begin  verderprepost
[p. 1]

Verhandelingen

[p. 3]

Sommigen gelijker dan anderen
De geschiedenis van de préséance
Jaarrede door de voorzitter, mr. F.W. Kist

Op zondagmiddag 12 augustus 1657 keert de Franse ambassadeur in Den Haag, De Thou, terug naar huis na een bezoek aan Amalia van Solms op Huis ten Bosch. Zijn koetsier kiest zijn weg over het Lange Voorhout. Halverwege het Voorhout komt de karos van de Spaanse ambassadeur Gamarra hem tegemoet. De baan is smal; een van de koetsen zal moeten wijken. Maar uiteraard kan noch van het grote Frankrijk noch van het trotse Spanje een dergelijke inschikkelijkheid ten aanzien van een inferieure natie worden verlangd - zeker niet nu beide landen ook nog in oorlog zijn. Dreigend staan de twee koetsen tegenover elkaar. De Franse ambassadeur grijpt al naar zijn degen. Een haastig gewaarschuwde gedeputeerde snelt toe en schat de situatie in. Gelukkig valt hem iets in. Hij geeft zijn mannen opdracht het hekwerk een meter te verschuiven zodat de baan breed genoeg wordt om beide koetsen op voet van gelijkheid te laten doorrijden. De Franse degen hoeft niet in actie te komen. De gedeputeerde bet zijn voorhoofd met een zakdoek. De crisis is bezworen. De - helaas anoniem gebleven - gedeputeerde heeft een diplomatieke oplossing gevonden voor het klassieke vraagstuk van de maatschappelijke voorrang.

De kwestie van het recht op voorrang - anders gezegd: van de préséance - dateert uit de tijd dat in Europa nog alle zaken door vorsten werden geregeld. Sommigen van die vorsten voelden zich natuurlijk aanmerkelijk belangrijker dan anderen. Hun ambassadeurs in andere landen beschouwden het ook als hun voornaamste opdracht de grootheid van hun vorst uit te dragen en zij gingen dus bij geen enkele bijeenkomst voor geen enkele ambassadeur van een andere vorst opzij.

Al ver vóór het incident op het Voorhout had zich dan ook al een vergelijkbare botsing tussen Frankrijk en Spanje voorgedaan. In 1633, bij het huwelijk van de oudste zoon van koning Christiaan iv van Denemarken raakten de ambassadeurs van deze landen in conflict over een plaats op de eerste rij. Even leek het erop dat de Fransman in dat geschil een stap terug deed, toen hij zei: ‘Ik geef de Spaanse ambassadeur de keus welke plaats het meest eervol is.’ Maar helaas liet hij daarop volgen: ‘En zodra

[p. 4]

hij daar zit zal ik hem eraf gooien en er zelf gaan zitten.’ De Spaanse ambassadeur koos eieren voor zijn geld; ineens bleek hij een dringende verplichting elders te hebben! Tevreden zette zijn Franse collega zich op de eerste rij.

Een paar jaar na het incident op het Voorhout vlamde de strijd weer op in Londen. Daar trachten in 1661 de koetsen van - alweer - de Spaanse en Franse ambassadeurs elkaar in een ceremoniële stoet de pas af te snijden en breekt zelfs een gevecht van man tegen man uit tussen hun gevolgen, waarbij 8 doden vallen en 25 gewonden. Als dit Lodewijk xiv ter ore komt, eist hij van de Spaanse koning dat deze zijn ambassadeur in Londen hiervoor straft en dreigt met oorlog als dat niet gebeurt. De Spaanse koning geeft toe en roept de ambassadeur terug. Frankrijk komt weer als overwinnaar uit de strijd.

Wanneer in 1690 alle Duitse vorsten bijeenkomen in Frankfort aan de Main, doet zich uiteraard weer een levensgroot préséanceprobleem voor. Er vallen dit keer echter geen doden en gewonden, want de gastheer weet conflicten te voorkomen door de verzamelde vorsten niet in een bepaalde volgorde aan een vergadertafel te zetten, maar hen rondwandelend te laten confereren. We zien zich hier al de eerste contouren aftekenen van wat wij later de cocktailparty zijn gaan noemen.

