Al op de titelpagina en in de eerste regels van de eigenlijke tekst wordt nadrukkelijk gerefereerd aan de beroemde volksboekheld Ulenspieghel. Zeer waarschijnlijk gebeurt dat vooral om de aantrekkingskracht van deze spotprognosticatie op het 16e-eeuwse koperspubliek te vergroten. Niet alleen verbergt de auteur van deze in 1560 verschenen drukwerkproduktie zijn identiteit achter het pseudoniem ‘sloctoor Ulenspieghel’, ook de houtsnede op de titelpagina verwijst rechtstreeks naar de Ulenspieghelfiguur. We zien 'm daar op jonge leeftijd, terwijl hij bij zijn vader achter op het paard zit en de voorbijgangers, door het oplichten van zijn hemd, een blik gunt op zijn achterste. Een vrijwel gelijke voorstelling kun je aantreffen op de titelpagina van de oudst bekende Nederlandse editie van het volksboek van Ulenspieghel, die in of na 1525 door Michiel Hillen van Hoochstraten in Antwerpen werd uitgegeven.108 Daar verwijst de prent naar het hoofdstukje ‘Hoe Ulenspieghel achter sinen vader sadt op een peert thonende sijn scalcheyt’.109 In de spotprognosticatie heeft de houtsnede geen specifieke functie meer: er wordt niet verwezen naar een bepaalde passage uit de tekst. Tenslotte wordt in een monoloog (r. 13-34) verklaard hoe het komt dat Ulenspieghel, die volgens het volksboek immers al dood en begraven is, toch zijn medewerking kon verlenen aan de totstandkoming van de prognosticatie. De vindingrijke verklaring is: ‘Al sterft er een Ulenspieghel, oft al wort hi verloren, Daer wordtter wel seven daerteghen gheboren’ (r. 30-1). In de rest van de tekst - de proloog en de eigenlijke prognosticatie - wordt vervolgens nergens meer aan Ulenspieghel gerefereerd.
De tekst werd uitgegeven door Marie Ancxt, de weduwe van drukker Jacob van Liesveldt, die na de dood van haar man in 1545 de leiding in het bedrijf had overgenomen en haar activiteiten tot 1566 zou voortzetten. Haar fonds bestond voor een belangrijk deel uit Nederlandstalige volks- en triviaalliteratuur.110
Het enige bekende exemplaar van deze editie wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.111 Het gaat om een uitgave in quartoformaat, bestaande uit één katern van vier bladen. Noch in formaat, noch in omvang wijkt het daarmee af van de vorm waarin serieuze en spotprognosticaties doorgaans werden uitgegeven.
De aantrekkelijkheid van deze spotprognosticatie blijkt uit het feit dat er in 1606 een herdruk van verscheen, op de markt gebracht door een uitgever die zich verschool achter het schijn-adres tot Lovendeghem. By Colofon van Bacharach inde Sterre met de Steert.112 Er zijn enkele redenen om aan te nemen dat de katholieke polemist J. David (1545-1613) de kopij voor deze herdruk aan ‘Bacharach’ bezorgd heeft. Deze zelfde uitgever gaf namelijk in 1602 (niet in ‘Lovendeghem’ maar in ‘Land-uit’) een duidelijk door de traditie van de spotprognosticatie beïnvloede tekst van David uit, van wie we óók weten dat hij de Pantagruéline Prognostication van Rabelais (of zelfs een vertaling daarvan) ge-
kend heeft, en dat hij zich in een veelheid van geschriften heeft gekeerd tegen de uitwassen van bijgeloof.113
Bij deze editie 1606 hebben we te maken met een zeldzaam rechtstreekse herdruk van de hier uitgegeven tekst; de schaarse substantiële varianten zullen in de aantekeningen besproken worden.
Op de voordrachttekst die aan U is voorafgegaan werd hiervóór (p. 43-5) al uitvoerig ingegaan: we nemen voor zeker aan dat de tekst een voor de drukpers omgewerkte versie van die voordracht van een zot met zijn marot representeert. Omdat bijna alle uiterlijke sporen van een rolverdeling ontbreken of zijn uitgewist, is het niet mogelijk om met zekerheid alle regels aan te wijzen die tot de tekst van de marot behoord hebben, al koesteren we toch gerede zekerheid over een aantal plaatsen die we in de aantekeningen nader zullen bespreken. Noodgedwongen volstaan we ermee te wijzen op de mogelijkheid dat de resterende onverwachte wendingen, burleskheden en onzinregels, en in het bijzonder de spreekwoorden, wendingen in zeispreuken, uitdrukkingen en verdraaiingen daarvan, hebben behoord tot de tekst van de marot. In zijn gedrukte vorm lijkt de tekst ook parodiërend te verwijzen naar de rederijkersballade, gelet op de kenmerken die een historielied in die vorm (over Maarten van Rossum) daarvan geeft: ‘... met vele scoone vermaningen ende doctrynen, met oeck gemeyn proverbien ende sluytregelen in elcke clausule [...]’.114
De citaten uit het dagelijkse leven van venters, kijvende vrouwen en hoertjes die een klant aan de haak slaan, kunnen waarschijnlijk het best worden toegeschreven aan de hiervoor met verdraaide stem sprekende zot.

9Gheprint t'Antwerpen met consente van den Hove, op die Camerpoortbrug-9 10ghe, in den Schilt van Artoys, by die Weduwe van Jacob van Liesveldt. Anno 11MDLX.
12Onderteekent, P. de Lens.12



‘Dronckenscap’
