Jaarboek De Fonteine. Jaargang 1980-1981. Deel II


auteur: [tijdschrift] Jaarboek De Fonteine


bron: Jaarboek De Fonteine. Jaargang 1980-1981. Deel II. Koninklijke Soevereine Hoofdkamer van Retorica ‘De Fonteine’, Gent 1981


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 29]

Het Middelnederlandse gebedenboek van de Brigittinessen te Dendermonde (Hs. Gent, Universiteitsbibliotheek 205) door J. Reynaert

De huidige bibliotheek van de Rijksuniversiteit te Gent vormt, zoals men weet, de voortzetting van de onder het Franse bewind opgerichte ‘bibliothèque de l'Ecole centrale du département de l'Escaut’, waarvan het eerste boekenbestand werd samengesteld door het ‘centraliseren’ van kleinere verzamelingen, grotendeels uit opgeheven kloosters of andere plaatselijke instellingen. Zo werden, luidens een rapport op 3 mei 1797 opgesteld door ‘le jury temporaire des arts et des sciences’(1), de vroegere verzamelingen van de Gentse recollecten, van de geschoeide en ongeschoeide karmelieten, van de dominicanen en de augustijnen, van de abdijen van Waarschoot en Drongen, van de administratie van de Oudburg, van de Raad van Vlaanderen en van de abt van de St.-Pietersabdij met het oog op de nieuwe bibliotheek verzameld in de gebouwen van de voormalige Baudelooabdij, die voorlopig als staatsdepot fungeerde, maar waar later de eigenlijke bibliotheek wel degelijk zou worden ondergebracht. Op die manier werd dus een eerste fonds aangelegd, met een - gezien de vooral monastieke bronnen die werden aangeboord - begrijpelijke hoeveelheid aan handschriftelijk materiaal: men schat dat de nieuwe instelling omstreeks 1810 in het bezit was van ca. 200 manuscripten.

De kostbaarste exemplaren van dat vroegste handschriftenfonds heeft echter de bibliotheek, ironisch genoeg, niet aan de volgehouden centraliserende ijver van de ‘jury temporaire’, maar wel aan het toeval, of ten hoogste misschien aan de opmerkzaamheid van een of andere douanier te danken: op 19 augustus 1809 mocht Ch. van Hulthem, de toenmalige bibliothecaris, voor zijn instelling vijf grote kisten met boeken van uitzonderlijke waarde

[p. 30]

- waaronder heel wat incunabelen en manuscripten - in ontvangst nemen: ze waren afkomstig uit Amsterdam, waar ze in beslag waren genomen net voordat ze klandestien naar Engeland zouden worden verscheept... ‘pour les délices des bibliophiles de ce pays’, zoals A. Voisin het zo taktvol uitdrukt(2).

Een met de hand geschreven inventaris van de aldus verworven boeken vermeldt als nr. 72 een ‘Lyden christi. velin. MS. av. miniatures. 3 vol. 12o’, zonder enige twijfel te identificeren als het huidige nummer 205: een handschrift dat, met uitzondering van de vroege belangstelling vanwege de Britse boekenliefhebbers, tot nog toe maar weinig aandacht heeft gekregen. Het betreft hier nochtans niet zonder meer een bibliofiel curiosum: ook als kunsthistorisch en als literair document kan het enige aanspraken laten gelden. Dit even in het licht te stellen is dan ook de bedoeling van deze bijdrage.

I

Hs. 205 van de Bibliotheek van de Rijksuniversiteit te Gent (nr. 522 in de catalogus van J. de Saint-Genois(3)) is geheel op perkament geschreven, wat voor zijn vermoedelijke tijd van ontstaan (einde 15de eeuw: zie hieronder) reeds een merkwaardigheid mag genoemd worden: het wijst erop dat het boek van meet af aan als een belangrijke en luxueuze onderneming werd geconcipieerd. Het uiteindelijke resultaat bestaat uit drie volumes van respektievelijk 70, 100 en 62 bladen, in de regel samengevoegd tot quaternionen. De opbouw is nl. als volgt:

 

deel I:2 (schutbladen) + IV (10) + (IV + 1) (19) + 3 IV (43) + 3 (IV + 1) (70)
deel II:(IV + 1) (9) + 6 IV (57) + (IV + 2) (67) + 2 IV (83) + (IV + 1) (92) + IV (100)
deel III:7 IV (56) + (IV - 2) (62).

 

Met uitzondering van enkele uitsparingen en toevoegingen in verband met de tekst, zijn de meeste afwijkingen in de opbouw

[p. 31]

ontstaan door het invoegen van afzonderlijke bladen met een miniatuur op de versozijde: zo in het eerste boekdeel fol. 53 als eerste blad van het zesde katern en fol. 65 als vierde blad van het zevende katern; in het tweede boekdeel fol. 1 als eerste blad van het eerste katern, fol. 58 als eerste en fol. 65 als achtste in het achtste katern.

