|
|
|
| |
| | | |
Brieven
1 Rome, 18 december 18951
Rome.
18.12.95.
Waarde heer Wagenvoort.
Doe ons het genoegen aanstaanden Zondag, te half zeven, bij ons te komen dineeren.
Hopende op gunstig antwoord.
Steeds gaarne
Uw dw.
Louis Couperus.
| |
2 [Zonder plaats en datum]
Amice.
Daar wij van avond met rijtuig wilden gaan en ik U tot mijn spijt geen plaats kan aanbieden, dachten wij dat het het beste zoû zijn, zoo wij om negen uur naar Mevrouw Von M. toereden, hopende U dan daar te ontmoeten, om ons aan haar voor te stellen.1
Het spijt mij zeer, dat ik U niet kan vragen met ons mede te rijden.
Tot ziens en gaarne
Uw dw.
L.C.
| |
3 [Zonder plaats en datum]
Komt ge morgen bij ons dineeren?
| |
4 [Zonder plaats en datum]
Amice.
De dames zijn verhinderd in de Koolsche plannen.
Er ligt een noodlot op!!1
| |
| | | |
5 [Zonder plaats en datum]
Amice.
Doe ons het genoegen Vrijdag a.s. bij ons te komen dineeren. Misschien zouden wij dan 's avonds samen naar Mevrouw Von M. kunnen gaan.
| |
6 Nice, [datum poststempel: 12 april 1903]1
Nice
Villa Jules
Avenue St Maurice.
Paschen.
Amice.
Niets kon me aangenamer zijn dan een schrijven van je hand en de belofte van een grooten roman voor ons tijdschrift.2 Ik ben zeer blij met die belofte! Je weet, dat ik Maria Van Magdala een van de mooiste boeken vind van onze moderne litteratuur: een rijp en heerlijk werk, dat ik dikwijls weêr eens opneem en altijd met genot overlees.3 Een roman, waarover die zelfde insprireerende geest is gevaren, zal een vreugde zijn voor onze revue! Ik zal Van Nouhuys dadelijk schrijven, en verzoek je wat klaar is aan hem te zenden (3 Madurastraat Den Haag, aangeteekend: Hulpkantoor Bali-straat).4
Ik, voor mij, accepteer je met beide handen, ongelezen, en neem mij voor je later te genieten, in druk; want een roman in manuscript vergt te veel van mijn geduld!
Wij zijn 6 weken in Rome geweest, maar wonen te Nice, aan bovenstaand adres.5 Des zomers zijn wij echter meestal ergens anders: dan is het hier niet uit te houden van stof, vliegen, muskieten etc. Laten wij echter voeling houden, opdat wij elkaâr weêr eens ontmoeten. Je bent de èchte globe-trotter: ik ben maar een heel lui exemplaar.6 Je hebt groot gelijk niet altijd in het Amsterdamsche cirkeltje te blijven en het kan je kunst niet anders dan goed doen.7
En nu adio, cher ami, ik schrijf dadelijk Van Nouhuys: zend hem s.v.p. maar dadelijk de copie.
Van harte roep ik je als vast medewerker (wil ik hopen?) welkom toe in Groot-Nederland.
Une bonne patte
tàv.
L.C.
Mijn vrouw verzoekt me je hare hartelijke groeten over te brengen en roept je ook toe een spoedig: tot ziens!
| | | | | |
7 Den Haag, [datum poststempel: 6 augustus 1915]
26 Molenstraat.
Vrijdag
Beste Maurits.
Ik loop al lang rond met het idee je te schrijven of bij je te komen maar ik heb het zoó druk dezer dagen, dat het er niet van is gekomen. Wij zijn bezig ons min of meer ‘in te richten’ in onze nieuwe woning 2 Hoogewal; daar bij heb ik veel te werken (Chanteclair voor Verkade te vertalen)1 etc. etc. Ik zoû je anders gaarne eens een rendez-vous hebben voor gesteld.
Zoû je nu echter Dinsdag a.s. bij mij kunnen komen, 2. Hoogewal; dan gaan wij een beetje naar Scheveningen; heb je liever, dat ik bij jou kom, meld mij dan even nummer tram want ik weet absoluut niet hoè ik bij [je] kan komen. 't Is erg dom, maar 't is zoo.
Dat je je vriend zoo maar, pardoes? bij ons introduceerde - zonder eénig woord van te voren of wàt ook - was een beetje heél weinig ceremonieel en waarlijk, ik kan mijn deur, hier in Den Haag, niet altijd wijd open stellen voor iedereen, die maar kennis wenscht te maken. Maar we zullen daar maar niet over uit weiden, want anders ben je weêr ‘boos’. De jonge man was niet onsympathiek maar...wat wilde hij eigenlijk? Hij heeft me niets gezegd of gevraagd en ik geloof toch beminnelijk tegen hem geweest te zijn.2
Kan je Dinsdag niet, dan is Woensdag ook goed: meld mij dan even of je komt of dat je prefereert, dat ik bij jou kom (met nummer tram).
Tot ziens, beste, een beetje origineele vriend en steeds gaarne, met ons beider groeten.
Yours.
Louis C.
| |
8 Den Haag, [datum poststempel: 27 maart 1916]
Maandag.
2 Hoogewal.
Beste Maurits.
Het is heel vriendelijk van je aan ons gedacht te hebben om mede aan te zitten in Central maar wij zijn tot ons leedwezen 1 April verhinderd je gast te zijn (laatste Concert Mengelberg met souper daarna).1 Wij zullen echter heel gaarne in het begin van de volgende Maand eens op een avond bij je komen.
