| 1. | Om de drie jaar, te beginnen met tweeduizend zes, kan er worden beschikt over een prijs voor het meest waardig gekeurde, in druk verschenen, in Nederlands proza geschreven werk, beurtelings zich bewegend op het gebied van:
| a. | essays en literaire kritiek; |
| b. | cultuurgeschiedenis;
zodat in elk van deze rubrieken om de zes jaar een prijs, welke vergezeld zal gaan van een oorkonde en/of penning, kan worden toegekend.
Aangevangen wordt met rubriek b. |
|
| 2. | De hoogte van de prijs wordt eens in de drie jaar vastgesteld door het bestuur van de Maatschappij, en zal bestaan uit een aan de rente van het door schenking ontstane en afzonderlijk beheerde Dr. C.J. Wijnaendts Francken-fonds te ontlenen bedrag van maximaal tweehonderd zevenentwintig euro (€227,00), door het bestuur vermeerderd met een bedrag uit de opbrengst van het door schenking De Haan ontstane Algemeen Prijzenfonds, zodanig dat het totaal van de prijs zo mogelijk ten minste tweeduizend vijfhonderd euro (€2.500,00) zal bedragen. |
| 3. | De toekenning geschiedt door het bestuur van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, gevestigd te Leiden, op voordracht van een voor ieder der beide prijzen te benoemen Commissie van voordracht van vijf leden. Vier leden dezer Commissie worden benoemd door het bestuur der Maatschappij, met dien verstande dat minstens één hunner tevens lid moet zijn van het bestuur der Maatschappij. Het vijfde lid wordt aangewezen, voor de sub 1a genoemde prijs door de Commissie voor taal- en letterkunde, voor de sub 1b genoemde prijs door de Commissie voor geschied- en oudheidkunde, terwijl de overige leden al dan niet lid der Maatschappij kunnen zijn. |
| 4. | Het te bekronen werk moet voor het eerst in druk verschenen zijn in boekvorm, tijdschrift, week- of dagblad in de zes jaar, voorafgaande aan het jaar waarin de prijs wordt verleend. |
| 5. | Het verdient aanbeveling dat de schrijvers of uitgevers van de in aanmerking komende boeken of dagblad- en tijdschrift- |