Helaas gaat het daarna weer op de oude voet door. De Engelse historicus Macaulay beschrijft hoe in 1697 bij de Vrede van Rijswijk de afgevaardigden van Frankrijk, Engeland, Holland en Spanje op een gegeven moment een smalle brug over moeten en weer niemand van de aanwezigen een ander wil laten voorgaan. Uiteindelijk besluit de Fransman een omweg te nemen zodat hij de brug niet over hoeft en lopen de vertegenwoordigers van de Engelse koning en de Duitse keizer schouder aan schouder de brug over - nauwkeurig oplettend dat niet een van hen zijn voet verder vooruitzet dan de ander. Wat onze man deed vermeldt de geschiedenis niet, maar als vertegenwoordiger van een eenvoudige republiek zal hij in dat gezelschap wel niet in de kopgroep hebben gelopen. De bestuurders van onze republiek dachten daar zelf overigens anders over. Al vanaf het begin claimden zij voor hun ambassadeurs een plaats vlak na die van de vorsten. Onze republiek was immers een ‘Republiek koninkrijken bezittende’ en oefende alleen al in de Oost de macht uit over niet minder dan tien koninkrijken. Wij vonden toen nog dat andere landen eigenlijk blij mochten zijn dat wij voor onze ambassadeurs niet een plaats tussen de koningen in claimden.

[p. 5]

Het Vaticaan heeft als eerste zich het recht toegeëigend een volgorde van vorsten vast te stellen. De paus vaardigde een préséancelijst uit, die orde schiep in de chaos en in die functie heel lang dienst heeft gedaan. Bovenaan de lijst stond hij natuurlijk zelf. Op de tweede plaats stond de keizer van het Heilige Roomse Rijk - tot aan diens val in 1806. Daarna volgden de andere koninkrijken in volgorde van ouderdom. Dat leidde tot de volgende rangorde: Frankrijk, waar het koningschap terugging op Clovis in 481, Spanje, waar de monarchie dateerde van 718, Engeland, teruggaand naar Egbert, 827, Oostenrijk-Hongarije, teruggaand naar het jaar 1000, Zweden, sinds 1132 en Portugal, sinds 1139. De Nederlandse koning Willem i kwam natuurlijk pas in 1815 op de lijst en moest zich daarom met een zestiende plaats tevreden stellen. Zijn troost was dat zijn Belgische collega, pas in 1831 op de troon gekomen, duidelijk nog lager rangeerde.

In 1815 bood het Congres van Wenen natuurlijk een ideale gelegenheid om ook op dit gebied orde op zaken te stellen. Het heeft ook een poging gedaan om een ranglijst van staten te maken, maar die is jammerlijk mislukt. Ook na het Congres bleven zich voortdurend disputen voordoen. Alle landen bleven hun eigen regels volgen. Nog in 1953 zien wij bijvoorbeeld Engeland voor de taak gesteld de préséance te bepalen van de buitenlandse gasten bij de kroning van de huidige Engelse vorstin Elisabeth ii. Het is interessant te zien dat bij de criteria die zij daarbij hanteren, een belangrijke plaats wordt ingeruimd voor verwantschap met de gastvrouw. Hun lijst was namelijk als volgt: 1. de vertegenwoordigers van staatshoofden die aan de koningin geparenteerd zijn, 2. de vertegenwoordigers van de Grote Mogendheden, Frankrijk, de Verenigde Staten en de Sovjetunie, 3. de vertegenwoordigers van andere koninkrijken, 4. de vertegenwoordigers van koninkrijken die zelf geen lid van een koninklijk huis zijn, 5. de Groothertog van Luxemburg en 6. de vertegenwoordiger van de Heilige Stoel - een betrekkelijk lage plaats waarmee Engeland nog even in herinnering brengt dat het al meer dan vierhonderd jaar van Rome los is. Pas enkele plaatsen later komen de vertegenwoordigers van landen die niet alleen geen Grote Mogendheid zijn, maar niet eens een koninkrijk - en helemaal aan het eind komt de vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek. Dat laatste is een mooi voorbeeld van hoe je een oude vijand ook via een préséancelijst nog een trap na kunt geven.

In de Engelse petite histoire vinden we trouwens een interessante uit-

[p. 6]

zondering op de algemeen aanvaarde regel dat de koning altijd voorgaat. Bij het bezoek dat koning Karel ii van Engeland in 1650 bracht aan de Westminster kostschool voor jongens, liet het toenmalige hoofd van de school, dr. Busby, toen hij met de koning de school binnenging, deze niet voorgaan. Later naar de reden daarvan gevraagd, zei hij: het is niet goed voor de jongens te moeten veronderstellen dat er een belangrijker man op de wereld zou zijn dan dr. Busby.

Voorrangsregels zijn nog steeds van belang in de diplomatieke wereld. Met dit verschil dat ambassadeurs tegenwoordig hun degen niet meer hoeven te trekken om voor de eer van hun staatshoofd op te komen. Alles verloopt nu via algemeen aanvaarde regels, die nog in een betrekkelijk recent verleden - namelijk in 1961 - zijn vastgelegd in het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer.

