terug  begin  verderprepost
[p. 46]

Transcendente prosodie
Martinus Nijhoff en Paul van Ostaijen
Door dr. G.J. Vis

Inleiding

Weinig Nederlandstalige dichters van de twintigste eeuw zijn zo vaak in één adem genoemd als Paul van Ostaijen en Martinus Nijhoff.1 Dit zal voor een deel te maken hebben met vragen die literair-historici graag stellen, zoals die naar de vergelijkbare plaats van auteurs in een of meer stromingen (in dit geval het Modernisme), literatuuropvattingen (bv. de autonomiegedachte), generatie (bijna dezelfde leeftijd), eerste publicaties (beide dichters debuteerden in 1916).

Uiteraard heeft de literair-historicus een andere invalshoek dan de kunstenaar naar wie hij kijkt. Die kunstenaar gedraagt zich nog wel eens als literatuurhistoricus of -criticus, wanneer hij uitspraken doet over zijn collega's. Zulke uitspraken zijn per definitie onderzoeksmateriaal voor de receptie-estheticus, maar kunnen ook van belang zijn voor de kunst- en literatuurhistoricus.

In dit artikel gaat het over twee dichters die tevens critici waren. Ik wil nagaan welke uitspraken zij over elkaar hebben gedaan, en hoe we die kunnen interpreteren (1). Vervolgens kijk ik naar beider belangstelling voor andere dichters, gelet op overeenkomsten in hun literaire smaak (2). Dan bespreek ik enkele onderwerpen uit hun kritisch proza (3). Tenslotte geef ik mijn conclusies (4).

1. Uitspraken over elkaar

Van Ostaijen heeft zich in zijn publicaties slechts een enkele keer uitgelaten over Nijhoffs poëzie. Nijhoffs uitvoerige commentaren op de poëzie van Van Ostaijen vormen hiermee een contrast.

Nijhoff zou al in 1916 poëzie van Van Ostaijen hebben gelezen. In dat jaar - waarin Nijhoff debuteerde met De wandelaar en Van Ostaijen met Music-Hall - was Nijhoff, naar hij later (1929) meedeelde, meteen enthousiast over het dichtwerk van zijn collega: ‘eindelijk iemand met wie ik rekening te houden had.’2

In oktober 1924 maakt Nijhoff voor het eerst melding van Van Ostaijen als criticus.3 Begin 1925 volgt een korte vermelding van de dichter4,

[p. 47]

en aan het eind van dat jaar komt Nijhoff met een eerste ronduit positieve kwalificatie van zijn poëzie, wanneer hij zegt, naar aanleiding van de toekenning van de driejaarlijkse literatuurprijs van België aan Jan van Nijlen, dat deze prijs ‘rechtmatiger’ zou zijn toegekend aan Marnix Gijsen of Paul van Ostaijen.5 De reden waarom hij dit vindt, geeft hij nog niet. De positieve toon blijft vervolgens (NRC 14 augustus 1926) gehandhaafd.6

Daarna (november 1926) verschijnt het stuk van Van Ostaijen waarin hij zich voor het eerst uitlaat over Nijhoff. Het is een artikel over Karel van de Woestijne, die van Nijhoff de positief bedoelde kwalificatie ‘dichter-dier’ had gekregen.7 Ook Van Ostaijen is positief over Van de Woestijne, maar hij kiest welbewust andere formuleringen. Wél vindt hij dat Nijhoff en hij ‘beiden gelijk’ hebben, maar er is een accentverschil, want: ‘Bij Nijhoff geldt voor zijn bepaling het object van de drang, voor mij de wijze van uitdrukking van deze drang.’ Nu gaat het hier over beiden als critici. Maar in hetzelfde artikel spreekt Van Ostaijen ook over Nijhoffs dichterschap: ‘Tegenover het tot de aardse aarde gekeerde woord van K.v.d.W., is dat van Nijhoff etheries-dun en kuis en, in alle eenvoud, magies.’8 Vergeleken met Nijhoffs hierboven weergegeven opmerkingen over Van Ostaijens poëzie is de hier uitgesproken waardering voor Nijhoffs dichterschap minder expliciet. Tegelijkertijd heb ik de indruk dat Van Ostaijen zijn collega - niet alleen de criticus maar ook de dichterserieus neemt.

Hierna vindt men in Van Ostaijens proza niets meer over Nijhoff. De laatste op zijn beurt moet zijn eerste grote stuk over de ander nog publiceren, maar dat gebeurt pas in 1929, na het overlijden van Van Ostaijen.9

Kortom: wederzijds is er positieve aandacht, maar welke waarde men eraan moet hechten is moeilijk te zeggen. Met name Nijhoffs uitspraken in het openbaar over collega's gedaan wekken soms de indruk dat ze - om tactische of andere redenen - niet altijd precies weergeven wat hij eigenlijk denkt of voelt.10

Maar daarmee is de vraag naar datgene wat ze in hun poëtica gemeenschappelijk hebben nog niet beantwoord. Er is echter een andere invalshoek om daar meer over te weten te kunnen komen. Het is opvallend dat er dichters zijn voor wie ze beiden - misschien onafhankelijk van elkaarmeer dan gewone belangstelling aan de dag legden. Ik vind dat zo opmerkelijk - mede door de overeenkomst in hun motivaties voor de gegeven opinies, normen en prioriteiten - dat ik er wat langer bij stil sta. Anders dan bij de directe uitspraken over elkaars werk hebben we hier een indi-

[p. 48]

recte manier om informatie te verkrijgen over dat wat voor hen beiden kennelijk essentieel was inzake kunst en literatuur.