Wij hebben het overstelpend druk, behalve met mijn lezingen2 ook met andere dingen en zijn dikwijls avond aan avond uit. Laat mij eens nader bepalen wanneer wij begin April vrij zijn.
Geloof mij intusschen met hartelijke groeten
Je toegenegen
Louis. C.
| | | | | |
9 Den Haag, [datum poststempel: 21 april 1916]
2 Hoogewal.
Vrijdag
Beste Maurits.
Betty, zeer gevoelig aan je schrijven, verzoekt mij je even te antwoorden. In principe willen wij gaarne eens bij je komen of je ten onzent zien, maar...tot ± 8 Mei is iedere avond gegeven, zoû iedere avond twee of drie keer kunnen gegeven zijn en het gaat dus werkelijk nog niet. Betty heeft het druk met de Poppententoonstelling;1 op iederen vrijen avond legt Van Welie beslag, opdat ik pozeere2 (hoe kom ik ineens aan die Subjonctief!) en zoo gaat het door, door, door...Het is soms te veel; hoe gezellig Van Welie is, ik zal blij zijn als die zittingen zijn af geloopen.
Hierbij een invitatie voor mijne lezing, met eén dame, maar je moet zelve de plaats bepalen, als je er gebruik van maakt.3
De druk is niet van de wereld en Holland af...Onderwijl ‘lees’ ik maar, soupeer ik hier en daar, worden er Poppen ten toon gesteld, al is het dan ook voor zieke soldaten...
Wij, arme menschen! Het is maar goed, dat wij het druk hebben, anders zijn de gedachten te treurig!
Dus, beste Maurits, volgaarne bij jou en bij ons maar er is nog geen avond!
Intusschen steeds gaarne
Je toegenegen
Louis.
| |
10 Den Haag, [datum poststempel: 22 maart 1917]
2 Hoogewal
Beste Maurits
In lange zagen wij elkaâr niet. Kom, als je wilt, Donderdag a.s. 4½ ure (dan heb ik gewerkt) bij mij thee drinken en wat praten, (geheel alleen)1 opdat we niet geheel en al vervreemden.
Steeds van harte
Yours
Louis Couperus
| |
11 Den Haag, [datum poststempel: 24 maart 1917]
2 Hoogewal
Amice.
Ik maak nooit en nergens - zelfs niet bij families, die daarvoor in aanmerking zouden komen - middagvisites.
| | | |

Ongedateerd kattebelletje op visitekaartje van Louis Couperus aan Maurits Wagenvoort (Collectie Letterkundig Museum, Den Haag.)
Mijn verzoek aan je sproot voort uit nog eenige sentimentaliteit en om je te zeggen hoe bizonder mooi Betty Maria van Magdala vond, dat zij juist gelezen had.1 Ik doe het nu maar even per briefkaart, daar ik meen te begrijpen, dat je Donderdag a.s. verhinderd bent te komen.
Steeds tà v.
LC.
| |
12 Den Haag, [datum poststempel: 13 augustus 1917]
2 Hoogewal
Zondag.
Beste Maurits
Ik ben overtuigd, dat de auteur van de Romanina1 - over Maria van Magdala praat ik nooit meer!!! - een eminent artikel zal geschreven hebben over 18de eeuwsch Ital: geestesleven en zal zeker voór stemmen.2 Vlugge plaatsing...kan ik je niet belooven. Er ligt altijd heél veel te wachten en ieder krijgt zijn beurt en ik kan daar werkelijk niet veel op influenceeren. Zal echter doen wat ik kan.
Ik heb geen excuzes om te verontschuldigen, dat ik nog niet bij je geweest ben. De eenige reden is de zelfde, waarom ik bij zoo vele verwanten en vrienden niet kom. Indolentie en niet tot iets kunnen komen. Ik leef als een kluizenaar en werk, werk, werk.3 Dat is om het leven door te komen en te vergeten...Dus...geen excuzes. Wees toegevend voor mijn fouten en geloof me toch steeds
Met oude vriendschap
steeds de zelfde
Louis Couperus.
| | | | | |
13 Den Haag, [datum poststempel: 26 maart 1918]
2 Hoogewal.
Dinsdag
Beste Maurits.
Ik heb dadelijk aan Coenen geschreven.1 Maar het duurt altijd verschrikkelijk lang bij ons omdat met den papiernood ons tijdschrift in omvang verminderd is.2 Het is heèl vervelend, dat ben ik met je eens. Ik hoop, dat mijn aandringen iets helpen zal.
Merci voor je vriendelijk woord over mijn werk: je ziet, ik schei er ook nog niet meê uit!! Pennen, pennen, pennen...3
Hoe gaat het met je, in alle deze ‘nooden’?4 Ik hoop niet al te beroerd. Het is een vreeslijke tijd. Wanneer zijn we weêr eens in Italië. Ik sterf langzaam maar zeker van heimwee. En die Duitschers zijn zoo oersterk! Beste kerel, mijn hoofd is vol treurige gedachten. Corraggio!!
Van harte
Louis C.
| |
14 Den Haag, 1 november 1918
Den Haag
2 Hoogewal
I.XI.XVIII
Amice.
Ik heb onze uitgevers verzocht je een voorschot te doen toekomen op je aanstaande honorarium in Groot-Nederland, nu[?] ƒ 200. (tweehonderd guld.). Zoodra Coenen terug is van zijn reis in het buitenland - aan het front - zal ik hem onder handen nemen.1
Als het tooneelstuk, dat je ons zenden wilt, het zelfde is, dat bij het Hofstad-tooneel gaat, is het bij voorbaat aangenomen: wij nemen de stukken aan, die opgevoerd worden, uit principe, of wij ze mooi vinden of niet.2
Schrijf weêr eens een van je ‘Khùnst’-looze maar boeiende romans voor ons tijdschrift en wij zullen gaarne je ook op dat werk voorschot verleenen.3
Corraggio in deze moeilijke tijden!
