De Commissie voor geschied- en oudheidkunde stelt het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden voor de Prijs voor Meesterschap 2004 toe te kennen aan dr. I. Schöffer te Leiden voor zijn gehele wetenschappelijke oeuvre. Het voorstel vindt zijn grond in de volgende overwegingen.
Ivo Schöffer (1922) ving zijn studie geschiedenis in Amsterdam aan onder zeer bijzondere omstandigheden: de bezettingstijd. Die beginjaren van de studie werden getekend door zijn zeer actieve rol, in het bijzonder bij de hulp aan joden. Hij deed daarvan op tegelijk heel persoonlijke en afstandelijke wijze verslag in een lang radio-interview, uitgegeven onder de titel Je moet ook een beetje durven (Leiden 2002). Hij kreeg met zijn familie voor die activiteiten de Yad Vashem-onderscheiding. Na ook overigens actieve studentenjaren (Senaat Amsterdamse Studentencorps en redacteur Propria Cures) verwierf de wetenschap, aanvankelijk naast een leraarschap aan zijn vroegere middelbare school, het Amsterdams Montessorilyceum, zijn volle aandacht.
Schöffers proefschrift uit 1956, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis van de Nederlanden. Een historiografische en bibliografische studie, was als het ware een krachtig openingsschot van een magnifiek salvo aan wetenschappelijke producten. Dat oeuvre kenmerkt zich door grote kennis van zaken op grond van eigen bronnenstudie en zeer brede belezenheid, scherp analytisch vermogen, verfijnde stilistische vormgeving en een in vele richtingen uitwaaierende belangstelling. Met grote regelmaat bleven grotere en kleniere artikelen, boekbesprekingen en overzichten van bepaalde tijdvakken of meer toegespitste thematische onderwerpen verschijnen.
Een blik op de lijst van publicaties opgenomen in een in 1987 bij Schëffers afscheid als hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Leiden gepubliceerde selectie van artikelen (Veelvormig Verleden. Zeventien studies in de Vaderlandse Geschiedenis) toont die opmerkelijke veelzijdigheid en brede belangstelling, die ook na dat afscheid niet verminderde. Van ‘De vonnissen in averij-grosse van de Kamer van Assurantie en Averij te Amsterdam in de 18e eeuw’ (1956) tot ‘Dutch “expansion” and Indonesian reactions: some dilemmas of modern colonial rule 1900-1942’ (1978). Van ‘The
Batavian myth during the sixteenth and seventeenth centuries’ (1975) tot ‘Weinreb, een affaire van de lange duur’ (1982). Van een overzicht van de Nederlandse geschiedenis in de tweede helft van de zestiende en de zeventiende eeuw in de Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden (1977) tot een gedetailleerde studie over Abraham Kuyper en de joden (1984). Van ‘Geschiedenis als leerschool voor de politiek: Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872)’ (1996) tot ‘Richard Cobb, de Fransen en de Duitse bezeting’ (1998). En zo kan men voortgaan. Schëffer toonde zich meester op vele wapenen: vele tijdvakken, vele thema's, vele genres.
De Nederlandse geschiedenis vormt zonder twijfel het samenbindend element in Schöffers wetenschappelijk werk, ten dele uit vroeg gevormde eigen belangstelling, ten dele versterkt door zijn leeropdracht. Tegelijk heeft zijn werk een sterk internationale uitstraling. Hij werkte drie jaar aan de University of Western Australia in Perth, zonder dat van het begin af aan duidelijk was dat hij zou terugkeren naar Nederland. Later was hij nog een jaar gasthoogleraar in Ann Arbor. Hij publiceerde veel in andere talen, vooral Engels, plaatste zijn onderzoek herhaaldelijk met nadruk in internationale context en paste internationale vraagstellingen toe op de Nederlandse geschiedenis. Meer dan eens introduceerde hij ook belangwekkende ontwikkelingen van elders in Nederland. Slechts enkele voorbeelden ter illustratie daarvan. De oratie uit 1962 (Ons Tweede Tijdvak) behandelde het eigen karakter van de Nederlandse Republiek juist vanuit vergelijkend perspectief. ‘Viel onze Gouden Eeuw in een tijdvak van crisis?’ (1964) heeft een internationaal debat als uitgangspunt. Diverse artikelen over de geschiedenis van de joden in Nederland weerspiegelen bij uitstek vragen die de Nederlandse geschiedenis overstijgen. ‘Het dode cijfer en het levende getal’ (1965) was een belangrijke bijdrage aan de introductie in Nederland van internationale (vooral Franse) kwantificerende ontwikkelingen in de geschiedwetenschap. Vele boekbesprekingen en in sterkere mate nog besprekingsartikelen vervulden diezelfde introducerende functie, ook als Schöffer het onderwerp zelf niet verder uitdiepte.