2. Gedeelde liefdes

Buiten de Nederlandstalige situatie is er bij beiden grote eensgezindheid over de Franse dichter Jean Cocteau. Van Ostaijen zegt: ‘De hedendaagse dichter met wie ik de meeste overeenkomst heb’ en die men ‘met enige kans op succes, als mijn grote model zou kunnen voorstellen, is: Cocteau’.11 Nijhoff noemt hem niet expliciet als voorbeeld, maar zegt wel (in verband met het schrijven van ‘Awater’): ‘Ik had iets aan de geniale jeugdverzen van Jean Cocteau.’12

Wat Van Ostaijen betreft, is het niet moeilijk om - alleen al door de plaats en de vorm van de versregels - verwantschap met Cocteau te zien, bijvoorbeeld in:

 
Un combat de pigeons glacés en pleine figure
 
offerte à vos gifles drapeaux
 
Le gel qui gante
 
 
 
     Aquarium océanique
 
Aspergé d'huile je suffoque
 
au bain marin
 
qui s'engouffre dans les narines
 
froide opulence
 
d'eau de mer
 
 
 
Péril de chute
 
          La brèche
 
          de nausée
 
 
 
     à gauche
 
 
 
lente l'épaule
 
 
 
hâlé
 
humé
 
mon corps interne se pelotonne
 
autour du coeur [...]13
[p. 49]

Of neem zijn gedicht ‘Fête de Montmartre’:

 
Ne vous balancez pas si fort,
 
Le ciel est à tout le monde;
 
Marin d'eau douce, la nuit profonde
 
Se moque de vos ancres d'or;
 
Et boit, debout, en silence,
 
Comme du papier buvard,
 
Votre dos bleu qui encense
 
Puissamment le boulevard.14

De speelse thematiek en de prosodische vorm van dit laatste stuk zijn niet alleen te vinden in menig gedicht van Van Ostaijen, maar doen ook denken aan werk van Nijhoff.15 Cocteau's poëzie heeft voor beiden grote kwaliteit. Veel toelichting geven ze daar verder niet bij. Dat is van een kant jammer, maar wanneer men let op hun impliciete versinterne poëtica, dan kan men zien en horen dat de versificatie van menig gedicht van beiden nauw verwant is aan die van Cocteau. Opvallend is met name de vrijheid waarmee oude ritmische vormen op een nieuwe manier worden gehanteerd.16

 

Meer toelichting - in hun versexterne poëtica - geven Van Ostaijen en Nijhoff wanneer de Nederlandstalige poëzie ter sprake komt. Voor Van Ostaijen is het duidelijk dat zijn eerste gedichten ‘een sterk naklinken der Gorter'se kadans’ laten horen.17 Behalve om zijn techniek - de ritmiek van Gorters poëzie - waardeert Van Ostaijen hem als dichterlijke persoonlijkheid: ‘een dichter die recht op het doel afgaat, de minst psychologiese van al de tachtigers’.18 Als men niet beter zou weten, dan lijkt Van Ostaijen te suggereren dat de Tachtigers te veel psychologiseren. Verderop - in verband met Gezelle - wordt een en ander duidelijker. Op welk werk van Gorter Van Ostaijen doelt, is niet helemaal zeker. Is het Mei (1889)? Elders spreekt Van Ostaijen zeer lovend over Mei.19 Of doelt hij op Verzen (1890)? Ik kan me voorstellen dat de hierin gebundelde ‘sensitieve’ verzen met de impressionistische stijlkenmerken Van Ostaijen een gevoel gaven van ‘recht op het doel af’, zonder belemmering van regels uit de grammatica of de retorica.

Voor Nijhoff heeft Van Ostaijen iets Gorteriaans. In ‘de stem van Paul van Ostaijen’ herkende hij ‘die van Herman Gorter’ uit de periode van

[p. 50]

zijn Verzen (1890). Ook hier volgt een toelichting: ‘Dezelfde naakte taal, naar geen andere wetten luisterend dan de innerlijke bewogenheid, dezelfde lyrische uiting van de zieledrang.’20 Men zou bijna denken dat Nijhoff hier refereert aan de zojuist geciteerde woorden van Van Ostaijen over Gorters ‘recht op het doel af’. Zo niet, dan is het des te frappanter te zien hoe ze overeenstemmen met betrekking tot Gorters schrijverschap.

Van Ostaijen heeft verder niets opvallends meer nagelaten over Gorter. Nijhoff wel. Ook hij vergelijkt Gorter met de Tachtigers: Gorters taal doet ‘tijdelozer’ aan, is ‘ongerept, als stuifsneeuw op een bergtop’.21 Met deze laatste beeldspraak geeft Nijhoff aan dat Gorters poëzie voor hem het summum is.22 Zijn ideaal van dichtkunst, zegt hij elders in een ander verband, is te vinden in een gebied (‘dit hoge’) ‘dat ik eenmaal in “De wandelaar” noemde “Sneeuwlandschap van uw rust”’23 Kortom: wat Gorter betreft, zitten Van Ostaijen en Nijhoff op één lijn.