 

De bladen, ca. 162 × 117 mm groot, werden met zorg afgelijnd (bruine of zwarte inkt) en gelinieerd (rode of purperen inkt): de bladspiegel beslaat ca. 100 × 68 mm, met uitzondering van de kalender in deel I, fol. 3ro-15vo, waar de breedte meestal iets meer bedraagt (ca. 80 mm). Er is gekopieerd in één kolom van in de regel 18 schrijflijnen; alleen het gedeelte tussen fol. 20ro en 46vo in deel I wijkt hiervan af: het telt per bladzijde 20 regels tot fol. 27vo, 17 regels tussen fol. 28ro en 46vo. Er zijn geen oude reclamen noch signaturen bewaard. Een moderne foliëring werd met inkt aangebracht in de rechter bovenhoek van elke rectozijde: van 1 tot 70, van 1 tot 100 en van 1 tot 62.

 

Drie copiisten zijn bij het werk betrokken geweest: ze schrijven alle een zorgvuldige cursiva (Bourgondische bastarda). De verdeling der handen is als volgt:

deel I: hand A: fol. 3ro - 19vo
  hand B: fol. 20ro - 27vo en 47ro-70vo
  hand C: fol. 28ro - 46ro
deel II: hand A: fol. 45ro - 46vo (het binnenste diploma van het zesde katern)
  hand B: het overige, d.w.z. fol. 2ro-44vo en 47ro-100vo
deel III: hand A: fol. 1vo - 62ro
  hand B: fol. 1ro

Het komt dus hierop neer dat C geheel samenvalt met het gedeelte van het handschrift dat niet in de volkstaal gesteld is (deel I, fol. 28ro - 46ro: de zeven boetpsalmen, de Litanie van Alle Heiligen en collecten in het Latijn) en dat verder A en B elk één volume voor hun rekening genomen hebben (respektievelijk deel III en deel II), terwijl in elk van deze beide banden toch ook de andere copiist telkens voor een zeer gering gedeelte (in het ene geval 4, in het andere slechts 1 bladzijde) verantwoordelijk was:

[p. 32]

een verklaring voor deze eigenaardigheid heb ik niet kunnen ontdekken.

 

De drie delen zijn vrij homogeen wat de decoratie betreft. Er zijn talrijke rubrieken met rode inkt; geen eigenlijke rubricering, maar wel regelmatige inkleuring of aanstreping van de hoofdletters met geel. Talrijke goudkleurige lombarden van meestal één of twee, ook tot vijf r. hoog op roodbruine rechthoek als achtergrond: enkele van de grotere uitvoeringen zijn bijzonder fraai in plantvormen gestileerd.

Het handschrift bevat verder een aantal miniaturen en bordures met bloemen in trompe-l'oeil. Vijf miniaturen, alle op versozijde van ingevoegde bladen waarvan de rectozijde blank bleef, zijn ter grootte van het blad, nl.:

dl. I, fol. 53vo: Christus aan het Kruis met Maria, Maria Magdalena en St. Jan
fol. 65vo: De mis van St. Gregorius
dl. II, fol. 1vo: Het Laatste Oordeel
fol. 58vo: De heilige Brigitta schrijvend onder inspiratie van een engel; onderaan, met goud op roodbruine fond: SANCTA BRIGITTA ORA PRO.
fol. 65vo: Maria, Anna en Kind Jezus

Deze miniaturen zijn gemaakt in rechthoeken met boogvormige afsluiting bovenaan. De grootste hoogte, in het midden van de boog dus, bedraagt 110 à 112 mm (ca. 96 mm tot het begin van de ronding), de breedte ca. 65 mm. De afgrenzing tussen miniatuur en bordure maakt gebruik van twee verschillende kleuren: donkerbruin voor boog en linker-post, rood voor basis en rechterpost. De borduren zelf zijn op dezelfde wijze afgelijnd; ze vormen samen een rechthoek van ca. 148 × 100 mm. De versiering bestaat uit bloemen (rozen, anjers, viooltjes, irissen, aardbeien e.a.) en dieren (vliegen, vlinders, slakken) op okergele achtergrond.

Dergelijke randversieringen komen ook elders voor, nl. op de rectobladzijden tegenover de miniaturen (dl. I, fol. 54ro en 66ro; dl. II, fol. 2ro, 59ro en 66ro) en op andere plaatsen, dan meestal als begeleiding van een miniatuur van bescheidener omvang (dl. I, fol. 28ro; dl. II, fol. 30ro, 39vo, 73ro; dl. III, fol. 1ro, 41ro en 48vo).

De kleinere miniaturen (van 6 tot 9 r. hoog, meestal 45 à 60 mm breed) stellen voor:

[p. 33]

deel I:

fol. 20ro: De Vijf Wonden
fol. 28ro: gehistorieerde initiaal D: David in gebed
fol. 47ro: Christus Imperator
fol. 54ro: gehistorieerde initiaal H: het Heilig Aanschijn
fol. 66ro: initiaal O, gestileerd uit plantenmotieven

deel II:

fol. 2ro: initiaal I, gestileerd uit bladeren en doornen
fol. 30ro: Annuntiatie
fol. 59ro: Maria met Kind Jezus en engel met appel
fol. 73ro: initiaal G, gestileerd uit plantenmotieven

deel III:

fol. 1ro: Christus aan het Kruis
fol. 22ro: Maria en Jozef bij de Kribbe
fol. 23vo: Verzoeking van Christus in de woestijn
fol. 25ro: Christus op de Olijfberg
fol. 26vo: Geseling
fol. 28vo: Doornenkroning
fol. 30vo: Ecce Homo
fol. 32ro: Kruisdraging
fol. 35ro: Christus op Kalvarie na het uittrekken van de Mantel
fol. 37vo: Kruisnageling
fol. 41ro: Christus met de Wapenen van de Passie
fol. 48vo: gehistorieerde initiaal O: Christus aan het Kruis

De negen miniaturen vanaf fol. 22ro illustreren telkens één van de kapittels van de in vergelijking met de meeste overige devoties wat uitvoeriger tekst Van ix couden ons heeren en vormen dus een gesloten geheel: ook door hun compositorische kwaliteit en door de levendigheid van gebaar en gelaatsuitdrukking onderscheiden ze zich van de overige illustraties.

