Bij mijn afscheidscollege, zeventien jaar geleden, vermeldde ik hoe de Britse krantenkoning Murdoch de hoofdredacteur van de door hem opgekochte Times ontslagen had. Hij deelde de bij hem ontboden hoofdredacteur mee dat hij op dat moment ‘editor emeritus’ was geworden. Op de verbouwereerde vraag van deze hoofdredacteur wat dat eigenlijk zeggen wilde, antwoordde Murdoch: ‘“e” means you're out and “meritus” that you deserve it.’ Opgegroeid in een protestants-remonstrants gezin vroeg ik mij toen af of ik, afgezien van mijn leeftijd, dat emeritaat niet ook echt ‘verdiend’ had: ‘“e” means you're out and “meritus” that you deserve it.’
Nu aan mij bijna zeventien jaar later de vererende Prijs voor Meesterschap wordt uitgereikt, heb ik daaruit begrepen dat mijn werkzaamheden vóór en ná mijn emeritaat toch worden gewaardeerd, en dat dit door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde met deze prijs te kennen wordt gegeven. Maar ik blijf mij wel afvragen óf ik het ook echt verdiend heb. Bij mijn studie van de twisten tijdens het Twaalfjarige Bestand ontdekte ik hoezeer het merendeel van de toenmalige remonstranten, hoewel de leer van de predestinatie verwerpend, nog goed gereformeerd-calvinistisch waren gebleven en waarschijnlijk heb ik in dat opzicht dezelfde klap van het calvinistisch zondebesef meegekregen.
In het advies zelf klinkt slechts één keer enige kritiek op mijn oeuvre door, wanneer er sprake is van ‘dikwijls wat eigenzinnige en soms ook grillige opvattingen’ die ik ‘over vele onderwerpen’ zou koesteren. Zelf kan ik nog wel andere gebreken noemen. Ik ben vaak slordig, heb mijn aantekeningen niet altijd even goed bijgehouden en bij correctie van drukproeven vaak fouten laten staan. Recensenten als W.F. Hermans, Wout Troost of Istvan Béjczy hebben dat terecht gesignaleerd. Als promotor heb ik wel eens een manuscript te lang onder mij gehouden en daardoor promovenda of promovendus onnodig laten wachten. Als bestuurder en ingezonden-stukken-schrijver, boekbespreker of debater heb ik mij vaak minder ‘hartelijk en gevoelig’ getoond dan Woltjer mij heeft toegeschreven. Maar ik moet mij haasten het bij deze haast sektarische zelfbeschuldigingen waarin dissenters als de Shakers en de Quakers konden vervallen, te laten. Wat er allemaal verder in het advies te
lezen is, is voor mij toch een pleister op de wonde van mijn schuldgevoel.
Hoe kwam al dat blijkbaar goede in mijn oeuvre en werkzaamheden tot stand? Ik geloof dat ik het grotendeels te danken heb aan mijn onbedwingbare nieuwsgierigheid, naar mensen en dingen, naar omstandigheden en ontwikkelingen, naar nieuwe theorieën en daarin voorkomende visies en gezichtspunten. Veel leerde ik daarbij kennen door contacten in mijn omgeving, niet alleen in Nederland, maar ook in Australië, de Verenigde Staten en Engeland vooral. Bij mijn Australische onderwijs zag ik het belang van de tutorials, van korte essays en regelmatig schriftelijk werk al vroeg in, een ervaring die ik kon toepassen bij mijn onderwijs in Leiden en Ann Arbor. De min of meer Nederlands-academische traditie om je op je eigen studeerkamer in individualistische studie terug te trekken, heb ik nooit afgeleerd maar daarnaast ging ik ten volle het belang beseffen van geregeld contact met vakgenoten, docenten en studenten, voor gesprekken of briefwisseling, werkcolleges en colloquia. Heel veel heb ik geleerd van de samenwerking met Blom en 't Hart bij het grondige en daardoor zo tevredenstellende onderzoek naar het opsporings- en vervolgingsbeleid inzake Menten - al past bij dit alles voor mij wel de waarschuwing niet al te exclusief de nadruk te leggen op teamwork en grote gemeenschappelijke projecten ten koste van individueel onderzoek.