 

Behalve Cocteau en Gorter is er nog een derde dichter die ze bewonderen: Guido Gezelle. Hij, de ‘mystieker’, is voor Paul van Ostaijen ‘de grootste dichter van de 19de eeuw’.24 Zijn grootheid laat hij zien door hem tegenover ‘de Hollanders’ te plaatsen, zoals hij Gorter plaatste tegenover de andere Tachtigers. ‘De psychologie en de topografie van het psychiese gaan [bij de Noordnederlanders] voor het psychiese zelve’, terwijl, omgekeerd, bij ‘Vlamingen als Gezelle’ alleen ‘het psychiese, het hart’ geldt. Anders gezegd: hun wegen zijn ‘louter muzikale wegen’, waarbij ‘ademhaling en polsslag’ overheersen.25 Op deze plek verduidelijkt Van Ostaijen impliciet zijn verhaal over de psychologie bij de Tachtigers in verband met Gorter door - ook hier - te wijzen op dat wat hij het belangrijkste vindt: recht op het doel af via de klank. Zijn hierboven geciteerde opmerking over de ‘kadans’ van Gorter sluit hierbij aan. Over Gezelle zegt hij verder in een interview met Jean Laenen dat hij ‘le plus grand des poètes’ is. ‘C'est le poète de lyrisme pur, dont la poésie toute dynamique, toute d'instinct et de spontanéité exprime presque la totalité des mystères de la sensibilité individuelle, ou d'une époque, mais la sensibilité humaine. [...] Chez Guido Gezelle, rien d'artificiel, ni trace de mètres ou de rythmes établis par des règles préconcues.’26 Deze aanvulling op het eerder weergegeven verhaal van Van Ostaijen over Gezelle tegenover de Hollanders wijst nog duidelijker in dezelfde richting: het belang van een klankvormgeving die niet vastzit aan de traditionele prosodische regels. Die praktijk vindt men bij Gezelle, daarom is hij de grootste.

[p. 51]

Als deze analyse klopt, dan is er tegelijk een tweede ding duidelijk: wat Nijhoff met waardering over Van Ostaijen en Gorter zegt (ze hebben dezelfde stem), verschilt niet fundamenteel van wat Van Ostaijen zegt over zijn ideale dichter Gezelle, in Nijhoffs woorden: naakte taal, geen andere (retoricale) wetten dan die van de ‘innerlijke bewogenheid’, lyrische uiting van de ‘zieledrang’.

Ook Nijhoff is op allerlei plaatsen in zijn kritisch proza vol bewondering voor Gezelle. Zo zegt hij, sprekend over Van de Woestijne, wat deze auteur gemeen heeft met grote schrijvers als (Vondel en) Gezelle. Het gaat om iemand ‘met een zo sterk klankbord in de borstholte, - ge moogt dit gerust letterlijk opvatten - dat de zucht die hij slaakte een zang werd [...]. Dit van geaardheid, bijna dierlijk, artiest-zijn, deze lichamelijke potentie om gedurende de lengte van een leven de stem vibrerende te houden in de keel, verzen te ademen [...] en dit alles dragend de klank en voerend het merk van de tot in het geringste onderdeel herkenbare meester.’27 Opvallend is dat Nijhoff in Gezelle hetzelfde waardeert als Van Ostaijen: ‘ademhaling en polsslag’, ‘muzikale wegen’ volgend, van nature voorzien van het vermogen om, instinctief, spontaan, zuivere lyriek te scheppen.

Ook buiten zijn kritisch proza spreekt Nijhoff waarderend over Gezelle. In een brief uit 1942 aan F.R.A. Henkels noemt hij hem in één adem met Van Ostaijen: ‘Ik houd zeer van Paul v. Ostayen, ik stel hem zelfs hooger dan Gezelle.’28

 

Met de drie gegeven voorbeelden van ‘gedeelde liefde’ lijkt de indirecte weg - paradoxaal genoeg - niet minder betrouwbare informatie te geven over beider poëtica's dan de directe weg van uitspraken over elkaars werk.

3. Grammatica en poëtica

Het stuk van Nijhoff uit 1929 over Van Ostaijen29 is een combinatie van waardering en teleurstelling. Nijhoff had zich, zoals gezegd, al eerder positief uitgelaten over het dichtwerk van Van Ostaijen. Dat was in 1925 - Van Ostaijen heeft er nog kennis van kunnen nemen - maar schriftelijke sporen van een reactie daarop door Van Ostaijen ontbreken. Ik vind dat jammer, want op belangrijke punten lopen beider ideeën over poëzie parallel, en dan is het mogelijk dat ze ook verwantschap hebben herkend in elkaars dichtwerk.30

[p. 52]

Beiden hechten, blijkens uitlatingen in hun kritisch proza, grote waarde aan ritmische vormgeving in poëzie. Zoals gezegd spreekt Van Ostaijen over de ‘kadans’ bij Gorter, en over de ‘louter muzikale wegen’, met name ‘ademhaling en polsslag’, bij Gezelle. En wat ik van Nijhoff citeerde over Gezelle ligt in hetzelfde vlak: zijn ‘zucht’ werd ‘zang’, en hij had het vermogen om ‘de stem vibrerende te houden in de keel, verzen te ademen’. Het gaat hier niet om de klankkleur, het timbre, zoals te vinden in het verschijnsel rijm, maar om het ritme.