Van harte
Je oude vriend
Louis C.
| |
14a Maurits Wagenvoort aan Louis Couperus. [Zonder plaats, zonder datum]1
W.L. Je bent waarachtig een vriend in nood. Recht hartelijk dank. Het voorschot van je uitgevers, ad ƒ 200. - zal ik gaarne accepteeren, en hoop ik [xx] te verdienen. Nog heden zal ik bij V.d. Lugt-Melsert2 ask [lees: afspraak] maken om mij, over een paar weken het manuscript van ‘De Oranje princes’ te- | | | | rug te geven, dan zal ik er je een getypeerde copy van doen toekomen. Wat een nieuwen roman betreft: als je eens wist hoe ik in dat opzicht ontgoocheld en ontmoedigd ben! Ik verlang nu niets liever dan een behoorlijk gehonoreerde betrekking en zou er gaarne mijn woord op willen geven niets, niets, niets meer te schrijven. Wat is máken in Holland! Ik wou dat ik schoenmaker was geworden. Intusschen[?] komen natuurlijk steeds nieuwe bedenksels in mijn geest, maar he[xx] [xx] geen geld voor, hersenen[?] op c'est plus fort que moi maar die vormen met[?] [xxx] eenigen tijd van zelf in tooneelgedaante en niet in die van romanvorm. Intusschen heeft je bemoedigende brief me goed gedaan. Hartelijke groeten, ook voor Betty. Ik had gaarne[?]
| |
15 Den Haag, 15 december 1918
Den Haag
2 Hoogewal
15.XII.XVIII
Beste Maurits.
Ik heb je treurig nieuws te melden: wij kunnen je Princes van Oranje niet onder dak brengen in Groot-Nederland. Het doet mij bizonder veel leed je dit te moeten melden, omdat ik je zoo gaarne zoo goed mogelijk geholpen had, in allen deele. Maar het kan niet, hoe ik ook heb gepleit. Wij hebben papiernood, in hooge mate en de uitgevers verzoeken ons de aanstaande nummers zoo klein mogelijk te maken als maar kan. De Vrede in uitzicht en toch allerlei moeilijkheden. Wij plaatsen alleen de achterstallige kopie en dito tooneelspelen (er zijn er die al twee jaar wachten!) en verder niets meer. Toen ik je schreef: ‘wat vertoond wordt, plaatsen wij’, was dit ook zoo en meldde ik je, blijde iets voor je te kunnen doen. Nu Coenen terug is en wij met de uitgevers hebben geconfereerd, zie ik, dat ik te snel mij heb uitgesproken. Het doet mij bar leed, en je zult wel willen aannemen, dat ik, persoonlijk, had willen doen alles wat mogelijk was.1
Dus ook geen roman. Kleinere artikelen hebben wij steeds gaarne van je hand, als je er wat meê kan wachten, tot al de achterstalligheid is geliquideerd.
Ik vind het net zoo beroerd als jij het zult vinden; dat is het eenige, dat ik je zeggen kan, beste kerel.
Ik hoop, dat je stuk succes heeft en zal de première bijwonen.2
Wil ik je de copie eens komen brengen, op een uur, door jou bepaald?
En vergeef je vriend, die geen almachtig redakteur van Groot-Nederland is! Affettuississimo
Louis Couperus
| | | | | |
16 Den Haag, 10 februari 1919
Den Haag
2 Hoogewal
10.II.XIX.
Beste Maurits.
Ik wil je natuurlijk gaarne weêr eens ten mijnent zien maar, beste vriend, praktiesch helpen met de filiale, de Haagsche, van de Ned. Lett. Ver. kan ik niet.1 Van mijn naam mag je gebruik maken; als lid zal ik toe treden maar verder kom ik nooit op vergaderingen, dat weet je. Je kan iemand van 55 jaar nu niet in eens veranderen en dat moet je ook niet willen probeeren.
Buysse was geschrokken dat je hem vroeg zijn huis af te staan voor een bijeenkomst van 20 Haagsche letterkundigen!2
Ik ga straks naar Amsterdam om te lezen en blijf misschien een paar dagen.3
Van harte tàv
Louis.
| |
17 Den Haag, [datum poststempel: 28 juni 1919]
Altijd Jeugdige!
Nu staat het in de Courant! Het is ongelooflijk! Maar àls het zoo is, ontvang dan van harte ons beider gelukwenschen.1
Blijf jong, gelukkig, werkzaam en gezond!
Louis Couperus
| |
18 [Plaats en datum poststempel: Den Haag, 8 juli 1920]
Waarde Maurits
Nog een enkel woordje na ons vluchtig gesprek op de rollaag.1 Zie hier: ik onderteeken - ben ik het er meê eens - gaarne je rekest, of wat het ook zij, aan den Minister maar je moet niet met Van Hulzen er bij mij over komen praten. Want, beste kerel, daar zie ik nu eenmaal tegen op, dat vind ik vervelend en lastig en dat dient tot niets. Het is misschien niet vriendelijk van me maar ik ben ziek en nerveus, erger dan het misschien toont en zie tegen allerlei dingen en dingetjes vreeslijk op. Dien nerveuzen gemoedstoestand moet je nu maar respecteeren; kan mijn handteekening van dienst zijn, dan zal ik je die niet onthouden hoewel ik zeer pessimistiesch ben omtrent de actie der militante letterkundigen.2
Ik hoop dezen winter naar het Zuiden te kunnen gaan (waarheen weet ik niet) want mijn dokter raadt mij af hier weêr een winter door te maken. Ik moet echter eerst mijn huis, gemeubileerd, kunnen verhuren. Ik voel me oud en moê en ben ziek van de krakende wereld en het kan me niet sche- | | | | len of uit dat gekraak nog iets moois opbloeit; het liefst ging ik er rustig uit weg maar dat wordt me nog niet gegund...3
Ziedaar. Vergeef me.
