Dames en heren, ik begin met een gedicht.
Componist schrijft zijn zus, die aanstonds trouwen gaat:
Geachte aanwezigen,
Eenmaal eerder kreeg ik een aanmoedigingsprijs, precies tien jaar geleden, op mijn vierentwintigste, voor een werk voor zes slagwerkers en strijkkwartet. Het was mijn laatste conservatoriumjaar en ik werkte bij het Nationale Toneel als repetitor om een gedeelte van de kost te verdienen, dat wil zoveel zeggen als dat ik twee keer per week in de kelder van de Koninklijke Schouwburg een groep acteurs liedjes in hun hoofd moest stampen.
Ik had de prijs net gekregen, het had in de krant gestaan, en kwam voor aanvang van mijn repetitie een volle kantine binnen. ‘Een Aanmoedigingsprijs?’ was de collectieve reactie: ‘Een aanmoediging om te stoppen, zeker!’ Waarna mijn beteuterd gemonkel onderging in een golf van bulderend gelach. Stelletje pestkoppen. Maar als ik nu terugluister naar
de moeizaam knarsende atonaliteiten die ik wrochtte volgens inconsequente systemen en samenraapsels van voornamelijk gestolen esthetica, kan ik niets anders concluderen dan dat de ‘aanmoediging’ van mijn persoon misschien de enige term was die eufemistisch genoeg was om het onvoldragene aan mijn kunst met felicitaties te omhangen. Maar waarom herinner ik mij dit moment? Omdat het funderend was: ik was me er voor het eerst volledig van bewust dat ik, na tien jaar componeren - ik begon op mijn veertiende - er nog helemaal niets van kon, dat ik met die hoge stapels voltooide werken alleen nog maar naar een beginpunt had toegewerkt op een leeftijd waarop Mozart het ene na het andere meesterwerk afleverde. Het was alsof er in mijn hoofd de startknop werd ingedrukt van een grote Socratische machine, die je bij elke verworven kennis of vaardigheid weer duidelijker confronteert met wat je allemaal nog níet kunt. En, nu, wéér tien jaar verder zeg ik, ouder, wijzer, dus een stuk vrolijker, nog dagelijks tegen mijzelf: componeren: Micha, je kunt er nog helemaal niets van.
Nu dus weer een aanmoediging. Niet om te stoppen, maar om beter te worden, niet om te rusten, maar om aan de slag te kunnen, in het persistente besef dat je er volgens jezelf nooit beter in wordt, omdat de zelfkritiek je vooruit is gereisd op je pad en je op staat te wachten op de plaats waar je aankomt, áls je aankomt.
Het is voor mij een aaneenschakeling van verrassingen geweest: een stapel aantekeningen voorzichtig tot gedichten maken, gepubliceerd worden in De Gids, bij Augustus een boek mogen maken, besproken te worden, geïnterviewd, en dan nu, zelfs: een prijs. En, in aansluiting op al het hiervoor gezegde overkwam mij in dit hele proces dit gevoel van verrassing, een heel jong gevoel, ook: het gevoel dat ik ergens goed in was, puur vanwege het feit dat ik er beter in ben dan ik zelf voor mogelijk had gehouden. U begrijpt, het wordt tijd om de Socratische machine te starten.
Van al deze stadia rond mijn debuut zijn mij de interviews die ik heb gegeven het slechtst bevallen. Bijna zonder uitzondering wilden de interviewers dezelfde twee dingen weten. Het voornaamste waar de belangstelling van de media naar uitgaat is - u raadt het al - de mate waarin mijn gedichten autobiografisch zijn. Ik heb daar een veelheid van voornamelijk ontwijkende antwoorden op gegeven, maar omdat we ons vandaag in select, welwillend en feestelijk gezelschap bevinden zal ik dit geheim met u delen: 63,7 procent. U weet - als u het laatste gedicht van mijn bundel goed tot u door hebt laten dringen - hoe verzot ik ben op een potje reke-
nen, dus gelooft u mij: dit getal klopt: van elke drie woorden zijn er zeker bijna twee die ik zelf heb meegemaakt. De tweede vraag, doorgaans de vraag waar het interview ritueel mee geopend werd om een goede opmaat te zijn voor voornoemde belangwekkende human interest, was steevast: ‘In hoeverre komt dichten overeen met componeren?’ Ook daar heb ik een antwoord op: heel erg. Edit heeel, hééél erg.
Mijn jeugd, waar dit allemaal vandaan komt, natuurlijk, valt uiteen in drie periodes. De periode dat ik nog niet met lego speelde, de periode dat ik met lego speelde, en de periode dat ik was opgehouden met lego-spelen om te gaan componeren. U begrijpt waarom: materiaal, bouwstenen van verschillende aard en kleur, vormen maken, bestendige structuren proberen te ontwerpen: het komt allemaal ongeveer op hetzelfde neer. De radicale ommezwaai van het lego-en naar het componeren kwam door een film. Ik was veertien en hij heette Amadeus. Ik zag die film en dacht: dat kan ik ook. Nee dat dacht ik niet, ik dacht dat kan ik, misschien, ook: je leven besteden aan dingen maken, mooie structuren bouwen.
Ik was dus veertien en dús tien jaar later begonnen dan Wolfgang Mozart, maar met talent, enthousiasme en wilskracht zou ik laten zien wat ik waard was en ik begon aan symfonieën, opera's, pianoconcerten en strijkkwartetten. Tien jaar later kreeg ik daar een aanmoedigingsprijs (!) voor; ik heb u de anekdote niet onthouden. Zoals gezegd: het inhalen van Mozart was bij aanvang reeds een twijfelachtig project, een onmogelijke ambitie, maar nu was ook het ‘enigszins proberen bij te benen’ ondoenlijk geworden, dus ik deed wat wij allen in zo'n geval doen: wij nemen diep onze hoed af, zwaaien tot hij uit zicht is, en kiezen ons zorgvuldig een nieuw voorbeeld: Richard Wagner, die voor zijn veertigste nou niet zo ontzéttend veel belangwekkends heeft gecomponeerd. En zo ga ik, na twintig jaar componeren, op mijn vierendertigste nog door voor jong talent, en van Mozart is er maar één gedicht overgeleverd, het gedicht dat ik u aan het begin van mijn speech voorlas. En u hebt het kunnen horen: dat was niets, ook niet voor de boekenweek van volgend jaar.
Maar dames en heren, als ik Mozart was geweest, was ik afgelopen maandagnacht, drieënvijftig dagen voor mijn vijfendertigste verjaardag, overleden, en afgelopen dinsdag begraven. U weet van me: dit getal klopt. Ik ben dankbaar dat ik hem niet - en ook weer wel - heb ingehaald, en blij dat ik vandaag word aangemoedigd om Richard Wagner achterna te gaan.
Dank u wel.