Het verwondert mij dan ook niet dat Nijhoff meteen al in het begin van zijn stuk, in verband met Van Ostaijens poëtica, het gaat hebben over grammaticale zaken. Ik houd er rekening mee dat Nijhoff, die ook muziekkritieken schreef, zich verdiept heeft in overeenkomsten en verschillen tussen muziek en poëzie. In beide kunstuitingen kent men, ten aanzien van klankvormgeving, het onderscheid tussen timbre en ritme. Het eerste is hier nauwelijks aan de orde, maar het tweede des te meer.

Nijhoff begint zijn opmerkingen over grammatica met te zeggen dat onze ‘enige taalrijkdom bestaat uit zelfstandige naamwoorden’.31 Hij komt hierop door Van Ostaijens ‘voorkeurloos noemen van elk beeld met gelijk gewicht’, vandaar Walt Whitmans z.i. terecht gemaakte opmerking dat de grasspriet niet onbelangrijker is dan de sterrenhemel, met als ‘literaire consequentie’ daarvan Marinetti's oproep: ‘schaf de bijvoegelijke naamwoorden af’.32 De zelfstandige naamwoorden zijn ‘de directe voorwerpsbenoemingen’ en deze worden onderling verbonden door het werkwoord, waarmee de syntaxis is gegeven.33

Met dit laatste is Nijhoff terechtgekomen bij datgene wat musicologen, linguïsten en literatuurwetenschappers als raakpunt hebben aangewezen tussen muziek en taal: ‘Musik’, zegt Gier, ‘lässt sich [...] als ein semiotisches System verstehen, das “rein syntaktisch ohne semantische Dichte” ist.’34 Als Nijhoff de syntaxis de onmisbare voorwaarde noemt voor ‘creativiteit’, dan ligt het voor de hand te denken aan de ‘muzikale’ component van de syntaxis. De syntaxis, als leer van de woordvoeging en de zinsbouw, opgevat als iets wat zich afspeelt ‘tussen de woorden’, is, prosodisch gezien, de basis voor ritmiek, d.i. de beweging, de relatie in de tijd (het ‘na elkaar’) tussen woorddelen en woorden, vergelijkbaar met de beweging tussen de elkaar opvolgende noten in de muziek.35 Het is de categorie die destijds is aangeduid als die van de ‘relational elements of sound’, die in onderlinge relatie ritme vormen.36 Dit is het terrein van de ‘kadans’ van Gorter, de ‘polsslag’ van Gezelle (Van Ostaijen), oftewel Ge-

[p. 53]

zelles wijze van ‘verzen te ademen’, en Van Ostaijens manier om ‘aanduidingen door een zekere zelfvoortdrijving een vaart’ te geven (Nijhoff).

In verschillende kritische beschouwingen benadrukt Nijhoff het belang van ritmische vormgeving in poëzie. Het gaat om ‘ritmische vaart’, een ‘bewegen van woorden’ overeenstemmend met het ‘bewegen der aandoeningen’.37 Ritmische vormgeving slaagt, wanneer men de taal met ‘haar kuise onvermurwbare syntaxis’38 respecteert en uitbuit, als enige manier om te komen tot een ‘schepping van boven-emotionele waarde’. Binnen de zinsbouw, goed gehanteerd, kan men effecten bereiken op het gebied van eindrijm39, en dan leidt het gebruik van de gesproken omgangstaal tot poëzie waarin alles ‘ademt, beweegt en zingt’.40 In een ander verband, sprekend over het letterkundeonderwijs, zegt Nijhoff dat de leraar moet uitgaan van de taal die de leerlingen om zich heen horen, en dan leren ze des te scherper beseffen ‘wat de apartheid van poëzie is, wat het bloeivermogen van woord en syntaxis vermag’.41

Vanuit deze basisgedachte gaat Nijhoff Van Ostaijen kritisch volgen. Er is voor Nijhoff, vooral in de bundel Het sienjaal, veel goeds te vinden.42 Maar als Van Ostaijen de syntaxis veronachtzaamt, gaat het mis. Gelukkig is het niet zo dat hij overal de syntaxis vervangt door ritmische typografie. Want er is - bij uitzondering weliswaar - dan toch ook het ‘virtuozenstukje “Boere-charleston”’.43 Hier is ‘een ondergrond van mechanische monotonie, welke die woorden opvangen, terugkaatsen en maatvast en syncopisch voortschokken moet’.44

 

Zoals ik bij Nijhoff en Van Ostaijen een merkwaardige overeenkomst meende te kunnen aanwijzen tussen hun voorkeur - en vooral ook de daarbij gegeven motivaties - voor dichters als Cocteau, Gezelle en Gorter, zo zie ik ook een opvallende parallel tussen beider opvattingen over de functie van de syntaxis ten aanzien van de ritmiek als essentieel voor goede poëzie.