 

Precieze gegevens omtrent zijn tijd van ontstaan bevat het handschrift zelf niet. Zowel schrift als decoratie verwijzen echter naar het einde van de 15de eeuw. Op grond van de overeenkomst met hs. Gent, U.B. 607, dat zichzelf dateert in het jaar 1500, (zie hieronder) kan aan de allerlaatste jaren van de 15de eeuw worden gedacht.

 

Het handschrift is ingebonden in drie identieke marokijnlederen banden van omstreeks het einde van de 18de eeuw, met op voor-

[p. 34]

en achterplat een groot raam (ca. 165 × 110 mm) van bloemmotieven, ca. 15 mm breed; in het centrum en in de hoeken van de opengelaten ruimte andere bloemmotieven. Op de rug zeven vakjes, met bloemen en eikels versierd, met uitzondering van het tweede bovenaan, dat op een rood schildje de titel draagt: LYDEN / CHRISTI / I. (resp. II., III.) DEEL. Dit alles in gouddruk. Goud op snee.

 

Het eerste van twee perkamenten schutbladen vooraan in het eerste boekdeel vertoont als eigendomsmerk, in een 18de-eeuwse hand, de naam F.B. Snijers. Daarboven stond een (vermoedelijk oudere) inscriptie, die echter met succes onleesbaar is gemaakt.

Toch geeft het handschrift zelf nog enige aanwijzingen omtrent zijn vroegste geschiedenis. Zoals reeds W. de Vreese en E. Gailliard, bij hun editie van de kalender in dit handschrift(4), en later ook A. Ampe(5) hebben opgemerkt, bevat het manuscript heel wat indicaties omtrent een bijzondere verering van de H. Brigitta: naast de gewone feestdag op 23 juli vermeldt de kalender nog: S. Kateryn dochter S. birgitten op 24 maart, S. birgitten translacie op 28 mei en S. birgitten verheffinghe op 7 oktober; verder kan gewezen worden op de Brigitta-miniatuur, fol. 58vo van het tweede deel, en op het gebed tot onser weerdegher patronerssen sente birgitten, fol. 97 ro van ditzelfde tweede deel. Anderzijds releveert de kalender, in het algemeen die van het bisdom Kamerijk, enkele heiligen die voor Oost-Vlaanderen, en andere die meer bepaald voor Dendermonde (St. Hilduardus) kenmerkend zijn. De herkomst van ons handschrift uit het Brigittinessenklooster van Dendermonde wordt dan ook bevestigd door het feit dat hs. 607 van de Gentse Rijksuniversiteit, waarvan de herkomst uit het Dendermondse klooster vaststaat, geheel geschreven is door één van de handen die in ons gebedenboek aan het werk waren (hand B). De conclusie die De Vreese en Gailliard aan dit gegeven vastknoopten, nl. dat beide handschriften in het klooster zelf zouden geschreven zijn, moet, op grond van wat volgt, voorbarig worden genoemd.

[p. 35]

II

Het klooster Marientroon te Dendermonde, de vroegste Brigittinessenstichting in de Zuidelijke Nederlanden, werd opgericht onder implus van Pieter van der Elst, een aanzienlijk poorter van Dendermonde - tot vier maal toe was hij schepene van de stad -, wiens merkwaardige inzet ten dienste van de Orde van St. Brigitta(6) uiteindelijk, na heel wat moeite en na een aantal mislukte pogingen waarvan men in de stadsrekeningen de sporen terugvindt, resulteerde in een eerste steenlegging op 30 januari 1466. Van der Elst was er niet voor teruggedeinsd om niet alleen de zuster van Filips de Goede, Maria van Kleef, maar ook de hertogin van Bourgondië zelf, Isabella van Portugal, om hun bescherming en begunstiging voor het projekt te verzoeken. Vooral Isabella, wier genegenheid voor de Brigittijnerorde ‘algemeen gekend’ heet geweest te zijn(7), deed heel wat moeite om kerkelijke weerstanden en andere praktische belemmeringen uit de weg te ruimen: het was dan ook hààr aalmoezenier die, begin 1466, te Dendermonde de eerste steen kwam leggen; althans voorlopig, want de ceremonie werd op 23 juli 1468 nog eens plechtig overgedaan, nu door Isabella zelf en in aanwezigheid van Margareta van York, echtgenote van Karel de Stoute en jongste hertogin van Bourgondië.