Yours
L.C.
| |
19 Den Haag, 23 september 1921
Beste Maurits.
Het doet ons beiden bizonder leed maar uur aan uur zijn bezet. Gisteren was mijn tweede voordracht bij Kleykamp en ik voelde mij werkelijk erg moê, maar bracht het er gelukkig goed van af.1 Die twee voordrachten waren aangeboden aan Kleykamps leden, 1600 stuks, terwijl er 300 à 350 in de zaal plaats vinden! De belangstelling was genoeg om 2 avonden stampvol te vullen. Invitaties had ik niet gedaan. Vergeef me dus, beste kerel, dat het niet ging.
Betty is zeer gevoelig, dat je ons nog de hand zoû willen drukken maar ik zie waarlijk er geen gaatje in.2 Morgen gaan wij voor 2 dagen naar De Steeg, bij mijn zwager Weynaendts.3
Als ik terug ben, over een klein jaartje, hoop ik meer bij je te komen. Alleen de afstand maakte, dat ik zoo weinig hartelijk was. En dan is Den Haag een stad met zoo veel familie, vrienden en kennissen, dat wij niet alles af kunnen doen wat wij gaarne zouden willen.
Spoedig gaan we het groote Avontuur te gemoet in de richting der Rijzende Zon! Denk eens aan ons, als we zitten tusschen aard- en zeebevingen, pest, cholera, taifoons, kersenbloesems en wat dies meer zij!
Van harte la patte!
Louis C.
| |
20 Den Haag, [datum poststempel: 31 oktober 1922]1
2 Hoogewal
Zondag
Beste Maurits.
Ik vergeet niet mijn belofte: je iets te laten weten, een uur van samenkomst af te spreken, maar, beste kerel, ik ben ziek, beslist ziek (lever en long); lever verhindert mij te loopen, long maakt mij conversatie moeilijk. Het geheel is ellendig.2
Als de zon schijnt mag ik 's morgens even uit. Anders is het parool: rusten. Ik ontvang dan ook niemand. Het maakt me alles zoo moê.
Je zag er verleden jong en gezond uit: wat mij betreft...nu, we zwijgen daar maar over...3
Dus tot later en vergeef me.4
L.C.
| | | |

Brief van Louis Couperus aan Maurits van Wagenvoort, 10 januari 1923. (Collectie Letterkundig Museum, Den Haag.)
| | | | | |
21 Den Haag, 15 november 19221
15 Nov. XXII
2 Hoogewal.
Beste Maurits
(Vergeef dit gegapte hôtel-papier. Waar een mensch al niet toe komt!!)
Een hartelijke brief, een vriendschappelijk bezoek...beiden hebben mij pleizier gedaan.
Ik ontvang eigenlijk niemand, ben moê en spreken vermoeit me nog meer.
Maar wil je eens aankomen, bv. Zaterdag a.s. 4 uur? Zeg dan maar aan wie je openmaakt, dat ik je verwacht. En dan vertel je mij iets gezelligs en interessants en luister ik toe...met een glimlach!
Yours
Louis C.
| |
22 Den Haag, 10 januari 19231
2 Hoogewal.
10.I.XXIII
Beste Maurits.
Brievenpapier en briefkaarten zijn òp! Ik vind nog een gegapt hôtelpapiertje en een weelde-enveloppe.2 Excusez de peu! Je reisgeval is aangenomen; spoedige plaatsing is uitgesloten;3 je honorarium kan je echter dadelijk toucheeren. Schrijf dus aan Coenen.
Dank voor zoo vele goede wenschen! Moge bloemetjes langs je levensweg ontluiken; blijf dapper en jong, dat is Betty's en mijne wensch!
Addio!!
Yours
Louis.
Waar zijn de schoone Italiaansche maanden, dagen en...uren...!?
| |
23 [Plaats en datum poststempel: Den Haag, 19 februari 1923]
Beste Maurits.
Ik ben blij, dat het in orde is. Ik had anders zelf voor je in de bres gesprongen maar nu hoeft dat niet.1 Ik zal zien, dat ik eens op een Vrijdag kan of anders moet je eens hier komen, voór wij weggaan (Paschen). Ik ga een huis bouwen in De Steeg.2 Denk niet, dat ik millionair ben geworden! Het huisje heeft een dakje (zie je het?) van puur zilver!! Ik voel me heel gezond en idioot jong! Yours
Louis.
Betty laat je hartelijk groeten maar is met geen stokslagen uit te krijgen.
Wil je Donderdag a.s. 4 uur komen??
| | | | | |
24 De Steeg, 23 april 19231
De Steeg, 23 April 1923
Mijn beste Vriend.