Van Ostaijens opmerkingen lopen in principe parallel met die van Nijhoff. Wat Nijhoff bij Van Ostaijen waardeert wanneer deze syntactischmetrisch schrijft, correspondeert met zijn eigen prosodische praktijk, zoals die (inclusief de antimetrieën, de syncopen zoals in de jazz) te vinden is in menig gedicht van zijn hand.45 Tegelijkertijd ziet men Van Ostaijen soms een standpunt verdedigen dat qua intentie in Nijhoffs kritisch proza niet zou misstaan. In een van zijn poëzierecensies prijst Van Ostaijen het zijns inziens beste gedicht als volgt: ‘Elke zin is gesloten en gaaf, en

[p. 54]

van zin tot zin is er een spanning die [...] stijgt’ en ‘ritmisch-gratievol’ afsluit.46 Elders plaatst hij deze syntactisch-ritmische materie in een breder kader, de weg van conceptie naar realisering in woorden.47 Hij doet dat naar aanleiding van het gedicht ‘Terras’ van Gaston Burssens, dat ‘een visie naar het aanstijgen van klankwaarden lyries-logisch ontwikkelt binnen een streven naar de grootste gebaldheid van de uitdrukking d.i. de kortst mogelike afstand tussen visie en uitdrukking.’48 Zo is dit een voorbeeld van wat hij elders ‘zuivere lyriek’ noemt. Deze ‘staat op het standpunt van het subjektiefste uitstromen dat wezen der improvisatie en een kenmerk van het goed improviseren is; maar tevens staat zij op het ordenen van deze improvisatie.’49 Want hoofdzaak is ‘het uitstromen van het subjectiefste mogelik te maken’, zoals dat gebeurd is bij Hadewych.50 En de lezer? Het gaat erom dat deze zich overgeeft aan ‘de dynamiek’ van het gedicht. ‘Het eerste vers omvat de kiem van het tweede en dit tweede vers is alleen dan geen nonsens, wanneer het in lyries verband staat tot het eerste, wanneer het het ritme en de voorstelling [de volgorde is veelzeggend, G.V.] van het eerste doet aanzwellen of in de diepte legt.’51 Hij geeft Gorter als voorbeeld. Zijn gedicht Mei ‘rent al maar door; het duldt noch stilstand, noch terugkeer. Het is uit het bewogene dat het Gorter'se vers zijn pregnans haalt en zijn suggestie’, en deze suggestie ontstaat juist door het ‘voorwaarts schrijden’.52 En als vanzelf gebruikt hij dan termen uit de wereld van de muziek: zo ontstaat de ‘uitgebreide lyriese symfonie’ van het goede gedicht. Geen huiver dus bij Van Ostaijen om te verwijzen naar een klassiek genre. Dat blijkt ook elders, waar hij zegt: ‘Het ritme wijst erop of het gedicht allegro of scherzo is.’53 Van Ostaijen was minder gekant tegen de traditionele vormen en genres dan men misschien zou denken.

Ik kom in dit verband nog even terug op zijn boven weergegeven visie op Gezelle, die niet vast zou zitten aan gegeven prosodische regels. Men kan in Gezelles oeuvre nogal wat gedichten vinden die volgens de klassieke metriek zijn geschreven. Wellicht had Van Ostaijen daar geen probleem mee. Zo zegt hij elders weliswaar: ‘nul lien ne me rattache à la vieille prosodie’, maar hij voegt eraan toe: ‘ma technique appartient au vers libre, mais avec cette différence que le vers libre symboliste existe par sa fuite de la prosodie et que le mien est à la recherche d'une prosodie.’54 En op een andere plaats zegt hij: ‘Meer verwijderd nog dan van de akademiese prosodie, sta ik van het vrij vers.’55 Ik ben het in principe eens met Spinoy, wanneer hij beweert: ‘De voorkeur’ van Van Ostaijen ‘voor

[p. 55]

“organisch” gegroeide gedichten sluit meteen ook het gebruik van vooraf gegeven metra en versvormen uit.’56 Maar ik voeg eraan toe dat Van Ostaijen in zijn dichterlijke praktijk soms elementen van de klassieke metriek niet schuwt. Ik denk aan zijn gedicht ‘Melopee’, dat bestaat uit regels die zijn opgebouwd uit combinaties van versvoeten.57 Het is polymetrisch geschreven, en is als zodanig van een type dat ook Nijhoff graag beoefende.58

Dit wil niet zeggen dat Van Ostaijen en Nijhoff, gelet op wat ze in hun kritisch proza hebben gezegd, identieke opvattingen hadden over goed dichterschap. Weliswaar is er de gemeenschappelijke opinie over de rol van syntaxis en ritmiek, maar er zijn nuanceverschillen. Op het gebied van de klank heeft niet alleen ritme, maar ook timbre Van Ostaijens aandacht, meer dan bij Nijhoff het geval is. Ik geef één voorbeeld. Van Ostaijen vergelijkt de taal met een piano. ‘Op een klavier liggen links van de speler de basnoten, rechts de hoge noten. In de taal is het niet anders; alleen het klavier is geen meubel, doch het gesproken woord. Links ligt b.v. het woord “donkerte” en rechts ligt “licht”’ en elke dichter zoekt zijn eigen ‘klaviergebied’ van de taal.59 Van Ostaijen speelt ook hier in op een traditie, die een voorkeur lijkt te hebben voor klinkers die vóór in de mond worden uitgesproken (e, i) bij hun keuze van woorden die dunheid, snelheid, lichtheid, vrolijkheid uitdrukken, en woorden met klinkers achter in de mond uitgesproken (o, a) voor zaken van het tegendeel (langzaam, duister, enz.)60