Het ziet er hoe dan ook naar uit dat niet alleen Isabella, maar ook de andere vrouwelijke leden van het vorstenhuis de nieuwe instelling gunstig gezind waren. Hoewel de dood van de hertoginmoeder op 17 december 1471, op een ogenblik dat zij de tegenover het klooster aangegane verbintenissen nog niet legaal had laten registreren, ongetwijfeld een zware klap betekende voor de jonge stichting, kon toch het Brigittinessenklooster van Dendermonde, dank zij de verdere steun van het Bourgondische hof, tot een welvarende instelling uitgroeien, die in 1499 zevenenzestig leden telde en op een jaarlijks inkomen kon teren van ca. 27 pond groot(8).

[p. 36]

Het is in dit opzicht dan ook interessant om de leden van het vorstenhuis uit de necrologie van het klooster even te voorschijn te halen en op een rijtje te plaatsen(9):

 

5 januari: Illustrissimi principis Caroli, ducis Burgondiae(10)
8 maart: Domini Caroli, ducis Burgondie(11)
27 maart: Domine Marie, ducisse Burgundie, que contulit xx lib. gr., anno 1461(12)
23 juli: Anno Domini 1468, positus est primus lapis nove ecclesie personaliter a domina Ysabella, Burgundie et Brabantie ducissa, etc.
25 september: Illustrissimi regis Castille Philippi, anno 1506(13)
20 november: Domine Margarete, ducisse Burgundie, relicte ducis Caroli, que in necessitatibus cunctis nobis fuit precipua elemosinaria, anno 1503(14)
16 december: Domine Isabelle, ducissae Burgundiae, fundatricis hujus loci anno 1466(15).

 

We merken op dat Isabella van Portugal inderdaad als fundatrix en in verband met de eerste steenlegging, maar niet als weldoenster wordt gememoreerd: precipua elemosinaria was Margareta van York. Opvallend is verder dat hier sprake is van ‘necessitates’, wat weliswaar in het algemeen ‘behoeften’ kan betekenen, maar ook meer bepaald kan zinspelen op de benarde financiële toestand die het klooster, mede ten gevolge van de dood van Isabella, in de eerste jaren na zijn stichting kende en die verder trouwens historisch geattesteerd wordt door het teruglopen van zijn jaarlijks inkomen van 20 pond groot in 1476 tot slechts 6 pond in 1492, wat erop kan wijzen dat de toenmalige abdis, uit behoefte aan liquiditeiten, in de tussentijd een deel van het onroerend bezit van de hand had gegaan.

Het is hoe dan ook onwaarschijnlijk dat het Dendermondse Brigittinessenklooster in de eerste drie decennia van zijn bestaan zo buitensporig welvarend zou zijn geweest, dat het zich redelijkerwijs

[p. t.o. 37]



illustratie

Hs. Gent, U.B. 205 II, fol. 1vo




illustratie
Hs. Madrid, Fundación Lázaro-Galdiano. Inv. nr. 15.503, fol. 144 vo


[p. 37]

luxehandschriften in de aard van het hier besprokene zou hebben gepermitteerd, laat staan dat het er een eigen scriptorium zou hebben op nagehouden met copiisten en miniaturisten die tot dergelijk kwaliteitswerk in staat waren.

Maar indien het handschrift aan het klooster geschonken werd, door wie anders dan door de precipua elemosinaria, Margareta van York, van wie immers dergelijke schenkingen ook in andere kloosters(16) bekend zijn? Ik meen dat het manuscript zelf een aantal gegevens bevat die deze hypothese enige geloofwaardigheid geven.

 

Wanneer men er de studie van G.I. Lieftinck Boekverluchters uit de omgeving van Maria van Bourgondie c. 1475 - c. 1485 op naslaat, wordt men dadelijk getroffen door de overeenkomsten die er zowel in codicologisch als in picturaal opzicht bestaan tussen het handschrift van de Gentse universiteitsbibliotheek en de door Lieftinck bestudeerde handschriften ‘uit de omgeving van Maria van Bourgondië’, welke laatste omschrijving echter niet te eng moet worden begrepen, daar zij bijv. ook slaat op manuscripten in opdracht van Margareta van York, van Engelbert van Nassau, Filip van Kleef en anderen. Vooral het zgn. getijdenboek van Sir William Hastings (nu Madrid, Fundación Lázaro-Galdiano, Inv. nr. 15.503) is aan het onze verwant, niet alleen door de opbouw in katernen van telkens vier bifolia, met bladgrote miniaturen ingevoegd op verso van vooraan blank gebleven bladen, door de opmaak en de randversiering met bloemen in trompe-l'oeil op gekleurde ondergrond, maar vooral door de miniaturen zelf, die op gelijkaardige wijze - nl. met boogvorm bovenaan en met verschillende kleuren voor de posten - worden afgelijnd en waarvan er ten minste één, nl. de voorstelling van het Laatste Oordeel op fol. 144vo, naar hetzelfde model moet getekend zijn als de miniatuur op fol. 1vo in het tweede deel van het Dendermondse gebedenboek (zie foto's hiernaast(17)), evenals trouwens de voorstelling van hetzelfde motief in het zgn. Weense getijdenboek van Filip van Kleef (zie afbeelding 284 bij Lieftinck), dat iets recenter is dan

[p. 38]

‘Hastings’ en dat overigens niet alleen in chronologisch, maar ook in kwalitatief opzicht het midden houdt tussen dit laatste handschrift en het Dendermondse, dat immers voor niets méér kan doorgaan dan voor een eerbare representant van de laat-15de-eeuwse Gents-Brugse school.

