Prijs voor Meesterschap 2009
Advies van de Commissie voor schone letteren
De Commissie voor schone
letteren adviseert het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
de prijs voor Meesterschap 2009 op grond van de excellente kwaliteit van zijn
gehele werk toe te kennen aan Gerrit Kouwenaar.
Wie het
oeuvre van Kouwenaar overziet, waaraan hij inmiddels meer dan zestig jaar
(zelfs bijna zeventig, als men zijn juveniele eersteling Vroege voorjaarsdag
uit 1941 meerekent) met grote toewijding heeft gewerkt, zal tot de
conclusie komen dat het wordt gekenmerkt door twee tegengestelde tendensen:
afstoting en vernieuwing. Wat de eerste notie betreft, moet men denken aan de
genres die Kouwenaar in de eerste decennia van zijn literaire loopbaan heeft
beoefend, maar waarmee hij zich al heel lang niet meer bezighoudt: voor hem is
de dichtkunst ten slotte het enige van belang geworden. Des te meer zullen er
literatuurliefhebbers zijn die verrast zullen reageren als zij worden
geconfronteerd met de vaststelling dat in het midden van de vorige eeuw
Kouwenaar meer bekendheid genoot als schrijver van novellen en romans, vier
boeken in totaal, dan als beginnend dichter. Het meeste van dat fictionele
proza moge in vergetelheid zijn geraakt, zijn roman Ik was geen soldaat (1951),
over een jongeman, met de 'sprekende naam' Mink, die zijn vriend heeft verraden
nadat hij gemarteld is en daarbij zijn linkerhand heeft verloren - wat hem in
de ogen van de buitenwereld juist tot een held maakt - wordt nog steeds door
literatuurhistorici als een hoogtepunt in het proza van de naoorlogse jaren
beschouwd. Hij schreef in die tijd kritieken voor dag- en weekbladen
(voornamelijk om in zijn levensonderhoud te voorzien) en ook essays over
literatuur, ten dele over de experimentele poëzie, die hij ook zelf schreef,
zij het nog mondjesmaat. Het bekendst geworden is zijn inleiding bij de door
hem samengestelde bloemlezing, met eigen gedichten en specimina uit het werk
van zijn geestverwanten Remco Campert, Jan Elburg, Lucebert en Bert Schierbeek,
vijf 5tigers (1958), waarvoor hij een even enthousiasmerend als
intrigerend betoog schreef. Waarschijnlijk heeft Kouwenaar niet kunnen
vermoeden dat deze tekst nog steeds blijkt te worden gelezen, ja zelfs bijna
woord voor woord wordt bestudeerd, in het kader van het onderzoek naar
poëticale opvattingen in de twintigste-eeuwse Nederlandse dichtkunst. Deze
korte 'tour d'horizon' langs afgesloten werk zou niet compleet zijn, als geen
melding werd gemaakt van zijn vele voortreffelijke vertalingen van spraakmakende
twintigste-eeuwse toneelstukken van onder meer Brecht, Dürrenmatt, Hochhuth,
Pinter, Sartre en Stoppard, waarvoor hij in 1967 met de Martinus Nijhoff Prijs
werd beloond.
Hoeveel
waardering Kouwenaar vanwege de zojuist genoemde activiteiten ook heeft
geoogst, het is toch in de eerst plaats door zijn poëzie dat hij het pantheon
van de Nederlandstalige literatuur heeft bereikt. Zonder overdrijving kan
gesteld worden dat hij al heel lang algemeen als onze grootste (levende)
dichter wordt beschouwd. Men kan dat opmaken uit de prijzen die hij voor
diverse bundels heeft verworven (de twee belangrijkste, de P.C. Hooft-prijs van
1970 en de Prijs der Nederlandse Letteren van 1987, zijn net als deze prijs
voor Meesterschap voor zijn gehele werk toegekend); uit de grote hoeveelheid
kritieken en doorwrochte studies die aan zijn poëzie in de loop der jaren zijn
gewijd en uit de invloed (men spreekt wel van de Kouwenaar-school) die hij
onmiskenbaar op het werk van jongere collega's heeft uitgeoefend: men denke bijvoorbeeld
aan H.C. ten Berge, Huub Beurskens, Hans Faverey en Wiel Kusters (die trouwens
een mooie dissertatie De killer - verschenen in 1986 - over poëzie en
poëtica van Kouwenaar heeft geschreven). Die opmerkingen roepen uiteraard de
vraag op welke distinctieve kenmerken zijn dichtkunst dan vertoont. Niet zelden
wordt gezegd dat men een gedicht van Kouwenaar onmiddellijk kan herkennen, maar
hoe of waaraan dan? Van een uitvoerige verhandeling kan hier geen sprake zijn:
enkele significante punten en voorbeelden moeten volstaan.