Hoewel ik met een (gelukkig ‘abortive’) longontsteking complete rust moet houden, wil ik je even schrijven. Ik voel in je brief, behalve de behoefte om me even geluk te wenschen met het douceurtje van de Tollensprijs,2 dat heel aardig is, ook den drang me even van je verdriet te melden. En dat waardeer ik en bewijst, dat er ‘voeling’ tusschen ons is. Beste kerel, de relatie's van den aanbiddelijken Eros, die de oude Hellenen naast zijne goddelijke moeder, Afrodite, hadden geplaatst, duren, ik geloof, noóit een menschenleven.3 Maar laat ons waardeeren de tijd, dat zij duurden, zelfs al mengden zij geluk en verdriet samen.4 Dan breekt het af, om deze of gene reden; ach, dat is altijd zoo.
Ik behoef je niet te zeggen: wees krachtig. Je bent het. Je hebt tòch, niettegenstaande vele moeite en zorg, een mooier leven dan vele anderen. Je hebt je vrijheid, je werk, en al is dat alles niet in het goud der aarde ge-incrusteerd, het is tòch te samen een schat, die gewaardeerd moet worden.
En nu, beste kerel, moet ik uitscheiden. Ik dacht reeds, dat het bloed-op-geven gedaan was maar zie, daar is weêr het roode fluimpje.5 Ellendig. Brinio is uit logeeren bij de nichtjes, die allerliefst zijn.6
Beste Maurits, ik ben 10 Juni jarig, als je me wilt zenden een kaartje met m.o.r. (met oprecht rouwbeklag), dan heel gaarne.7
Het huisje schiet op, is klein maar lief.
Je komt van den zomer logeeren, in Juli, Aug. of Sept.
Addio, beste kerel.
Louis.
Veel, heel veel liefs van Betty.
Ik ben er zeer op gesteld te ontvangen I ex van Maria v. M.'s Loutere Liefde.8
|
1Op het envelopje van deze twee kaartjes staan de respectievelijke adressen: ‘Mr. Maurits Wagenvoort. / 4. Via Ludovisi. Roma.’ en: ‘Louis Couperus / Hôtel du Sud.’
1In De vrijheidzoeker noemt Wagenvoort als een van zijn Romeinse kennissen ‘een Duitsche baronnes [sic], Hollandsche geboren’, die hem later bij zijn vertrek uit Rome ‘een korfje met de heerlijkste geconfeite vruchten’ ten afscheid zou komen brengen (p. 208). Wellicht waren deze barones en ‘Mevrouw Von M.’ een en dezelfde persoon.
1De ‘Koolsche plannen’ hebben mogelijk betrekking gehad op een voorgenomen ontmoeting met de schilder-tekenaar Thomas Cool (1851-1904), een kennis van Wagenvoort in Rome. Cool woonde met zijn gezin in de kunstenaarsvilla ‘Strohl-Fern’, net buiten de Porta del Popolo aan de rand van de Pincio. Wagenvoort schetste de schilder en diens gezin in zijn roman De droomers. (Zie De vrijheidzoeker, p. 206-208.)
Thomas Cool schilderde en tekende in Italië voornamelijk Romeinse tempels en ruïnes, waaronder veel nachtgezichten met maanverlichte, duistere wolkenpartijen, en herschiep in zijn werk Romeinse bouwvallen tot paleizen - motieven die ook Couperus niet onberoerd lieten. Geliefde onderwerpen van Cool waren het Forum Romanum, de Termen van Caracalla en de St. Pauluskerk. (Gegevens over Cool zijn ontleend aan de Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie te Den Haag.)
Er zijn enkele opvallende overeenkomsten tussen Thomas Cool en Couperus' mannelijke hoofdpersoon Duco van der Staal uit zijn roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900): ook Duco van der Staal schildert, en hij heeft net als Cool een voorkeur voor antiquiteiten en voor ruïnes, die hij in zijn fantasie in hun oude luister herstelt; in de roman betrekt Van der Staal een atelier in de Via del Babuino, vlakbij het werkelijke huis van Cool. Het is niet onaannemelijk dat Couperus' personage gedeeltelijk op Thomas Cool geïnspireerd is.
Over welke dames Couperus in zijn briefje spreekt, is mij niet bekend.
1Op de enveloppe staat de adressering ‘Saloniki. Poste Française Restante.’
2In januari 1903 verscheen de eerste aflevering van Groot-Nederland, Letterkundig Maandschrift voor den Nederlandschen Stam. De Amsterdamse uitgever Van Holkema en Warendorf en de redacteuren Cyriel Buysse (1859-1932), W.G. van Nouhuys (1854-1914) en Louis Couperus waren de eigenaars van het tijdschrift. Overigens verscheen pas in 1913 een eerste bijdrage van Wagenvoort in Groot-Nederland. (Zie brief 12, noot 1.)
3Wagenvoorts roman Maria van Màgdala (1897).
4W.G. van Nouhuys verrichtte het meeste redactiewerk van het tijdschrift.
5Couperus en zijn vrouw woonden sinds eind oktober 1900 in Nice.
6‘(Jan) Globetrotter’ was de bijnaam van Wagenvoort, voor het eerst gebruikt door de journalist en schrijver Herman Robbers.
7Couperus heeft zich meerdere keren in woorden van gelijke strekking over het Nederlandse literaire leven uitgelaten. Zo schreef hij in 1896 aan zijn uitgever L.J. Veen naar aanleiding van de slechte kritieken op zijn werk: ‘als een Hollander niet bij zijn theestoof blijft is het niet goed’ (Waarde Heer Veen. Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever, 1890-1902 (ed. F.L. Bastet), 's-Gravenhage 1977, p. 111). In 1919 schreef hij aan Herman Robbers: ‘Ik zoû u eens willen raden: reis eens. Treed buiten uw kringetje. [...] Poog eens uit te kijken naar de goddelijke verschieten der eeuwige Schoonheid [...]. Dwaal des noods, vergis u maar ontwring u aan het kringetje.’ (‘Aan Herman Robbers’, in Groot-Nederland 17 (1919) 6 (juni), p. 700-702; Louis Couperus, Ongebundeld werk (= Volledige werken, 49) (ed. H.T.M. van Vliet en J.B. Robert), Amsterdam/Antwerpen 1996, p. 663-666.)