Tenslotte is er een merkwaardige overeenkomst tussen beiden in hun visie op de plaats van de poézie in cultuur en leven. Van Ostaijen zegt in verband met ‘zuivere lyriek’: ‘hoofdzaak is het uitstromen van het subjektiefste mogelik te maken’.61 ‘Hiermee staan wij niet buiten de traditie, doch wel integendeel daar middenin, aansluitend bij Hadewych en Mechtild [von Magdeburg], bij buiten-literaire literatuur als de schone biecht der Katharina Vetter, de volkspoëzie en de kinderlyriek. In tweede instantie komt het op het ordenen van dit subjektieve tot groter algemeengeldigheid aan.’ En even verder is hij weer bij de wereld van klank en muziek als hij in dit verband spreekt over ‘het improviseren op het orgel van het onderbewustzijn’.62 Het gaat erom dat de ‘lyrische ontroering het geschouwde transcendente dat haar tot oorzaak was, zichtbaar maakt’. Want ‘uit dezelfde dubbele oorzaak van verlangen en machteloosheid die wekster is van het gebed, spruit de poëzie’.63 En dan is men - evenals Gezelle en Hadewych - dicht bij de mystiek. Hij propageert dan

[p. 56]

ook de opvatting dat de lyriek ‘een zwakkere vorm van de extase’ is.64

Nijhoff zit op dezelfde lijn, al gebruikt hij andere woorden. Grote kunst - hij gaat verder dan alleen de dichtkunst - heeft ‘één vorm en twee inhouden’, en op die tweede inhoud - het uiteindelijke resultaat van het scheppingsproces - komt het aan. Hij noemt die afwisselend ‘geestelijke inhoud’, ‘openbaring van bovenmenselijke kracht’, ‘goddelijke aanduiding’, ‘zang’.65 Met dit laatste kan de lezer zich even opgenomen voelen in de sfeer van het religieuze lied. Het is wat hij een ‘schepping van boven-emotionele waarde’66 noemt.

4. Conclusies

Nijhoff en Van Ostaijen houden zich in hun kritische beschouwingen met allerlei soorten zaken bezig, variërend van de dichterlijke techniek tot het herscheppingsgedrag van de lezer. Ze spreken bijvoorbeeld als lezer, criticus, dichter, psycholoog, terwijl vaak niet duidelijk is in welke rol(len) ze op een bepaald moment optreden.67 Soms is het ook moeilijk de grens vast te stellen tussen uitspraken over eigen literatuuropvattingen en tactische manoeuvres. Niettemin dringen zich bij mij, na lezing van hun teksten, een aantal constanten op.

 

Een goed dichter gaat uit van de gesproken omgangstaal. De omgangstaal ondergaat bij het schrijfproces een bewerking, waarbij syntaxis essentieel is: de literator maakt gebruik van de volgorde van woorden en zinsdelen als kader voor poëtisch-technische vormgeving.

Exploitatie van het ritme, op basis van de syntaxis, is van het allergrootste belang: de gang van woord naar woord, van regel naar regel, van strofe naar strofe.

Het hanteren van traditionele vormen als herhaling, afwisseling, anrithese is noodzakelijk voor een ‘gebonden’ vorm als poëzie. Klankrapprochementen op grond van het timbre (bijvoorbeeld assonantie, acconsonantie, volrijm) kunnen worden ingezet bij de vormgeving van het ritmisch verloop van (groepen van) versregels. Poëzie grenst aan de wereld van het transcendente, het goddelijke.68

Voor Nijhoff is het - méér dan voor Van Ostaijen - belangrijk zo nodig gebruik te maken van elementen van de traditionele prosodie. Van Ostaijen waardeert het als een dichter geen gebruik maakt van de klassieke metriek, maar laat niet na om belangrijke elementen daarvan in zijn eigen poëzie toe te passen.

[p. 57]

Voor Van Ostaijen is - meer dan voor Nijhoff - exploitatie van de klankvorm van het woord (het timbre van klinkers en medeklinkers) belangrijk. Van Ostaijen noemt zijn eigen gedicht ‘Melopee’ (zie onder 3) als voorbeeld van wat hem als ideaal voor ogen stond.69 Nijhoff is voorzichtiger over eigen werk, maar hoopt dat ‘Awater’ een stap in de goede richting is.70

 

Er zijn diverse redenen geweest waarom verschillende literair-historici Nijhoff en Van Ostaijen in één adem hebben genoemd. Uit bovenstaande notities kan men niet de conclusie trekken dat ze zich destijds als duo hebben gedragen. Ze hadden met elkaar te maken, maar dat gold voor velen in het toenmalige literaire circuit. Intensief wederzijds contact lijkt er in ieder geval niet geweest te zijn.

Des te frappanter is het dat we, ten aanzien van hun omgang met poezie, achteraf kunnen vaststellen dat ze het op essentiële punten volledig eens waren: in hun houding ten aanzien van kunst en cultuur, in hun belangstelling voor dichtwerk van sommige collega's, en niet het minst in hun poëticale opvattingen zoals ze die - met name ten aanzien van het verschijnsel klank71 - als critici hebben gepropageerd. En dat maakt hen tot een opmerkelijk tweetal in de moderne Nederlandstalige letterkunde.