De vroegste lotgevallen van het getijdenboek van Sir William Hastings zijn moeilijk te reconstrueren, maar het feit dat dit handschrift al heel vroeg in Engels bezit is geweest, maakt het waarschijnlijk dat van alle leden van het Bourgondische huis vooral Margareta van York als tussenpersoon bij de bestelling of zelfs als oorspronkelijke opdrachtgeefster in aanmerking moet worden genomen(18). Duidelijk is hoe dan ook dat de Laatste Oordeelminiatuur in het Dendermondse handschrift afkomstig is uit een atelier dat op een of andere manier met een van de miniaturisten rond het Bourgondische hof in verband kan worden gebracht.

 

Voor de hypothese dat de beide handschriften Gent, U.B. 205 en 607 wel degelijk aan een schenking en niet aan de eigen activiteit van het Dendermondse klooster te danken zijn, spreekt verder de omstandigheid dat zij, zowel wat het schrift als wat de decoratie betreft, een eenheid vertonen waardoor zij zich duidelijk onderscheiden van al het overige boekenbezit dat ons uit dit klooster bewaard is gebleven - ook al kan het anderzijds niemand ontgaan dat de miniaturen en de randversieringen in nr. 607 van heel wat minder meesterschap getuigen dan de illustratie in het gebedenboek.

Dit overige handschriftenbezit werd voor het eerst door P. Verheyden, naar aanleiding van een paneelstempel voorkomend op een aantal banden uit de bibliotheek van de Brigittinessen(19), later door A. Ampe bestudeerd(20). Benevens één handschrift met onduidelijke verblijfplaats, somt Ampe, die de lijst van Verheyden overneemt en uitbreidt, de volgende manuscripten op: Brussel, K.B. 2863, 3009-10, 3042-44, 4584, 11 696-97, 12 079, IV. 111; Gent, U.B. 205, 604, 605, 606, 607, 608, 1360, 1365, 1748, 2615; Oxford, Bodleian Library Auct. 1 Q 2. 22. Voortgaand op de informatie in

[p. 39]

de huidige catalogus op fiches in de handschriftenafdeling van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel, kan men hieraan nog toevoegen: Brussel, K.B. 1451-53, en, met enig voorbehoud: II 3834 en II 5361. Verder moeten de handschriften Gent, U.B. 394, 936 en 1366 eveneens aan het Dendermondse Brigittinessenklooster worden toegewezen(21).

Van deze in totaal 24 manuscripten behoren er een zestiental tot de periode die ons hier interesseert. Het zou zeker de moeite lonen om deze handschriften aan een grondige codicologische studie te onderwerpen; daar dit binnen het bestek van deze bijdrage niet de bedoeling kan zijn, moet ik mij beperken tot deze apodictische constatering, dat ook temidden van die oudste groep, de twee hierboven vermelde handschriften door hun kwaliteit inzake vormgeving uit de band springen.

III

Maar ook naar de inhoud vormt het hier besproken gebedenboek een interessant specimen. Het bevat niet minder dan 89 gebeden of devoties van geringere omvang, waaronder bijv. Middelnederlandse vertalingen van Rabanus Maurus' Veni creator (dl. I, fol. 61vo), van het bekende aan Gregorius toegeschreven gebed tot de Wapenen Christi (deel I, fol. 64vo en dl. III, fol. 40vo), van Johannes Chrysostomus' Misgebed (dl. II, fol. 12ro), van Johannes van Fécamps' Summe sacerdos et vere pontifex (dl. II, fol. 15ro), van het Ave verum (dl. II, fol. 23vo), van de drie Ave Maria's van Mechthild von Hackeborn, van Obsecro te domina mea, O intemerata, Salve regina (dl. II, fol. 37vo, 47vo, 51ro, 55ro) en Anima Christi (dl. III, fol. 61vo). Als uitvoeriger teksten komen daarnaast voor: de zgn. korte getijden van het H. Kruis, in een versie die niet helemaal overeenkomt met de vertaling van Geert Grote(22) (dl. I, fol. 54ro - 61vo), de zeven boetpsalmen in het Latijn (dl. I, fol. 28ro - 46ro), de vijftien gebeden van de H. Brigitta (dl. II, fol.

[p. 40]

2ro - 11ro)(23), een O.L.V.-Rozenkrans (dl. II, fol. 29vo - 37vo), een Oefeninghe vanden heilighen Cruyce beginnend ‘Och och hoe bitter hoe zwaer ende hoe hert was die doot’ (dl. III, fol. 1ro - 16vo) en de Negen couden ons heeren (dl. III, fol. 19vo - 40ro)(24).

 

Belangwekkend in literair opzicht zijn echter vooral drie berijmde gebeden: een vertaling van het Stabat mater (dl. II, fol. 41vo - 44ro), een parafrase van het Salve regina (dl. II, 66vo - 70vo) en een, voor zover ik het kon nagaan, oorspronkelijk Middelnederlands gedicht op Christus' schouderwonde (dl. II, fol. 44ro - 45ro).