1Couperus had van Eduard Verkade (1878-1961), leider van het toneelgezelschap de Haghespelers, opdracht gekregen het toneelstuk Chantecler van Edmond Rostand te vertalen. Couperus' vertaling, getiteld Kantekleer, is nooit opgevoerd. (Zie Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie, Amsterdam 1987, p. 479-480.) De vertaling is opgenomen in Louis Couperus, Ongepubliceerd werk (= Volledige werken, 50) (ed. H.T.M. van Vliet [et al.]), Amsterdam/Antwerpen 1996, p. 145-326.
2Wie de vriend van Wagenvoort was, is mij niet bekend.
1Op 1 april 1916 dirigeerde Willem Mengelberg (1871-1951) in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen aan het Noordeinde in Den Haag het Concertgebouworkest en de zangeres Edyth Walker tijdens het laatste concert van het seizoen 1915-1916. Uitgevoerd werden de ‘Pathétique’ van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, het Andante Moderato en Ständchen uit Gustav Mahlers zevende symfonie en de door Walker gezongen Lieder eines fahrenden Gesellen, eveneens van Mahler. Couperus schreef later in een feuilleton dat hij na de concerten van Mengelberg wel eens met hem en anderen ging souperen, onder andere bij de kunstcriticus dr. A. Bredius te Den Haag (‘Intieme impressies 1’, in Het Vaderland 28 januari 1923; Louis Couperus, Ongebundeld werk (= Volledige werken, 49) (ed. H.T.M. van Vliet en J.B. Robert), Amsterdam/Antwerpen 1996, p. 572-578).
2Couperus was in 1915 begonnen met het houden van voordrachten uit eigen werk. Hij trad in het hele land op. Op woensdag 22 maart 1916 bijvoorbeeld bracht hij in het Haagse Diligentia een nieuw programma met humoristische schetsen, en op 5 april 1916 las hij in Hotel Central in Baarn voor uit zijn roman De ongelukkige, ‘op verzoek’ blijkens Het Vaderland van 6 april 1916.
1Van 6-12 mei 1916 werd in de Kunstzalen Kleykamp te Den Haag door de Haagse afdeling van ‘L'Oeuvre Internationale des Blessés et Prisonniers de Guerre’ een poppententoonstelling en -wedstrijd gehouden, ten voordele van de in Nederland verblijvende Belgische krijgsgevangenen. Elisabeth Couperus-Baud was een van ‘les dames patronesses du comité exécutif’, en had, onder andere met Cyriel Buysse, zitting in de jury die bepaalde welke poppen zouden worden tentoongesteld. De poppen werden op 13 mei geveild. (L'Echo Belgique van 19 februari en 6 mei 1916; La Belgique van 6 april 1916 en Belgisch Dagblad van 5 mei 1916; met dank aan Marco Goud die mij deze knipsels ter hand stelde.)
2De succesvolle society-schilder Antoon van Welie (1866-1956) vervaardigde in opdracht van mevrouw Kleykamp, de eigenaresse van de Kunstzalen Kleykamp in Den Haag, in het voorjaar van 1916 een portret van Couperus, waarvoor deze eind april twee weken lang 's avonds poseerde. Het schilderij, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog bij een bombardement op Den Haag in het atelier van Van Welie verloren is gegaan, kwam na voltooiing te hangen in een van de salons van Kleykamp waar Couperus vaak voordrachten hield. In een aan Van Welie opgedragen epigram loofde Couperus de ‘schilder-psycholoog’, die hem in het portret een ‘krachtiger tweelingbroeder’ had geschonken
(‘Portret’, in Haagsche Post 22 juli 1916; Louis Couperus, Ongebundeld werk, p. 196-198; zie ook, voor alle overige facetten rond de totstandkoming en de verdere geschiedenis van het portret: Hans van der Horst, ‘Het portret door Antoon van Welie’, in Louis Couperus' zijlijnen. Versieringen uit zijn handschrift, in breder perspectief, Amsterdam 1996, p. 138-154).
3Op 25 april 1916 hield Couperus een lezing getiteld ‘Vizioenen der oudheid’ in de salon van Kunstzaal Kleykamp te Den Haag. Of Wagenvoort de lezing bijwoonde, is mij niet bekend.
1Couperus wilde kennelijk niet opnieuw verrast worden door een ongenode gast. (Vgl. brief 7.)
1Elizabeth Couperus had Wagenvoorts roman wellicht gelezen vanwege de overeenkomst van de titel met de voornamen van Maria Magdalena Müller, de vrouw met wie Couperus' favoriete neef Frans Vlielander Hein op 15 maart 1919 in Oslo in het huwelijk trad. (Zie Frédéric Bastet, Louis Couperus, p. 570.)
1Couperus bedoelde Wagenvoorts roman La Romanina uit 1915, die was voorgepubliceerd in Groot-Nederland; in de tijdschriftversie en in de boekuitgave luidde de opdracht: ‘Aan mijn vriend, den maître-charmeur, Louis Couperus.’