Ik behoor wat dit aangaat, zoals ook in andere opzichten, tot de ‘ouderwetse historici’ die bronnenkritiek met controleerbare bewijsvoering en aandacht voor de feitelijke beschrijving primair stellen. Met postmodernistische theorieën heb ik niet veel op en voor min of meer filosofisch georiënteerde geschiedtheorieën heb ik weinig aanleg en begrip. Natuurlijk besef ik ten volle - niet voor niets ben ik ook in dit opzicht een leerling van Romein - dat in de geschiedwetenschap nooit volledige objectiviteit kan worden bereikt maar dat wij daarnaar zo goed als mogelijk is moeten streven mét het inzicht dat juist de subjectieve inspiratie van eigen tijd en eigen omgeving tot nieuwe benaderingen en veronderstellingen kan leiden. Ik ben het dan ook niet eens met de passage in het Advies van de commissie dat ‘de geschiedwetenschap [...] natuurlijk de antwoorden op politieke vragen niet kan en mag geven’. Ik zou dit enigszins willen nuanceren door te formuleren dat ‘de geschiedwetenschap nooit de definitieve antwoorden op politieke vragen kan geven maar dat een streven daarnaar niet alleen is toegestaan maar bij bepaalde onderwerpen ook gewenst kan worden geacht’. In de geschiedenis van de geschiedschrijving zijn onze
voorgangers in het vak juist zo interessant omdat zij in politiek opzicht kinderen van hun tijd waren en in die kaders dachten en zochten.
Dit brengt mij op de ervaring die denkelijk ook anderen bij eigen studie steeds weer opdoen: onze afhankelijkheid van die oude geschiedschrijvers, waardoor wij niet telkens het wiel opnieuw hoeven uit te vinden. Voor mij werden onderzoek en beschrijving door die voorgangers steeds meer inspiratie en aansporing die ik steeds minder durfde te verwaarlozen. Wat ik aan hen te danken heb, ben ik mij zeer bewust. Dankzij Romein bemoeide ik mij al vroeg met de geschiedenis van de geschiedschrijving, dankzij I.J. Brugmans leerde ik het belang van tabel en statistiek kennen die ik toepaste op scheepsverplaatsingen en historische demografie. Ik ben er zelfs een beetje trots op dat ik door raadpleging van het werk van voorgangers én tijdgenoten ook zelf het een en ander weer op de agenda zette, zoals de geschiedenis van de Oost-Indische Compagnie, kort na 1945 impopulair geworden, of de historische biografie, bij de seriële en generaliserende geschiedbeoefening van de Annales verwaarloosd. Dat overigens voor mij juist die Annales inspirerend en stimulerend zijn geweest, behoeft geen verder betoog. Mijn heiligenkalender is lang: van P.C. Hooft tot en met Fruin, van Ranke tot en met Meinecke, van Trevor Roper tot en met Bullock, van Chaunu tot en met Goubert. Het is een gemeenplaats waar ik me in de loop der jaren steeds meer bewust van werd: dat wij alleen klimmend op de schouders van de voorgangers en leermeesters onze eigen prestaties kunnen leveren.
Om mijn egocentrisch betoog te beëindigen: ik heb de prijs die mij vandaag wordt uitgereikt eigenlijk te danken aan al die anderen in ons vak uit een ver en nabij verleden en de vele collega's uit eigen tijd met wie ik samenwerkte en wier boeken en artikelen ik las. Dat ik ook na 1987 niet geheel ‘out’ ben geraakt is de verdienste van velen uit mijn directe omgeving, en van collegiale en solidaire vakgenoten. In deze opzichten heb ik in mijn leven heel veel geluk gehad.