Het eerste
dat opvalt bij zijn gedichten is dat zij een letterlijk volmaakte indruk maken.
Waar andere dichters nog wel eens stoplappen gebruiken, metrisch de fout ingaan
of een incongruent idioom hanteren, is dat bij Kouwenaar nimmer het geval: men
voelt met stelligheid dat hij aan een gedicht is blijven werken, totdat het aan
zijn hoge norm voldeed. Hans Andreus heeft in zijn bespreking van Kouwenaars
bloemlezing uit eigen werk sint helena komt later (1965), die gedichten
bevat uit de jaren 1948-1958, diens 'arbeidsproces' gekarakteriseerd als
schaven, beitelen en vijlen, als ging het om een handwerksman die een voorwerp
vervaardigt. In de bundel zonder namen (1962) staat een programmatisch
gedicht, waarin dat vijlen inderdaad voorkomt (zij het in een wat ander
verband), maar dat vooral opvalt omdat het een gedicht als een voorwerp, een
ding, beschrijft:
een glazen draaideur en de chinese ober
die steeds terugkeert met andere schotels
een parkwachter die zijn nagels bijvijlt
tussen siberische kinderen uit maine
een venus van de voortijd samen met
een glas moedermelk, een geel
beide stekend, een vliegtuig
een gedicht als een ding.
Het eerste dat treft is, dat als
wij de titel bij het gedicht zelf laten behoren, begin- en eindregel identiek
zijn: er is sprake van ringcompositie, van een ronde structuur. Binnen die
omlijsting vinden wij een opsomming van zelfstandige eenheden, entiteiten die
niets of niet veel (er zijn wel wat klankherhalingen, maar die treft men ook in
proza aan) met elkaar te maken hebben. Een niet geoefende lezer zal weinig met
deze tekst kunnen beginnen, maar de tekst omschrijft dus, via voorbeelden,
precies wat Kouwenaar onder het gedicht als ding verstaat en is bovendien zelf
weer een ding: dit poëticale gedicht - één van de opvallend vele die Kouwenaar
heeft geschreven - is wat men noemt een 'leçon par l'exemple'.
De consequentie van deze visie is
dat het gedicht los dient te staan van de maker en zijn wereld: het moet
onpersoonlijk zijn, autonoom. Vandaar dat men het gebruik van het onbepaald
lidwoord aantreft, waar een bezittelijk voornaamwoord door een dichter die
juist de werkelijkheid in zijn tekst wil binnenhalen, gebruikt zou zijn. In
latere bundels heeft hij zelfs het persoonlijk voornaamwoord 'ik' vervangen
door 'men', een in wezen logisch vervolg van het proces van desubjectivering. Van
beide fenomenen kan een enkel voorbeeld gegeven worden uit de tientallen die te
vinden zijn. 'Een moeder maakte het paradijs/ met restjes van wol en kousen fil
d'écosse', de eerste strofoïde van een gedicht (over Kouwenaars jongensjaren in
Bergen, maar dat is extraliteraire informatie), welks titel is ontleend aan de
eerste regel (afkomstig uit de bundel 100 gedichten uit 1969). Het laat
zien dat de distantie die in het lidwoord schuilt, juist positief werkt op het
geheel: met 'mijn' was de tekst in de buurt van Criterium-poëzie terecht
gekomen. Van het gebruik van 'men' in plaats van de eerste persoon, geeft het
gedicht 'men moet' (uit de tijd staat open van 1996) voorbeelden te
over:
Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen
men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder
men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren
men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen
men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -
Op het eerste gezicht is de
veelvoudige herhaling van het onpersoonlijk voornaamwoord wat vreemd, men kan
die zelfs humoristisch vinden (een opvatting die Kees Fens in zijn recensie van
de bundel in kwestie heeft verdedigd), maar het lijkt ook mogelijk het
verschijnsel van een andere verklaring te voorzien. Waar het in dit vers om
gaat is dat de persoon die achter 'men' schuil gaat een programma, desnoods een
lijstje opstelt van (overigens zeer uiteenlopende) dingen die nog gebeuren
moeten, nu de tijd begint te dringen (het is geen toeval dat begin en eind van
het gedicht op metonymische wijze de notie 'tijd' oproepen). In dat licht
bezien drukt het zesvoudig voorkomen van 'men moet' de absolute noodzaak uit om
met dat opgestelde programma enige haast te maken.