Beroepsdiplomaten kennen deze regels, ambassadeurs die om politieke redenen zijn benoemd, kennen ze niet. Zo hebben nieuw aangekomen ambassadeurs van de Verenigde Staten er veelal grote moeite mee dat zij in bijeenkomsten waarbij ook andere ambassadeurs aanwezig zijn, niet alleen niet voorop lopen, maar zelfs nog lager rangeren dan Albanië en Honduras. De hiervoor geldende regel moet hun telkens weer worden uitgelegd: ambassadeurs rangeren in de volgorde waarin zij zijn aangekomen en hun geloofsbrieven aan het staatshoofd hebben aangeboden - niet in de volgorde van bruto nationaal inkomen, grootte van het grondgebied of het aantal divisies die hun land in het veld kan brengen. Het duurt meestal een half jaar voor de Amerikaanse ambassadeur dit kan geloven. Daarna moet hij wel - hij heeft dan met na hem aangekomen ambassadeurs hetzelfde zien gebeuren.

Wel heeft in alle hoofdsteden een buitenlandse ambassadeur iets om naar toe te leven. Naarmate zijn collega's van andere landen vertrekken, schuift hij langzaam verder op naar boven. Totdat hij degene is die het langst geleden is aangekomen en daarmee doyen van het plaatselijke Corps Diplomatique wordt. De eerste en hoogste plaats is dan bereikt.

Tenzij hij het ongeluk heeft in een katholiek land te zitten waarin traditioneel de vertegenwoordiger van de Heilige Stoel qualitate qua doyen van het Corps Diplomatique is, België bijvoorbeeld of Italië. Nederland met zijn calvinistische wortels kent deze speciale positie voor de pauselijke vertegenwoordiger uiteraard niet. Bij ons moet hij in de lijst opklimmen als ieder ander. Daarom heeft de paus heel lang ook geen nuntius naar Nederland afgevaardigd, maar een ambassadeur van een lagere

[p. 7]

rang, een internuntius. Het idee daarachter was dat als wij de toppositie niet geven, wij ook de topfunctionaris niet krijgen.

Bij officiële gelegenheden krijgen buitenlandse ambassadeurs ook voorrang boven de lokale hoogwaardigheidsbekleders. De reden daarvan is dat wij vasthouden aan de traditie dat zij een staatshoofd vertegenwoordigen. Maar er zijn uitzonderingen. In de eerste plaats rangeren ambassadeurs na leden van een koninklijk huis. Ten tweede daalt een ambassadeur in de rangorde als zijn eigen staatshoofd ook aanwezig is - op dat moment vertegenwoordigt hij dat staatshoofd immers niet meer. Een derde uitzondering is dat in katholieke landen ook een kardinaal boven een ambassadeur wordt geplaatst. Een kardinaal wordt daar als ‘prins van de kerk’ gelijkgesteld met leden van koninklijke huizen. Dan zijn er ook nog landen die de secretaris-generaal van de vn als staatshoofd behandelen en dus ook boven een ambassadeur plaatsen. En ten slotte gaat in Frankrijk de voorzitter van de Senaat boven een ambassadeur - als vertegenwoordiger van het volk, want daar gaat nu eenmaal sinds de Franse Revolutie niets boven.

Zijn er, nu er keurig regels zijn afgesproken, toch nog conflicten? Ja, maar zij zijn geweldloos en ontstaan alleen als de regels worden overtreden. Een enkele ambassadeur beklaagt zich wel eens over zijn plaats aan tafel. Want ook bij officiële diners moeten de gasten worden geplaatst in de volgorde van hun status. In de Memoires van M.W.R. van Vollenhoven, die in de vroege jaren van de twintigste eeuw Nederlands gezant was in verschillende Europese landen, staan een paar voorbeelden van dit soort incidenten. Zijn ervaring is dat vooral de vertegenwoordigers van kleine landen zich nog wel eens beklaagden over hun plaats aan tafel, waarbij zij dan veelal theatraal uitriepen dat het hun niet om henzelf ging maar om de eer van hun land. Van Vollenhoven heeft er weinig sympathie voor. Het lijkt hem zeer de vraag of men op zijn bz-ministerie thuis wel echt zit te tobben over waar deze ambassadeur gisterenavond precies aan tafel zat.