De tekst van het Stabat mater is een afschrift van de zgn. ‘vertaling IV’ volgens de indeling van P. Maximilianus, die in zijn uitgave van de Middelnederlandse Stabat mater-bewerkingen(25) niet minder dan 12 handschriften en 8 incunabelen of postincunabelen met deze versie vermeldt; het Gentse handschrift kende hij echter niet. ‘Dat vertaling IV het meest verspreid is, daartoe zullen bijkomstige omstandigheden hebben bijgedragen, maar toch zal het feit dat deze vertaling tegelijk heel getrouw en heel vloeiend het origineel weergeeft daarop van invloed zijn geweest’, meent P. Maximilianus.

Het afschrift in het Gentse gebedenboek vertoont, zoals men aan de hand van het kritisch apparaat in Maximilianus' editie kan nagaan, in een paar varianten(26) overeenkomst met de handschriften Paris, Bibliothèque de l'Arsenal 8219, Rotterdam, Gemeentelijke Bibliotheek 96 E 6, Lille, Bibliothèque municipale 43 en Wien, Oesterr. National-Bibliothek Ser. nov. 13236: precies vier van de vijf handschriften die volgens de uitgever de vertaling het zuiverst bewaard hebben(27).

P. Maximilianus drukt, met enkele emendaties naar andere handschriften, de tekst van het manuscript uit Rijsel af, overigens het

[p. 41]

enige van de vier genoemde dat ouder is dan het Gentse. Intussen blijkt dat de copie uit Rijsel zo'n dertien minderwaardige plaatsen vertoont in vergelijking met het uit Dendermonde afkomstige gebedenboek, dat immers in zijn afwijkingen ten opzichte van dit oudste (15de-eeuwse) handschrift telkens met Maximilianus' emendaties overeenkomt(28). Ten slotte bevat onze copie een variant die in geen enkel ander handschrift voorkomt: de wending met trouwen(29) in het tweede vers, die het hinderlijke identieke rijm op rouwen tot ons genoegen naar de andere wereld helpt.

Van alle tot nog toe bekende afschriften van deze mooie vertaling van het Stabat mater heeft ons handschrift dus blijkbaar de zuiverste tekst; hij verdient het dan ook hier in zijn geheel te worden afgedrukt.

 

Het tweede gedicht, een parafrase van het Salve regina, vertegenwoordigt wellicht iets minder literaire kwaliteit. In 24 strofen van vier verzen met gekruist rijm wordt telkens een gedeelte van de Latijnse tekst vertaald en toegelicht, of liever: uitgebreid, meestal met een lofbetuiging of een bede aan het adres van Maria. Het geparafraseerde Latijnse gedeelte gaat als rubriek telkens aan de strofe vooraf, zodat de verdeling die de bewerker in acht heeft genomen makkelijk kan worden nagegaan. Zijn bedoeling was blijkbaar in het algemeen om telkens een zo kort mogelijke reeks woorden met een minimum aan semantische inhoud - waar mogelijk telkens één woord - tot uitgangspunt voor een strofe te nemen. Naar het einde toe was dit principe echter aan enige vermoeidheid onderhevig, zoals men in het volgende overzicht van de rubrieken kan merken: de strofen 20 en 21 behandelen telkens een volle hoofdzin uit de Latijnse tekst.

Salue - Regina - Misericordie - Vita - Dulcedo - Et spes nostra - Salue - Ad te clamamus - Exules - Filii - Eve - Ad te suspiramus - Gementes - Et flentes - In hac lacrimarum valle - Eya - Ergo -
[p. 42]
Aduocata - Nostra - Illos tuos misericordes oculos ad nos converte - Et ihesum benedictum fructum ventris tui nobis post hoc exilium ostende - O clemens - O pia - O dulcis maria.

Het Middelnederlands gedicht, dat naar mijn weten tot nog toe onbekend was, wordt hier in bijlage afgedrukt.

 

Verweg het interessantste van de drie berijmde teksten vormt echter het gedicht op de schouderwonde van Christus. Het is geschreven in de vorm van een ballade van drie strofen met negen verzen op het rijmschema aabaabbcc(30), waarbij alleen de c-rijmen in de drie strofen identiek zijn, welke laatste omstandigheid overigens samenhangt met het feit dat het laatste vers een stokregel is.

Deze stok vertoont in zijn grammatikale vorm een subtiele verglijding, die telkens ook een nuance in de betekenis met zich brengt. In tegenstelling tot de eerste strofe, waar het volledige laatste vers ‘Coent ghij verdienen eer dat ghij sterft’ als een conditionele bijzin bij het voorafgaande aansluit, vormt de stokregel in de tweede strofe ‘Coendij verdienet eer dat ghij sterft’ een imperatieve volzin, waarvan ‘Coendij’ als bijzin deel uitmaakt: wat in de eerste strofe als een noodzakelijke voorwaarde werd geformuleerd, daarvan wordt nu met aandrang de noodzaak beklemtoond. De derde stokregel ten slotte keert terug tot de syntaktische vorm van de eerste, maar verlegt daarbij het accent van het aangesproken subjekt naar de verbale vorm verdienen, waardoor het gedicht op een nadrukkelijker moraliserende toon uitluidt.

Voorzover ik weet is dit het enige bekende gedicht op de Schouderwonde; ook in de gewone gebedenliteratuur is het motief trouwens vrij zeldzaam(31). Uit het oogpunt van de geïmpliceerde ‘verteller’ is dit stuk eveneens merkwaardig: zonder introductie komt Christus zelf aan het woord. Als vroege vertegenwoordiger van onze rederijkerspoëzie verdient het gedicht hoe dan ook verdere aandacht.