Zonder dat in voorgaande schets volledig recht is gedaan aan alles wat Schöffer bijdroeg aan de Nederlandse geschiedbeoefening, is duidelijk hoezeer zijn oeuvre blijk geeft van meesterschap. Zijn betekenis voor die geschiedbeoefening heeft daarnaast enkele andere dimensies, die direct samenhangen met de wijze waarop hij zijn functie, hoogleraar en in bredere zin professioneel historicus, heeft uitgeoefend. Hoewel aan de ene kant individualist pur sang, in zijn heel eigen en herkenbare stijl van
schrijven en ook in zijn dikwijls wat eigenzinnige en soms ook grillige opvattingen over vele onderwerpen, heeft hij zich altijd tevens deel gevoeld van een gemeenschap van professionele historici, die niet alleen individueel maar ook samen een belangwekkende taak hebben te vervullen. Juist als hoogleraar trok hij de consequentie dat hij dus ook stimulerend moest optreden, de infrastructuur van het valk moest helpen bevorderen en soms ook taken uit maatschappelijke plicht moest aanvaarden. Dat viel hem overigens niet moeilijk, integendeel het sloot moeiteloos aan bij wat hij ook uit zichzelf al wilde. Het paste bij zijn persoonlijkheid. Zoals J.J. Woltjer het in een mooie korte schets uit 1987 zei: ‘Wil men Schöffer als mens en collega karakteriseren dan kan men dat het beste doen door te letten op wat hij bij anderen prees: vriendelijk, goedlachs, hartelijk en gevoelig, noemde hij Romein, bij zijn grootvader onderkende hij een grote behoefte aan hartelijkheid.’
In die breed uitwaaierende activiteiten van stimulerende en het vak bevorderende aard vallen enkele categorieën in het bijzonder op, waarbij de schier eindeloze reeks lidmaatschappen van besturen, raden en commissies verder buiten beschouwing blijft. Als eerste verdient daarbij het promotorschap vermelding. Ivo Schöffer heeft meer dan veertig promoties begeleid, waarvan vele van hoog niveau, maar juist ook wie soms moeite had met de voortgang of problemen maar niet wist op te lossen, kon op hem rekenen. Zijn promovendi wisten hem altijd beschikbaar voor een gesprek over waar het onderzoek stokte en hij leidde hen op een onnadrukkelijke wijze tot het zelf vinden van de oplossing, ogenschijnlijk eenvoudig door het stellen van de juiste vragen. Met eindeloos geduld becommentarieerde en verbeterde hij ingediende conceptteksten; soms bladzijden nagenoeg blauw met in karakteristiek handschrift genoteerde tekstsuggesties en vragen. Het ultieme voorbeeld van de loyaliteit van Schöffer jegens zijn promovendi is de dissertatie die L.J. Boon naast zijn werk bij nwo voorbereidde. Na diens tragische en veel te vroege dood in 1986 nam Schöffer de taak op zich het boek te voltooien. Die taak bleek zwaarder dan verwacht. Echte vertrouwdheid verwerven met het onderwerp - de vervolging van homoseksuelen in de Republiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw - kostte veel tijd. Het bleek noodzakelijk terug te gaan naar de bronnen, de formulering van de interpretatie kostte hoofdbrekens. Zo werd deze onderneming in feite een monografie van twee onderzoekers. Toch was er bij Schöffer geen twijfel. Het boek Dien godlosen hoop van menschen verscheen in 1997, overigens zeker correct,
met één auteur, L.J. Boon, ‘bezorgd door’ Schöffer met medewerking van enkele oud-collega's van Boon.