Een ervaren diplomaat kent de regels. Hij weet dat er niet alleen aan tafel, maar ook in een auto een rangorde van plaatsen is. In landen met rechtsrijdend verkeer is de hoofdplaats in een auto rechtsachter, de tweede plaats linksachter (een mindere plaats omdat je daar tegen de rug van de chauffeur aankijkt) en de laagste plaats is naast de chauffeur. Verschil moet er zijn, ook in de auto.

Omdat er in sommige landen nog koetsen rijden, moet de diplomaat

[p. 8]

ook de regels van de koets kennen. Daarin is de eerste plaats vooruitrijdend rechts, de tweede plaats vooruitrijdend links, de derde achteruitrijdend tegenover plaats 1, de vierde achteruitrijdend tegenover plaats 2. Hierbij moeten nummers 2, 3 en 4 beseffen dat op hen ook nog de plicht rust ten koste van alles te voorkomen dat zij door onhandig instappen in de situatie komen te verkeren dat zij zich om hun plaats te bereiken langs de voeten van de eerder ingestapte nummer 1 zouden moeten wringen!

Aan tafel is het eenvoudiger. Hoe dichter bij de gastheer of -vrouw, hoe hoger de plaats. De troost voor degenen die heel ver van hen vandaan komen te zitten - en dus op een ‘lage’ plaats - is dat je daar dan misschien niet zo prominent zit, maar dat het in die buurt wel altijd veel gezelliger is.

Wat gebeurt er met de echtgenotes (om nog maar even te zwijgen over het vraagstuk van de partners van hetzelfde geslacht)? Hier geldt het adagium Vrouw volgt Man. De echtgenote van een buitenlandse ambassadeur zit even hoog als haar man. In beginsel geldt dat ook voor de echtgenoten van vrouwelijke ambassadeurs, al heeft men daar in de praktijk soms toch nog moeite mee. In 1953 werd de schrijfster Clare Boothe-Luce, de vrouw van de uitgever van Time en Life, Henry Luce, tot ambassadeur in Rome benoemd. Af en toe was haar man in Rome en vergezelde haar naar een diner. De andere ambassadeurs in Rome konden echter de gedachte dat er nu een zakenman tussen hen in zou komen te zitten, hoe prominent ook, absoluut niet aan. Luce moest daarom genoegen nemen met een plaats na de jongste ambassadeur, al was dat dan nog wel vóór de tijdelijk zaakgelastigden.

Soms is het buitengewoon moeilijk een keuze te maken. Theoretisch kan iemand protocollair hoger zijn dan een ander, maar kan het toch pijnlijk zijn die ander naar de tweede plaats te moeten verwijzen. Voor zo'n geval hebben de handboeken een eenvoudig antwoord: deze twee had je niet samen moeten uitnodigen!

Het respect dat ambassadeurs ook tegenwoordig nog wordt betoond, heeft overigens niet altijd en overal in gelijke mate bestaan. Nog rondom 1800 zag de sultan in Istanbul er geen bezwaar in ambassadeurs uit westelijke landen eindeloos te laten wachten voor hij een datum aanbood waarop zij hem hun geloofsbrieven konden aanbieden. Daarna liet hij hen ook in zijn paleis nog langdurig antichambreren. Hun bezoek aan het paleis werd bovendien gebruikt om hen onder de indruk van de macht van de sultan te brengen, onder andere door hen langs een vitrine te lei-

[p. 9]

den waarin enkele tientallen afgehouwen hoofden werden tentoongesteld. Eén westerse gezant meldde zijn superieuren dat hij bij die rij hoofden zelfs twee bekenden had gezien.

De vraag rijst nu hoe het buiten de diplomatieke wereld met de voorrang is gesteld. Heeft de Franse revolutie de égalité voorgoed gevestigd of zijn, zoals George Orwell 150 jaar na die revolutie schreef, ‘some animals more equal than others’?

In ieder geval zijn er ook in de wereld van de gewone mensen altijd voorrangsregels geweest. Erasmus schreef in 1530 al wat wij later het eerste etiquetteboekje zijn gaan noemen: De civilitate morum puerilium, opgedragen als wijze les aan de jonge Hendrik van Bourgondië. Wie als eerste een mindere groet, zegt hij, verlaagt zich niet. Helaas zegt hij er niet bij wie die minderen zijn - en dat is nu juist wat wij willen weten.

Ook Amy Groskamp-Ten Have (voor wie dit misschien wel de eerste keer is dat zij in één adem met Erasmus wordt genoemd) spreekt in haar fameuze Hoe hoort het eigenlijk uit 1939 over het laten voorgaan van ouderen en hogeren. Helaas zegt ook zij er niet bij wie precies die hogeren zijn.

