|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
Ulenspieghel
Al op de titelpagina en in de eerste regels van de eigenlijke tekst wordt nadrukkelijk gerefereerd aan de beroemde volksboekheld Ulenspieghel. Zeer waarschijnlijk gebeurt dat vooral om de aantrekkingskracht van deze spotprognosticatie op het 16e-eeuwse koperspubliek te vergroten. Niet alleen verbergt de auteur van deze in 1560 verschenen drukwerkproduktie zijn identiteit achter het pseudoniem ‘sloctoor Ulenspieghel’, ook de houtsnede op de titelpagina verwijst rechtstreeks naar de Ulenspieghelfiguur. We zien 'm daar op jonge leeftijd, terwijl hij bij zijn vader achter op het paard zit en de voorbijgangers, door het oplichten van zijn hemd, een blik gunt op zijn achterste. Een vrijwel gelijke voorstelling kun je aantreffen op de titelpagina van de oudst bekende Nederlandse editie van het volksboek van Ulenspieghel, die in of na 1525 door Michiel Hillen van Hoochstraten in Antwerpen werd uitgegeven.108 Daar verwijst de prent naar het hoofdstukje ‘Hoe Ulenspieghel achter sinen vader sadt op een peert thonende sijn scalcheyt’.109 In de spotprognosticatie heeft de houtsnede geen specifieke functie meer: er wordt niet verwezen naar een bepaalde passage uit de tekst. Tenslotte wordt in een monoloog (r. 13-34) verklaard hoe het komt dat Ulenspieghel, die volgens het volksboek immers al dood en begraven is, toch zijn medewerking kon verlenen aan de totstandkoming van de prognosticatie. De vindingrijke verklaring is: ‘Al sterft er een Ulenspieghel, oft al wort hi verloren, Daer wordtter wel seven daerteghen gheboren’ (r. 30-1). In de rest van de tekst - de proloog en de eigenlijke prognosticatie - wordt vervolgens nergens meer aan Ulenspieghel gerefereerd.
De tekst werd uitgegeven door Marie Ancxt, de weduwe van drukker Jacob van Liesveldt, die na de dood van haar man in 1545 de leiding in het bedrijf had overgenomen en haar activiteiten tot 1566 zou voortzetten. Haar fonds bestond voor een belangrijk deel uit Nederlandstalige volks- en triviaalliteratuur.110
Het enige bekende exemplaar van deze editie wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.111 Het gaat om een uitgave in quartoformaat, bestaande uit één katern van vier bladen. Noch in formaat, noch in omvang wijkt het daarmee af van de vorm waarin serieuze en spotprognosticaties doorgaans werden uitgegeven.
De aantrekkelijkheid van deze spotprognosticatie blijkt uit het feit dat er in 1606 een herdruk van verscheen, op de markt gebracht door een uitgever die zich verschool achter het schijn-adres tot Lovendeghem. By Colofon van Bacharach inde Sterre met de Steert.112 Er zijn enkele redenen om aan te nemen dat de katholieke polemist J. David (1545-1613) de kopij voor deze herdruk aan ‘Bacharach’ bezorgd heeft. Deze zelfde uitgever gaf namelijk in 1602 (niet in ‘Lovendeghem’ maar in ‘Land-uit’) een duidelijk door de traditie van de spotprognosticatie beïnvloede tekst van David uit, van wie we óók weten dat hij de Pantagruéline Prognostication van Rabelais (of zelfs een vertaling daarvan) ge- | | | | kend heeft, en dat hij zich in een veelheid van geschriften heeft gekeerd tegen de uitwassen van bijgeloof.113
Bij deze editie 1606 hebben we te maken met een zeldzaam rechtstreekse herdruk van de hier uitgegeven tekst; de schaarse substantiële varianten zullen in de aantekeningen besproken worden.
Op de voordrachttekst die aan U is voorafgegaan werd hiervóór (p. 43-5) al uitvoerig ingegaan: we nemen voor zeker aan dat de tekst een voor de drukpers omgewerkte versie van die voordracht van een zot met zijn marot representeert. Omdat bijna alle uiterlijke sporen van een rolverdeling ontbreken of zijn uitgewist, is het niet mogelijk om met zekerheid alle regels aan te wijzen die tot de tekst van de marot behoord hebben, al koesteren we toch gerede zekerheid over een aantal plaatsen die we in de aantekeningen nader zullen bespreken. Noodgedwongen volstaan we ermee te wijzen op de mogelijkheid dat de resterende onverwachte wendingen, burleskheden en onzinregels, en in het bijzonder de spreekwoorden, wendingen in zeispreuken, uitdrukkingen en verdraaiingen daarvan, hebben behoord tot de tekst van de marot. In zijn gedrukte vorm lijkt de tekst ook parodiërend te verwijzen naar de rederijkersballade, gelet op de kenmerken die een historielied in die vorm (over Maarten van Rossum) daarvan geeft: ‘... met vele scoone vermaningen ende doctrynen, met oeck gemeyn proverbien ende sluytregelen in elcke clausule [...]’.114
De citaten uit het dagelijkse leven van venters, kijvende vrouwen en hoertjes die een klant aan de haak slaan, kunnen waarschijnlijk het best worden toegeschreven aan de hiervoor met verdraaide stem sprekende zot.