Naast het met veel elan, deskundigheid en subtiliteit uitgeoefende promotorschap maakte Schöffer zich verdienstelijk door (initiatieven tot) enkele grotere collectieve ondernemingen. Al in de jaren zestig zette hij, mede geïnspireerd door de grote bronnenuitgave van P. Chaunu over de scheepvaart tussen Spanje en Amerika, de eerste stappen om uit de rijke voc-bronnen de scheepvaartbeweging tussen de Republiek en Azië te reconstrueren. Het werd een project waaraan vele historici vanuit Leiden hebben gewerkt, al snel onder leiding van een driemanschap (naast Schöffer J.R. Bruijn en F.S. Gaastra), en dat in het meerdelige Dutch Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries (1979 e.v.) een indrukwekkend resultaat boekte. De betekenis ervan voor de internationale geschiedbeoefening kan moeilijk overschat worden. Het Biografisch Woordenboek van Nederland, waaraan sinds 1971 vanuit het huidige Instituut voor Nederlandse Geschiedenis wordt gewerkt, is bij uitstek een project dat de volle liefde van Schöffer had en heeft. Het is naar zijn aard een collectieve activiteit, waaraan dan ook door vele Nederlandse historici is en wordt gewerkt en waarbij de rol van de full-time secretaris/redacteur (eerst J. Charité, later A.J.C.M. Gabriëls) onmisbaar is. Maar de ziel en de motor was zeer lange tijd Schöffer. Hij schreef ook verscheidene lemmata, een genre waarin hij excelleert. Er zitten juweeltjes tussen.
Het Tijdschrift voor Geschiedenis was geen schepping van Schöffer, maar vele jaren was hij wel de redactiesecretaris en droeg zo, opnieuw in een per definitie collectieve onderneming, al die jaren wezenlijk bij aan de in de infrastructuur van het vak zo belangrijke functie van het vaktijdschrift. Misschien wel meer dan in het zeker niet onbelangrijke publiceren van artikelen ligt de betekenis van zo'n tijdschrift in de boekbesprekingen en in de oriëntatie op de ontwikkelingen in het vak. Vele Nederlandse historici die boekbesprekingen leverden hebben kennisgemaakt met de zorg en precisie, waarmee de redactie onder leiding van Schöffer de adequaatheid van de recensies bewaakte. Het droeg fundamenteel bij tot de kwaliteit van het tijdschrift. Toen hij na vele jaren het redactiesecretariaat neerlegde, werden zijn verdiensten passend geëerd door zijn benoeming tot erelid van de redactie.
Een bijzonder geval van een collectieve onderneming vloeide voort uit een directe politieke vraag naar historisch-wetenschappelijk onderzoek: de affaire Menten. Hoewel Schöffer in eerste aanleg eigenlijk niet veel
animo had dat onderzoek zelf uit te voeren, was hij wel van mening dat de beroepshistorici in een dergelijk geval van een, hoezeer ook in eerste instantie uit onwetenschappelijke motieven voortgevloeide, directe vraag naar onderzoek moesten ingaan, mits aan de condities daarvoor was voldaan. De geschiedwetenschap, die natuurlijk de antwoorden op politieke vragen niet kan en mag geven, heeft immers wel relevante en belangwekkende dingen te zeggen. Toen dan ook dreigde dat ‘de wetenschap’ het hier zou laten afweten, pakte hij de handschoen op, onderhandelde bekwaam over de voorwaarden en vormde een commissie van onderzoek (naast Schöffer zelf als onbetwiste primus inter pares, J.C.H. Blom en A.C. 't Hart). Het resultaat, De Affaire-Menten 1945-1976 (1979), bleef opmerkelijkerwijze na de hectische start onomstreden. Het politieke debat werd ‘definitief’ gesloten, de geschiedwetenschap was verrijkt met een zeer degelijke en grondige studie, die ook breder aandacht trok dan de affaire alleen. In het bijzonder de passages over de maatschappelijke en politieke context van de eerste naoorlogse jaren en over de bijzondere rechtspleging en zuivering zijn veel bij ander onderzoek gebruikt.
Meester op vele wapenen dus, met grote bekwaamheid en veelzijdigheid ingezet op vele terreinen: dat mag de samenvattende formulering zijn van bovenstaande uiteenzettingen. Goede gronden dan ook de Prijs voor Meesterschap toe te kennen.
De Commissie voor geschied- en oudheidkunde, namens deze,
F.S. Gaastra, voorzitter
P.F.J. Obbema, secretaris
Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft besloten, overeenkomstig het advies van de Commissie voor geschied- en oudheidkunde, de Prijs voor Meesterschap toe te kennen aan dr. I. Schöffer voor zijn gehele wetenschappelijke oeuvre.