Evenzo heeft Nicolaas Beets, aan wiens nagedachtenis onze Maatschappij nog kort geleden een gevelsteen heeft gewijd, zich in de Camera Obscura uitgesproken over het belang van een goede tafelschikking. Daarbij moet, zoals hij het uitdrukt, ‘eene evenredige hulde aan ieders achtbaarheid en jaren’ worden gebracht- ‘en wel zoo, dat de jonge meisjes niet te hoog, en de oude vrijsters niet te laag zitten’.

Er zitten duidelijk twee aspecten aan het leerstuk van maatschappelijke positie, zegt Erasmus. Het ene aspect is dat men regels wil omdat men onzeker is, het andere dat men een mooie plaats wil hebben omdat men ijdel is. Hier spreekt kennelijk de schrijver van de Lof der Zotheid, waarin hij al schreef: ‘Het is de eigenliefde die overal mensen onbeschrijfelijk gelukkig maakt.’

Naast ouderen en hogeren - wie dat dan ook precies waren - hebben wij ook eeuwen lang vrouwen laten voorgaan. Zelfs, zoals wij uit de jongensboeken weten, tot in de reddingsboten toe. Van Amy Groskamp mocht de man slechts in vijf uitzonderingsgevallen voorgaan: bij het binnengaan van een draaideur of een restaurant, bij het beklimmen en het afdalen van een trap en bij het uitstappen uit de tram. Al deze gevallen hadden hun eigen, weloverwogen reden. In alle andere gevallen was de positie van de vrouw onaantastbaar. De vraag is nu of de inmiddels flink

[p. 10]

voortgeschreden emancipatie van de vrouw haar deze bevoorrechte positie gaat ontnemen. Het zou kunnen dat dit een proces is waar wij middenin zitten.

Weinig Nederlanders weten dat er over de rangorde van ambtsdragers een officieel voorschrift bestaat, een niet openbare lijst die berust bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarop staan honderd Nederlandse functionarissen in hun protocollaire volgorde. Met deze lijst wordt Nederland dus om te beginnen al in twee kampen verdeeld: zij die op de lijst staan en zij die de lijst niet eens gehaald hebben. Dat alleen al leidt uiteraard in de kring van hen die niet in de lijst zijn opgenomen en dat weten, tot veel geknars der tanden.

Maar ook zij die de lijst hebben gehaald, zijn nog niet behoed voor frustraties. Wie op nummer 100 staat, ziet immers tot zijn ongenoegen nog 99 mensen voor zich. En nummer 50 kijkt nog altijd tegen de ruggen van 49 anderen aan, van wie hij stuk voor stuk met de beste wil van de wereld niet kan inzien dat zij belangrijker zouden moeten worden geacht dan hij.

Daar raken we meteen de reden waarom deze Nederlandse lijst niet openbaar is. De publicatie ervan zou voor velen een onoverkomelijke teleurstelling zijn - omdat zij er te laag op staan of zelfs helemaal niet. Het siert Buitenlandse Zaken dat het hun die ontgoocheling wil besparen.

Maar hoe is het dan mogelijk dat de Belgen hun préséancelijst al sinds jaar en dag in een mooi rood bandje publiceren? Waarom is daar dan geen oproer? Het antwoord is dat het leed daar al verwerkt is. De lijst is daar al tientallen jaren openbaar. Het is als met een huis aan de Vecht - dat kun je eigenlijk alleen hebben als je overgrootvader het al heeft gekocht. Net zo kun je alleen een onomstreden préséancelijst hebben als hij al in de tijd van je overgrootvader is gepubliceerd.

Een modern element in de Nederlandse lijst is dat nu ook de directeuren van bedrijven er een plaats op hebben. Vroeger vond men hen daar niet netjes genoeg voor. Het waren kooplieden. Het bedrijfsleven zelf is daar overigens altijd onverschillig onder gebleven. Dat kent al sinds jaar en dag zijn eigen préséance. De hoogste plaats aan tafel is daarin eenvoudigweg gereserveerd voor degene van wie het grootste contract is te verwachten. Zo zien wij de oude indeling van vorsten gewoon volgens de macht die zij uitoefenen, soms op onverwachte plaatsen weer terug.

Ik besluit met een woord van advies voor de praktijk van alle dag, met name voor alle mensen die voor het probleem komen te staan dat zij een

[p. 11]

evenement moeten organiseren waarbij meer hoogwaardigheidsbekleders acte de présence zullen geven dan er stoelen op de eerste rij zijn. Dat advies is: maak de eerste rij langer.

prepost  begin  verder