terug  begin  verderprepost
[p. 113]

Juryadviezen en toespraken

[p. 115]

Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2005
Advies van de Commissie voor schone letteren

Uit de relatief talrijke bundels poëzie die voor de Van der Hoogt-prijs 2005 in aanmerking kwamen, draagt de Commissie eensgezind ter bekroning voor het debuut van Micha Hamel: Alle enen opgeteld (72 p.), in 2004 bij uitgeverij Augustus te Amsterdam verschenen.

 

Waar de meeste beginnende dichters in hun eersteling nog vaak zoeken naar een eigen stemgeluid, lijkt Hamel dat meteen gevonden te hebben. Hij schrijft relatief lange gedichten, in het algemeen zonder rijm, maar sterk ritmisch, die onder meer door veelvuldige toepassing van de ellips (het weglaten van lidwoorden en werkwoorden) een assertieve, soms ook bewust agressieve indruk maken. Als tegenwicht gebruikt hij fantasievolle vergelijkingen en dartele metaforen, die mikken op de lach van de lezer, die mogelijk in eerste instantie van de agressie geschrokken kan zijn. Zoals bij veel (post)moderne poëzie het geval is, vindt men ook in deze bundel citaten uit high and low culture dooreen, die in alle gevallen, door de incongruente nieuwe context, een hilarisch effect sorteren. Bijna alle zojuist genoemde fenomenen komen voor in de volgende passage, het middendeel van het gedicht ‘Maandag’, de opening van de cyclus ‘Schoolgeld’ en die van de bundel als geheel:

 
Gisteren heb ik mijn speelgoed verbrand
 
onder het motto ‘Ik ben wel jong maar ik ben toch niet
 
zo jong meer als ik was’.
 
 
 
Er zijn zwarte en witte leerlingen
 
en puistenkoppen. Hoe ze te vermijden, aan te raken of
 
uit te roeien is de vraag. Waarom niet gewoon met een mes
 
bewerken en met alcohol overgieten? In de klamme spijkerbroek brandt
 
de nieuwe aansteker.
 
 
 
Precies even onbenullig als een smeltend Playmobil-poppetje
 
lacht de lerares bij binnenkomst, ze passeert de prullenbak
 
waarin op de bodem mijn kaasbelegde boterhammen liggen.
[p. 116]

De agressie, die hier manifest wordt in het verbranden van het vroeger beminde, neemt elders in de cyclus de vorm aan van familiehaat (‘mijn zus is een schele trut’; de ‘heilige sfeer van de zondag, die uitsluitend voor / een tranengolvend zieden is gereserveerd’), het imponeren van andere bezoekers van de bioscoop, waar de spijbelende ik met een vriendje zijn heul zoekt (‘Wij lezen geen ondertitels, lachen / als een grap gemaakt wordt, net / voor de rest van de zaal uit / dat doen kenners’) of onaangepast gedrag op het sportveld (‘Wie met tedere hockeystick gemaand wordt / zich van de velden te verwijderen en nu achter / de hekken kijkt naar de film die hij op zijn kamer / had willen draaien’). In deze citaten valt nog een kenmerk van Hamels poëtische kracht op: zijn geraffineerd gebruik van het enjambement, waardoor in de vorm nog eens wordt uitgedrukt wat inhoudelijk wordt meegedeeld (bijvoorbeeld in ‘achter / de hekken’).

 

De oud-voorzitter van de Maatschappij, de dichter-criticus Martinus Nijhoff, heeft in een bespreking van In memoriam (1924) van Werumeus Buning ooit opgemerkt, dat het verschil tussen een goede en een mindere bundel daarin is gelegen dat een hoogwaardige bundel zich kenmerkt door ordening en onderlinge samenhang en alleen al daardoor te verkiezen is boven een verzameling losse gedichten. Welnu, die ordening heeft Hamel aangebracht. De cyclus ‘Schoolgeld’, waarin de lyrische ik teruggaat naar zijn klassiek-opstandige puberteit, wordt gevolgd door ‘Zoonschap’. In deze dubbelzinnige cyclus is hij eerst een jonge vader, die behoedzaam met zijn zoontje omspringt (‘Zorgvuldig navigeren op de fiets, / stoppen voor rood licht’), maar wordt hij daarna geconfronteerd met de plotselinge dood van zijn vader, omgekomen door een verkeersongeluk, zodat hij, verweesd, weer tot zoon wordt. Ook ‘Vaderfiguren’ is niet zonder ambiguïteit: het zijn zeker niet allen bewonderde ‘meesters’ die de dichter in deze cyclus te berde brengt. In een titelloze slotafdeling zijn de thema's van alle tijden: scheppen, geboren worden en sterven, waarin ondanks de ironische toon het sterke besef van onvermijdelijke eindigheid doorklinkt (‘Codicil’).

 

In zijn laatste gedicht legt Hamel de op het eerste gezicht onbegrijpelijke titel uit. Als lezer geeft hij aan een gedicht een nul of een één, al naar gelang de kwaliteit. ‘Als ik de bundel / uit heb, tel ik alle enen / op en deel de uitkomst / door het aantal gedichten.’ De Commissie voor schone let-

[p. 117]

teren heeft deze procedure op Hamels eigen bundel toegepast en komt op een zeer hoog gemiddelde uit. Daarom adviseert zij het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2005 toe te kennen aan de bundel Alle enen opgeteld van Micha Hamel.

 

Hugo Brems
Kester Freriks
Rudi van der Paardt (voorzitter)

 

Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft besloten, overeenkomstig het advies van de Commissie voor schone letteren, de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2005 toe te kennen aan Micha Hamel op grond van zijn debuut Alle enen opgeteld.

prepostterug  begin  verder