[p. 43]

Bijlage I

dl. II, fol. 41vo - 44ro

Een scoon ghebet van onser lieuer vrouwen. In latine ghenoemt Stabat mater dolorosa. (...)

 
DIe moeder stont vul van rouwen
 
weenende onder tcruyce met trouwen
 
Daer haer lieue sone aen hinc
 
Wiens ziele suchtende ende beuende
 
Seer bedruct in zwaerheit leuende
 
Metten zweerde des rouwen duerghinck
 
 
 
O hoe droeue ende hoe ontblijde
 
Was die zoete ghebenedijde
 
moeder vanden eenighen sone
 
Die welke weende ende rouwede
 
Die weerde moeder als sij aenscauwede
 
Sijn pine zwaer ende onghewoene
 
 
 
Wie es die mensche hij en dede claghe
 
als hi christus moeder aensaghe
 
In alsulcken zwaren druc zijnde
 
Wie en zoude niet weenen moghen
 
Alsulcken moeder aensiende in zulcken dooghen
 
Soe drueuich als men haer kint zoe pijnde
 
 
 
Om zijns volcx sondeghe ghewenten
 
Siende ihesum alsoe tormenten
 
ende den gheezelen zoe onderdaen
 
Sij sach haer kint zeer ghenoost
 
Ontfermelijc steruen ende onghetroost
 
Met zaechter zielen deerlijc vutgaen
 
 
 
Eya moeder fonteyne van minnen
 
Doet my dien druc beuoelen binnen
 
Dat ic met v doch weenen mach
 
Doet dat mijn herte berne zeere
 
Inder minnen christi onsen heere
 
Dat hem belieue mijn beiach
 
 
 
Heilighe moeder doet dat lijden
 
ende zijn wonden tot allen tijden
 
In mijn herte vaste ende vry
 
Doet dat zijn passie ende wonden
 
sijn smadeghe cruysinghe om onse sonden
 
Deelachtich met my sondare zij
[p. 44]
 
In my vesticht dijn lijden alteenen
 
Doet my die cruysinghe vus soens beweenen
 
Die ben in dese ellende gheduerlijc
 
Doet my waerlijc met dij beclaghen
 
Die cruysinghe zeer swaer om verdraghen
 
Ende met begheerten beweenen truerlijc
 
 
 
Doet my met v onder tcruyce staen
 
Met v ghesellende gheeren te gaen
 
ende met begheerten in my gheplant
 
Desen druc maect my ghemeene
 
Ende en doet my niet wesen cleene
 
Die begheerte vus lijdens onderstant
 
 
 
O maghet der maechden bouen al
 
En zijt in my niet wreet in mijn mesual
 
Doet my met v weenen ghenadelijc
 
Doet my draghen christus doot
 
Sijn passie ende lijden groot
 
Ende dincken om zijn wonden ghestadelijc
 
 
 
O maghet zoet maghet goedertieren
 
Maria zaechtmoedich in alle manieren
 
Aenhoort het roopen des dienaers dijn
 
Maect die wonden met my ghewont
 
Ende tcruyce te draghen in alder stont
 
Ter liefden vanden sone dijn
 
 
 
Ontsteect my vierichlijc in desen
 
Bij dy o maghet beschermt te wesen
 
Inden daghe zijns oerdeels wreet
 
Doet dattet cruyce behoede my
 
Ende christus doot bij my zij
 
Ende met gracien maect my ghecleet
 
 
 
Met christo doet my verscheiden
 
Ende gheeft my te commen naer dit beleiden
 
Te lidene der victorien
 
Wanneer dlichaem zal laten dleuen
 
Doet dat die ziele dan zij ghegheuen
 
Ten paradise der glorien
 
Amen
[p. 45]

Bijlage II

dl. II, fol. 66vo-70vo

Dit es onser lieuer vrouwen lof in rijme ghemaect

 
GOd gruet v maghet goedertieren
 
Suuer ende net ende wel gheraect
 
Om v deuotelike manieren
 
Heeft god v zijn moeder ghemaect
 
 
 
Coeninghinne zijdij van hemelrijcke
 
Dat heeft ghedaen v groote oetmoet
 
Ende oec daer toe van al eertrijcke
 
Dies ghij altoes bliuen moet
 
 
 
Ontfermherticheit mach v wel toe behooren
 
Want ghij niement achter en laet
 
Ende want ons christus en wil sien noch hooren
 
Soe zijdij die den paeis dan maect
 
 
 
Dat leuen dat mach wel zijn uwen naem
 
Want hij van v nv es gheboren
 
Die dat leuen brochte dat bij adam
 
Ende bij yeuen was verloren
 
 
 
Soet zijdij bouen alle zueticheden
 
Dat moghen wij met christus wel orconden
 
Want ghezoecht heb dij die godlicheden
 
Daer ghij die zoeticheit in hebt vonden
 
 
 
Ende daer omme alle onse troost staet
 
tot v weerde moeder ons heeren
 
Want ghi niement achter en laet
 
Die hoep ende troost aen v begheeren
 
 
 