1Zie bijvoorbeeld: K. Meeuwesse, Muziek en taal. Over poëzie en poëtiek van Martinus Nijhoff en Paul van Ostaijen. Nijmegen 1961; J.J. Oversteegen, Vorm of vent. Opvattingen over de aard van het literaire werk in de Nederlandse kritiek tussen de twee wereldoorlogen. Amsterdam 1970, p. 123 e.v.; L. Wenseleers, De poëzie is niet meer van gisteren. Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff en het nieuw-realisme. Leiden 1972, p. 12, 146, 149 e.v.; F. Bulhof, Nijhoff, Van Ostaijen, ‘De Stijl’. Modernism in the Netherlands and Belgium in the first quarter of the 20th century. Six essays. The Hague 1976; T. Anbeek, Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985. Amsterdam 1990, p. 207; F. Ruiter & W. Smulders, Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990. Amsterdam 1996, p. 238; T. Vaessens, Circus Dubio & Schroom. Nijhoff, Van Ostaijen en de mentaliteit van het Modernisme. Amsterdam 1998.

2Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2: Kritisch, verhalend en nagelaten proza. Amsterdam 1961, p. 625.
3Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 197.
4Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 254.
5Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 367.
6Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 469.
7Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, Amsterdam 1979, p. 356.
8Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 360.
9Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 625-634. Het tweede stuk, ‘Document en monument. Paul van Ostaijens verzameld werk’ (ibidem, p. 1056-1060) is van 1953.
10G.J. Dorleijn, ‘“Daarginds kent men u door Coster!” Paul van Ostaijen in het Nederlandse literaire veld’, in: P. Peeters & E. Spinoy (red.), Het vouwbeen van de lezer. Over literatuuropvattingen. Leuven 1996, p. 51-70: p. 64 e.v.

11Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 333.
12Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 1166 e.v.
13Uit Le Cap de Bonne-Espérance (1916-1919), in: J. Cocteau, Morceaux choisis. Poèmes. (10e éd.) Paris 1932, p. 13.
14Uit Poésies (1920), in: J. Cocteau, Morceaux choisis, p. 59.
15Ik noem onder andere Nijhoffs ‘Kleine prélude van Ravel’ (1922), en ‘Kristal en sterren’ van 1924, in M. Nijhoff, Verzamelde gedichten. Amsterdam 1995, p. 161-163; 189.
16Ik wijs bij Cocteau's ‘Fête de Montmartre’ op de handhaving van eindrijm en de toepassing van het (met polymetrie gecombineerde) principe van het middeleeuwse heffingsvers. Beide prosodische procédés vindt men op grote schaal zowel bij Van Ostaijen als bij Nijhoff.
17Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 333.
18Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 391.
19Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 354.
20Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 1058.
21Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 1055.
22Nijhoff gebruikt een gelijksoortige beeldspraak in de sfeer van sneeuw en ijs wanneer hij spreekt over de dichter Mallarmé als de ‘poolreiziger naar het poëtisch absolute’ (cursivering van mij, G.V.); Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 194.
23P.N. van Eyck & M. Nijhoff, [Correspondentie], in Maatstaf 5 (1957-1958), p. 540-553.
24Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 342, 245.
25Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 393.
26Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 523 e.v.
27Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 603.
28G. Dorleijn, S. van Faassen en A. Heising (ed.), Schepelingen van De Blauwe Schuit. Brieven van Bertus Aafjes, K. Heeroma, M. Nijhoff, S. Vestdijk en Hendrik de Vries aan F.R.A. Henkels, 1940-1946. Amsterdam 2003, p. 98.

