de angst dat je onbevangen waarneemt en onbevangen denkt.

Je kunt ook boven op de poort, of op de muur, of op een heuveltop buiten de stad klimmen om een goed overzicht over het labyrint te krijgen, maar overzicht is nog geen inzicht.

En, ten slotte: je kunt op reis gaan, diep het labyrint in gaan, diep het leven in gaan zonder angst te verdwalen, onbevangen om je heen kijkend en mensen ontmoetend - in de overtuiging dat je ergens terechtkomt, dat je góed terechtkomt, waar en wanneer en met wie dan ook.’

 

Ik heb zelf reizen als metafoor voor ‘leven’ doorgetrokken naar metafoor voor ‘schrijven’.

 

Abderrahim Filali Baba, telg uit een schapenhoedersgeslacht, heeft mij tijdens mijn verschillende verblijven in Fez - van het laatste ben ik gisteren teruggekeerd - ook de vijf belangrijkste leefregels van het nomadenbestaan bijgebracht:

Zo weinig mogelijk bezit vergaren om zo licht mogelijk te leven, om bij het trekken van de ene plek naar de andere zo min mogelijk onder een materiële last gebukt te gaan.

Gastvrij en hoffelijk zijn - en verwachten dat je omgeving dat ook is; met andere woorden: een leven van diensten en wederdiensten.

Op je hoede zijn: ieder moment klaarstaan om verder te kunnen trekken, bijvoorbeeld bij dreigend slecht weer of bij gevaar.

[p. 20]

Solidair zijn, dat wil zeggen: elkaar te hulp schieten, elkaar bijstaan in geval van nood, maar ook weten te delen in tijden van voorspoed.

Elkaar verhalen vertellen in de verlatenheid van al dan niet denkbeeldige woestijnen en steppen - als vermaak, maar ook als overlevering, omdat er in het nomadenbestaan geen bibliotheken, weinig of geen boeken, weinig of geen schrijfmaterialen voorhanden zijn.

 

Wat zou ik mijn grootouders, die in het voorjaar van 1911 per paard en wagen over de Veluwe trokken, mijn vader met zijn Harley en de nomadenvoorouders van Abderrahim Filali Baba graag bij elkaar hebben gebracht rond het smidsvuur en de hoefstal in mijn geboortedorp. Wat zou ik ze graag met elkaar hebben zien dagdromen, met elkaar hebben horen filosoferen over de afstanden die ze hebben moeten afleggen, over de stormen die ze hebben moeten doorstaan, over de leegte en de stiltes die ze hebben moeten vullen met hun verwachtingen over wat vóór hen en hun herinneringen aan wat achter hen lag. Wat zou ik ze graag over hun leed en liefdes hebben horen praten.

Maar wat zeg ik - ik héb ze bij elkaar gebracht, ik héb ze van achter de horizon en van lang geleden op hun paarden en kamelen en op een Harley Davidson naar hier laten komen, vanmiddag, om in het vuur van mijn verbeelding - en wellicht de uwe - een verhaal te smeden dat tijd en ruimte en rede ver te boven gaat.

 

Uitgesproken tijdens het openbare gedeelte van de jaarvergadering van 5 juni 2004 in het Klein Auditorium van de Universiteit Leiden.

prepostterug  begin  verder