God gruet v moeder zuuer fonteyne
 
Daer vut vloeit alle duecht
 
In v wilde woenen christus alleyne
 
Daer mede zoe worden wij alle verhuecht
 
 
 
Tot v zoe roupen wij aerme sondaren
 
Ende aen v maria vrouwe goet
 
Dat ghij ons wilt helpen bewaren
 
Dat wij ontgaen den helschen gloet
 
 
 
Ballinghen waren wij vut hemelrijcke
 
Dat dede ons eua met adaem
[p. 46]
 
Daer ghij ons weder brocht rijckelijcke
 
Doen ghij christum droucht in uwen lichaem
 
 
 
Zonen ende broeders waren alle verloren
 
En hadde gheweest v groote oetmoet
 
Want christus wilde van v zijn gheboren
 
Daer mede zijn wij alle behoedt
 
 
 
Eua was die daer die poorte sloet
 
Daer wij alle mosten buyten bliuen
 
Die ghij maria weder oploect
 
Lof hebdij bouen alle wiuen
 
 
 
Tot v suchten wij voer onse mesdaet
 
Maria weerde vrouwe goet
 
Want ghij den sondaren in staden staet
 
Als zij v aenroepen in oetmoet
 
 
 
Carmende zijn wij tot allen stonden
 
Hier in deser corter tijt
 
Ende verladen met onsen sonden
 
Maria hulpt dat wij worden verblijt
 
 
 
Ende screiende roupen wij tot v
 
Want ghij zijt dat venster van hemelrijc
 
Ghij zijt die ons altoes blijft ghetrouwe
 
Wanneer wij v aenroepen oetmoedelijc
 
 
 
In desen screienden dale zijn wij
 
Bedroeft bedruct ende onghetroost
 
Maria bidt uwen sone dat hij
 
Ons wil senden den eeuwighen troost
 
 
 
Och moeder der ontfermherticheit
 
Ghij zijt een maghet zuuer ende reyn
 
Aen v eest dat alle onse hope staet
 
Ende aen ihesum v kindeken cleyn
 
 
 
Daer om en wilt ons vergheten niet
 
Maria moeder in deser ellenden
 
Behoet ons voer dat helsche ghediert
 
Als wij van henen zullen scheiden
 
 
 
Uoersprake zijdij ouer alle die weerelt
 
Die dat oetmoedelijc aen v begheeren
 
Maria hulpt dat wij worden verlost(32)
 
Als ons die vianden willen deeren
[p. 47]
 
Ons allen zijdij den ouersten troost
 
Voer christum ende oec een toeuerlaet
 
Maria helpt dat wij worden verlost
 
Als christus dat strenghe oerdeel bestaet
 
 
 
Keert tot ons dijn oeghen der ontfermherticheit
 
Want zij zijn milde van natueren
 
Soe wie zijn sonden een tijt beschreit
 
Hij blijft vertroost tot allen hueren
 
 
 
Ende ihesum dijn vrucht ghebenedijt
 
Vertoone ons naer desen ellenden
 
Daer die inghelen louen tot alder tijt
 
Die blijscap sal dueren zonder eynde
 
 
 
O zaechmoedeghe coninghinne des hemels
 
Camer gods in deser eerden
 
Behoedt ons voer die handen des duuels
 
Als wijt niet langher en moghen herden
 
 
 
O goedertieren bouen alle goetheit
 
Dochter bloeme der maechdelicheit
 
Vul gracien fonteyne der oetmoedicheit
 
Ende spieghel der heiligher driuoldicheit
 
 
 
O zuete maria bouen honich zoet
 
Om allen die v dit spreken oft leeren
 
Houdt in v memorie ende in uwer hoedt
 
Dat zij met christum moghen iubileren
 
 
 
Amen
[p. 48]

Bijlage III

dl. II, fol. 44ro-45ro

Vander wonden die ons lieue heere op zijn heilighe scouwere hadde daer tcruyce op lach

 
COmt hier ghij menschen vaet mijn orconden
 
Ghedinct eens daechs deser wonden
 
Die my duer tghewichte vanden cruyce quam
 
Die smerte die en moechdij niet ghegronden
 
Die ic daer in leet om uwe sonden
 
Om god te paeyene mijnen vader gram
 
Duer mijn pine die mesdaet van v hij nam
 
Dies ghij nv mijn rijcke verwerft
 
Coent ghij verdienen eer dat ghij sterft
 
 
 
Tot sente bernaert ic eens sprac
 
Te zijnder begheerten ic hem vertrac
 
Theymelijcste wee welc ic most liden
 
Mijn cruyce dwelc my toe een wonde brac
 
Daer in dat ic dat meeste onghemac
 
Verdraghen most al doen ten tijden
 
Dit heb ic gheleden om v verbliden
 
Dies ghij zijt in mijn rijcke gheherft
 
Coendij verdienet eer dat ghij sterft
 
 
 
Die eens sdaechs mijn wonden wilt beclaghen
 
Sal ic behoeden voer alle plaghen
 
Ende tijttelijc goet zal hij ghebruycken
 
Alle zijn dootsonden willic af vaghen
 
Ende die daghelijcsche sonden oic veriaghen
 
Mijn miltheyt sal ic op hem ontpluycken
 
In mijn rijcke willict al beluycken
 
Mijn rijcke ghy nemmermeer en derft
 
Coendijt verdienen eer dat ghy sterft