2Wagenvoorts artikel, ‘Iets over het geestesleven in Italië van de 18de eeuw’, verscheen pas in Groot-Nederland 17 (1919) 2 (februari), p. 245-259 en 3 (maart), 360-381. Het werd in 1931 als het hoofdstuk ‘Het geestesleven in Italië van de 18de eeuw’ opgenomen in Wagenvoorts bundel Rococo Italië (p. 56-105).
3Couperus' ‘indolentie’ had inderdaad geen betrekking op zijn arbeidskracht: toen hij deze brief schreef waren er van hem in 1917 al 36 feuilletons gepubliceerd in Het Vaderland en de Haagsche post èn de romans De komedianten in Groot-Nederland en De verliefde ezel in Het Vaderland. (Vgl. de chronologische leeswijzer in Louis Couperus, Ongepubliceerd werk, p. 497-534.)
1Na de dood van W.G. van Nouhuys in 1914 had de schrijver en criticus Frans Coenen (1866-1936) diens plaats in de redactie van Groot-Nederland ingenomen.
2De eerste zes afleveringen van Groot-Nederland 16 (1918) telden samen 678 bladzijden, ongeveer honderd bladzijden minder dan het gebruikelijke aantal.
3In deze periode publiceerde Couperus in de Haagsche Post zijn roman in feuilletonvorm Het zwevende schaakbord; in januari was in Groot-Nederland de novelle De ode verschenen en in het februarinummer het verhaal ‘De tooveressen. Tweede Idylle van Theokritos’. (Vgl. de chronologische leeswijzer in Louis Couperus, Ongepubliceerd werk, p. 497-534.)
4De ‘nooden’ van Wagenvoort waren ongetwijfeld van financiële aard, maar hadden gezien Couperus' verwijzing naar Italië in het vervolg van de brief ook betrekking op Wagenvoorts ongewenste, door de oorlog en door ziekte gedwongen verblijf in Nederland.
1Zie brief 12, noot 2. Wagenvoort had het voorschot op het honorarium dringend nodig. (Zie ook brief 14a.)
2Wagenvoorts toneelstuk was Het huwelijk van een Oranje-princes. (Zie brief 15, noot 1 en 2.)
3Met het aldus gespelde woord ‘“Khùnst”-looze’ verwees Couperus vermoedelijk ironisch naar een opmerking van Wagenvoort, die overigens geen roman meer in Groot-Nederland zou publiceren.
1Niet voltooide minuut, geschreven op de blanco achterkant van het tweede blad van brief 14.
2Cor van der Lugt Melsert (1882-1969) was directeur, regisseur en acteur van het toneelgezelschap het Hofstad-Tooneel. Zie verder brief 15 noot 2.
1Wagenvoorts toneelstuk Het huwelijk van een Oranje-princes. Historisch tooneelspel in vier bedrijven werd ondanks Couperus' sombere bericht vrij spoedig gepubliceerd als ‘Dramatisch bijvoegsel’ van Groot-Nederland 17 (1919) 4 (april).
2Het toneelstuk, gespeeld door het Hofstad-Tooneel onder regie van Cor van der Lugt Melsert, ging op 20 december 1918 in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag in première. De opbrengst van deze eerste voorstelling kwam ten goede aan de bouw van een nieuwe Rode-Kruiskliniek te Den Haag. Het toneelstuk kreeg redelijk goede kritieken en werd nog meerdere keren in Den Haag opgevoerd, in de Koninklijke Schouwburg, de Princesse Schouwburg en het Theater Verkade.
1Wagenvoort was actief in de Letterkundige Vereeniging. (Zie ook brief 18.)
2De schrijver Cyriel Buysse, woonachtig te Den Haag, was net als Couperus redacteur van Groot-Nederland. (Zie brief 6, noot 2.)
3Wanneer Couperus deze lezing gaf, heb ik niet kunnen achterhalen.
1Op 27 juni 1919 meldde Het Vaderland in de rubriek ‘Kunst- en Letternieuws’: ‘De heer Maurits Wagenvoort, letterkundige, heeft heden zijn 60en verjaardag in intiemen kring herdacht.’
1Met ‘op de rollaag’ bedoelde Couperus waarschijnlijk: op straat. Letterlijk is een rollaag een afzonderlijke gewelfboog danwel een horizontale laag van stenen op de lange zijkant neergelegd. Een specifieke Haagse plek met deze benaming is mij niet bekend.
2Onder de titel ‘Regeeringssteun aan letterkundigen’ publiceerde de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 7 oktober 1920 in de rubriek ‘Letteren en Kunst’ een open brief aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Letteren, waarin deze werd gewezen op ‘den onhoudbaren toestand, waarin zij, die zich geheel aan de Nederlandsche letteren hebben gewijd, in 't bijzonder hun collega's, die zekere leeftijdsgrens bereikten, door het wereldgebeuren der laatste zes jaren zijn gebracht.’ In de brief werd een verhoging gevraagd van de jaarlijkse staatssubsidie voor letterkundigen van 1000 gulden tot minstens 50.000 gulden; voor ‘beroepsletterkundigen’ ouder dan zestig jaar werd een staatspensioen gevraagd. De brief was volgens de krant op 5 oktober aan de minister gezonden. De ondertekenaars waren Louis Couperus, Frederik van Eeden, de in de brief genoemde
schrijver Gerard van Hulzen, Is. Querido, Carel Scharten, M. Scharten-Antink en Maurits Wagenvoort.
3Couperus en zijn vrouw vertrokken in opdracht van de Haagsche Post in oktober 1920 naar Noord-Afrika; zij keerden in mei 1921 in Nederland terug.