Het gedicht
lijkt een goede opstap te bieden om in te gaan op Kouwenaars experimenten met
de taal. In tien regels doorbreekt hij minstens drie maal de regels van de
gebruikelijke syntaxis (r. 2, r. 3-4, r. 8); plaatst hij een (zonder nadere
aanvulling) onverbindbare woordgroep (r.4); varieert hij een vaststaande
spreekwoordelijke uitdrukking (r. 9) en hanteert hij zinnen, die niet per se
ongrammaticaal zijn, maar wel zeer ongewoon, zoals r. 10, waarin een abstract
(ogenblik) en concreet woord (horloge) op gelijke hoogte zijn gebracht. Nu zijn
dit verschijnselen, die men ook bij andere dichters kan aantreffen: zij zijn
niet uniek. Maar wel kan gezegd worden dat in Kouwenaars gedichten deze
ontploffingen van 'normaal taalgebruik' veel vaker voorkomen dan bij zijn
collega's, zoals ook het aantal dubbelzinnigheden (wat betekenis of woordsoort
betreft) verhoudingsgewijs bijzonder groot is. Ook hier kunnen wij een
verbinding leggen met zijn opvatting over de status van het gedicht: wie niet
streeft naar zelfexpressie of een wereldbeeld wil presenteren, maar het maken
van poëzie beschouwt als het vervaardigen van een talig voorwerp, zal vooral op
de (on)mogelijkheden van zijn materiaal gespitst zijn.
Het lijkt
passend om de motivering voor de toekenning van de prijs voor Meesterschap aan
Gerrit Kouwenaar te beëindigen met zijn gedicht 'het meesterwerk'. Zo goed als
alle kenmerken van zijn woord- en taalgebruik die in het voorafgaande zijn
genoemd komen er in voor. Nog een kleine, maar niet onbelangrijke aanvulling.
Het gaat om de overgang van de voorlaatste naar de laatste regel. Hier is
sprake van een zeer bijzonder enjambement: Kouwenaar heeft het bijwoord
'volledig' in twee delen gesplitst, zodat er een antithese ontstaat. Het is een
'technische ingreep', die men vrijwel alleen bij deze dichter (ook met andere
effecten en dan
opvallend vaak tegenkomt: hij dient de figura Kouwenariana genoemd te
worden.
het meesterwerk: lichtrose maan, vol
voor het eerst sinds jaren hangt de maan
weer als een vrucht in de lucht
en wat deed men elders en beter
deze nacht de kunst ontaarden
en liggen op de grond is voldoende
dus als een blinde met ??n dove hand
aan het hongerig uitgevierd zintuig
verslindt men de krekels de nachtwind de wereld, dit
is niet te verzinnen, geen zin, alles
zit fit in zijn schil onder de lichtrose maan. Vol
ledig volmaakte oneetbare perzik ?
| Kester Freriks |
| Micha Hamel |
| Ingrid Hoogervorst |
| Rudi van der Paardt (voorzitter) |
Het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
heeft op 12 maart 2009, overeenkomstig het advies van de Commissie voor schone
letteren, besloten de prijs voor Meesterschap 2009 toe te kennen aan Gerrit
Kouwenaar.
Uitreiking op zaterdag 6 juni
2009 om 15.30 uur in het Academiegebouw, Rapenburg 73 te Leiden.