29‘Moderne dichters. Paul van Ostaijen’, in: Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 625-634.
30Het is de vraag of Oversteegen (Vorm of vent, p. 183) gelijk heeft met zijn bewering dat voor Van Ostaijen ‘de poëzie van Nijhoff niets te maken had of kon hebben met de zijne’.
31Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 627.
32Ik laat hier de vraag naar de eventuele juistheid van Nijhoffs literair-historische opmerkingen buiten beschouwing, omdat het mij hier uitsluitend gaat om de strekking van zijn betoog over grammatica en poëtica.
33Ik citeer de hele passage: ‘wij maken ons deze uitwendige wereld van het oog tot een inwendigheid, tot een bewust eigendom, door deze concreetheden [de bedoelde ‘voorwerpsbenoemingen’] in onderlinge positie en spanning te brengen: de functie van het werkwoord. Daarmee treedt echter de syntaxis op, het geheimzinnigste element van de taal, waardoor de koude aanduidingen door een zekere zelfvoortdrijving een vaart verkrijgen, waarin, buiten ons waarnemend bewustzijn om, het scheppend element gaat optreden. Zonder syntaxis geen creativiteit. Zonder syntaxis glijdt de wereld weer over ons bewustzijn voorbij gelijk de aanschouwde beelden over onze oogbal.’ Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 626.
34A. Gier, ‘Musik in der Literatur. Einflüsse und Analogien’, in: P.V. Zima (Hrsg.), Literatur intermedial. Musik, Malerei, Photographie, Film. Darmstadt 1995, p. 61-92: p. 66, onder verwijzing naar U. Eco, Einführung in die Semiotik. München 1972, p. 106 e.v.; J.J. Nattiez, Fondements d'une sémiologie de la musique. Paris 1975, p. 127 e.v.; en W. Gruhn, Musiksprache - Sprachmusik - Textvertonung. Aspekte des Verhältnisses von Musik, Sprache und Text. Frankfurt a.M. 1978, p. 58.
35Ik doel hier niet op gelijktijdig klinkende noten (zoals in een liggend akkoord), maar op na elkaar gespeelde noten, bijvoorbeeld van een melodie, of van een arpeggio-akkoord.
36R. Wellek & A. Warren, Theory of literature. New York 1961, p. 147. Tegenover de ‘inherent elements of sound’ (timbre, klankkleur), die de basis vormen voor het verschijnsel rijm.
37Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 233 e.v.
38Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 1209.
39Nijhoff doelt hier niet op het timbre, de klankkleur als zodanig, maar op de metrische functie van de herhaling van rijmklanken aan het eind van de versregel, zoals we die kennen in traditionele poëzie.
40Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 248.
41Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 303.
42Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 627.
43Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 629. Men vindt het gedicht in Van Ostaijens Verzameld werk, deel 2, p. 239.
44Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 630.
45Zie bijvoorbeeld het gedicht ‘Sonate’ (Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, p. 23) uit De wandelaar, waarin het tweede kwatrijn begint met een vijfjambische regel (‘Ik hoor de stilte hijgend ademhalen’), gevolgd door een regel met antimetrieën (‘Hoor hoe het leven in een dans vergaat’). Voor meer informatie over dit onderwerp zie men: G.J. Vis, ‘Iconiciteit en ritme: klankexpressie bij Nijhoff’, in Forum der Letteren 32 (1991), 4, p. 247-260.
46Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 243.
47Zie hierover: E. Spinoy, ‘Van Ostaijen als literatuurcriticus: “conceptie en techniek”’, in: P. Peeters & E. Spinoy (red.), Het vouwbeen van de lezer, p. 35-49.
48Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 274.
49Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 350.
50Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 351.
51Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 352.
52Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 355.
53Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 256.
54Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 289.
55Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 378.
56E. Spinoy, ‘Paul van Ostaijen. Nagelaten gedichten’, in: A.G.H. Anbeek van der Meijden e.a. (red.). Lexicon van literaire werken, 5. Groningen februari 1990, p. 5.
57Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 2, p. 213. De tweede strofe bijvoorbeeld begint als volgt:
‘Langs het hoogriet (twee-trocheïsch)
langs de laagwei (idem)
schuift de kano naar zee’ (tweemaal trochee, één jambe).
Het hele gedicht is volgens dit principe van de polymetrie opgebouwd.
58Ik denk aan de gedichten ‘Sneeuwliedje’ en ‘Het liedje van den simpele’ uit De wandelaar (1916), en aan het ‘Het uur u’ uit 1937 (Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, p. 34, 59, 302.)
59Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 203.
60Zie bijvoorbeeld Wellek & Warren, Theory of literature, p. 151, en aldaar gegeven verantwoording.
61Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 351.
62In verband met deze en de hiervoor gegeven informatie over Van Ostaijens bemoeienis met de klank zie men ook: E. Spinoy, ‘Van Ostaijen als literatuurcriticus’, p. 43, die spreekt over Van Ostaijens ‘zware nadruk op de muzikaliteit van de taal’. Zie verder: J. Bogman, Professoren hier is de laatste gnostieker. Paul van Ostaijen tussen schilderkunst en mystiek. Nijmegen 2002, p. 10, 132, 155; en G.J. Vis, ‘Ut musica poesis. Muziektermen in de literaire kritiek’, in Spiegel der letteren 34 (1992), 2, p. 123-137: p. 126-129.
63Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 372, 373.
64Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 4, p. 374 e.v.
65Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 338.
66Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 1209.

67Zie hierover ook: W.J. van den Akker, Een dichter schreit niet. Aspecten van M. Nijhoffs versexterne poëtica. (2 dln.) Utrecht 1985, p. 185 en passim.
68Zie in dit verband wat Nijhoff betreft ook G.J. Dorleijn, Terug naar de auteur. Over de dichter M. Nijhoff. Baarn 1989, p. 23-26, en ten aanzien van Van Ostaijen: P. Hadermann, Paul van Ostaijen en de kunst van zijn tijd 1896-1996. Opstellen. Gent 1997, p. 355; en E. Spinoy, ‘Van Ostaijen als literatuurcriticus’, p. 39.
69Paul van Ostaijen, Verzameld werk. Deel 2, p. 281.
70Martinus Nijhoff, Verzameld werk. Deel 2, p. 1168.
71Internationaal gezien waren beiden geen uitzondering in het poëticale circuit. Ik denk aan schrijvers uit de sfeer van het unanimisme zoals Jules Romains en Georges Duhamel. Menige passage uit G. Duhamel en Ch. Vildrac, Notes sur la technique poétique (Paris 1925) kan men hierbij citeren. Ik beperk me tot een enkele zin: ‘Dès que l'on parle de la poésie, l'influence même des mots conduit aux comparaisons musicales’ (p. 30).
prepostterug  begin  verder