1Couperus' lezingen vonden plaats op 20 en 22 september.
2Een week later, op 1 oktober, zouden Couperus en zijn vrouw Nederland voor een jaar verlaten: hun reisdoel was Nederlands-Indië, China en Japan. Couperus zou als ‘speciaal correspondent’ reisbrieven schrijven voor de Haagsche Post. Op 10 oktober 1922 keerden zij in Nederland terug.
3De zuster van Elisabeth Couperus-Baud, Wilhelmina Wijnaendts van Resandt-Baud, woonde met haar echtgenoot in het Gelderse dorpje De Steeg.
1Papier met voorgedrukt (en door Couperus doorgestreept) briefhoofd: ‘Hotel de Bellevue / Bezuidenhout 15 / (vis-à-vis du Parc Royal) / La Haye’. Couperus verbleef na zijn terugkeer in Nederland enige tijd in dit hotel, tot zijn vrouw hun aangehouden etage aan de Hoogewal weer bewoonbaar had gemaakt. (Zie Frédéric Bastet, Louis Couperus, p. 645.)
2Couperus was in Japan ernstig ziek geworden en nog niet hersteld.
3Met ‘verleden’ refereert Couperus vermoedelijk aan hun laatste ontmoeting vòòr zijn vertrek naar het Verre Oosten.
4De zin ‘Dus tot later en vergeef me,’ heeft Couperus later toegevoegd; bij gebrek aan ruimte op de bladzijde boven of onder de ondertekening schreef hij hem tussen de laatste twee alinea's in.
1Zie brief 20, noot 1; het briefhoofd op dit papier is anders vormgegeven, en is voorzien van een afbeelding van Hotel de Bellevue, die ook op de achterkant van de envelop van brief 20 staat.
1Couperus schreef deze brief op dezelfde soort papier als brief 21.
2De ‘weelde-enveloppe’ is niet bewaard gebleven.
3Wagenvoorts ‘reisgeval’ betrof ‘Karavaanreis in Zuid-Perzië’, dat pas werd gepubliceerd in Groot-Nederland 23 (1925) 8 (augustus), p. 152-165, 9 (september), p. 267-285, 10 (oktober), p. 380-392, 11 (november), p. 485-504, 12 (december), p. 605-620, en 24 (1926) 1 (januari), p. 65-77; in 1926 gebundeld in Wagenvoorts Karavaanreis door Zuid-Perzië.
1Dit betreft de plaatsing van Wagenvoorts reisverhaal. (Zie brief 22, noot 3.)
2Eind maart 1923 (pasen viel op 1 april) verhuisden Couperus en zijn vrouw naar De Steeg, waar zij in Hotel De Engel logeerden tot hun nieuw gebouwde huis bewoonbaar was.
1Papier met voorgedrukt briefhoofd: ‘Hotel “De Engel”, Steeg - Telef. 201, P. Wansink’. Couperus schreef voor ‘Steeg’ het woordje ‘De’.
2Couperus ontving in 1923 de vijfjaarlijkse Tollensprijs voor zijn gehele oeuvre, waarvan het ‘douceurtje’ 500 gulden bedroeg.
3Met wie Wagenvoort een relatie had gehad, die kennelijk nu verbroken was, is mij niet bekend.
4Couperus verwijst hier naar het motto van zijn roman Extaze (1892), dat luidde: ‘Aan het Geluk en het Leed te Zamen’.
5Couperus' ‘roode fluimpje’ is op het briefpapier als een roodbruin vlekje waarneembaar boven het woord ‘uitscheiden’.
6‘Brinio’ was de naam van de door Couperus in maart 1923 aangeschafte herdershond. Couperus' nichtjes waren Betty en Louise Wijnaendts van Resandt, de twee dochters van zijn zwager die ook in De Steeg woonde.
7Op 10 juni 1923 werd Couperus zestig jaar.
8In 1925 verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek te Amsterdam onder de titel Maria Magdalena's loutere liefde een herziene herdruk van Wagenvoorts roman Maria van Màgdala uit 1897. Wagenvoort had Couperus kennelijk ruimschoots van te voren hiervan op de hoogte gesteld. Al in 1922 - er waren toen nog 23 exemplaren van het boek in voorraad - benaderde Wagenvoort De Wereldbibliotheek voor een heruitgave; op 26 maart 1922 schreef hij aan L. Simons van De Wereldbibliotheek: ‘Toen Louis Couperus mij een jaar of tien geleden een zijner boeken ten geschenke zond, schreef hij voorin een opdracht: “Aan M.W....en schrijver van een mijner liefste boeken Maria van Màgdala”, en later, in een ander boek van hem “...in dankbare herinnering aan zijn heerlijk werk Maria van Màgdala.” Op 16 mei 1922 schreef Wagenvoort opnieuw aan Simons: ‘Gaarne zou ik dan ook van U vernemen wat U denkt van den nieuwen titel “Maria Magdala's loutere liefde”, en tevens wàt van mijn denkbeeld om Louis Couperus' lof van mijn werk voorin te drukken? Ik ben daarop, ik geloof terecht, trotsch, en als wij het werk toch als herdruk in het licht geven is daartegen geen bezwaar en kan dit de verkoop slechts goed doen.’ De herziene herdruk verscheen in de serie ‘Nederlandsche Bibliotheek’, in een oplage van vermoedelijk 5 à 6000 exemplaren. In 1941 waren er van de roman nog 80 exemplaren in voorraad. (Gegevens en citaten uit brieven in de Wagenvoort-collectie in het Letterkundig Museum.)
|
|