| | | |
| |
Een schoone ende wonderlijcke prognosticatie van sloctoors Ulenspieghels calculatie,2
in beede boeverijen seer hooghe gheleert,3
daeromme wort hi van groote hanssen gheëert.4
Naer d'ezele conste ghepractiseert sonder abuys5
op den meridiaen van 't verrevermaerde gasthuys.6
Coopt, leest, lacht ende wilt wel verstaen,7
daer en cleeft gheen dertichhondert guldens aen.8
9Gheprint t'Antwerpen met consente van den Hove, op die Camerpoortbrug-9 10ghe, in den Schilt van Artoys, by die Weduwe van Jacob van Liesveldt. Anno 11MDLX.
12Onderteekent, P. de Lens.12
| |
Ulespieghel spreect
Eens was ick gheboren en dickmael genoopt. 14
15
Mijn ouders hebben tevergeefs op mi ghehoopt,
want ick en wilde noyt mijn leven niet veel dueghen,
Nochtans en looch ick noyt cleene lueghen.
Al was uutermaten avontuerlijc mijn beghin,
't Vervolch en was niet avontuerlijcker te min.
20
En al meent eenyegelijck mijn guychelspel te weten, 20
Ick en hebber nochtans noyt maer drie bescheten,
Maer ick hebber veel beveesten ende bedroghen; 21-2
Segdy contrarie, soo hebdy seer gheloghen. 23
Veel hoopten en baden dickwils om mijn sterven,
25
Maer quaet cruyt can al te qualijck bederven. 25
Veel meenen oock dat ick doot ben en overleden,
Maer Ulespieghel leeft noch op den dach van heden. 27
Al sijn die menighe seer herdt van opsette, 28
Sy draghen nochtans Ulenspieghel onder die bonette. 29
30
Al sterft er een Ulenspieghel, oft al wort hi verloren,
Daer wordtter wel seven daerteghen gheboren.
Aldus en can ick my tot sterven niet begheven,
Want Ulenspieghel sal eewelijck blijven leven.
't Is een fray constenaer die my heeft gheweven.
| | | |
| |
Die Bachtenloghe35
Ick en weet wat van dees pronselinghe scrijven, 36
Nochtans waer 't jammer dattet achter soude blijven. 37
Aldus wil ick myselven daertoe gaen stouwen
Om een cleen prognosticatiken te brouwen.
40
Ende eerst voor de protelloghe suldy weten, 40
Dat ghi d'eerste beetken moet nuchteren eten, 41
's Morghens als ghy uut uwen bedde coemt ghesprongen.
Soo d'ouders pijpen sullen, so danssen die jonghen.
Ick wil u nu hier in 't smalle gaen verclaren 44
45
Wat ons toecomen sal van oude verre jaren
Ende wat ons eerghisteren staet te gheschieden,
Want dat gheleden is, is goet te bedieden. 47
Dus luystert naer my ende wilt den keest smaken. 48
Die minst gheslapen heeft sal aldermeest waken.
50
Al en come 't niet juyste alsoo 't hier staet ghescreven, 50
Denct 't sal noch comen, muechdy langhe leven. 51
Die 't niet en wil ghelooven, die gae sijn ganghen,
Hy en sal oock gheenen aflaet ontfanghen. 53
Ick pleghe te schrijven veel wonderlijcke grillen
55
Van ijseren, tinnen, houten en ghelasen brillen,
Hoe men 't volck nu daeraf siet vliën en wijcken,
Omdat si al leeren door die vingheren kijcken. 54-7
Swijcht nu Protelloghe, ick wil gaen beghinnen. 58
Tsjarent sullender veel meyskens liever naeyen dan spinnen. 59
60
Die meest in de kuecken is, crijcht die beste vinnen. 60
| | | | | | | |
| |
Van den eclipsis der manen61
Eclipsis, mipsis, hipsis, pripsis, calipsis, 62
In 't hooghe schaelliënhuys, sittende op den tripsis, 63
Driëndertich halve mijlen van 't Drakenhoot, 64
65
Ontrent van sesthien scherpe puncten groot. 65
Ick en weet van naelden, messen oft spellen; 66
Gheraedt ghij er selve naer, ick en can niet tellen.
Den eclips sal dueren in 't keeren en in 't wenden al 68
Van dat hi beghint totdat hi voleynden sal,
70
Tsanderdaechs voor Bamisse, te vijfthien uren 70
Voor de noene, sal men dit al sien ghebueren.
Seer groot ende wonderlijck wort sijne operatie 72
In kisten, tesschen, borssen en lappen t'elcker spatie, 73
Sonderlinghe in de mijne, dies ben ick onverdult. 74
75
God betert, sey vrouw Backers, en het was huer schult.
Noch sal hy causeren veel siecten ende plaghen, 76
Door veel slampampens verquaedde maghen, 77
Leepe ooghen, roode nuesen en bevende handen. 78
D'oude wijfkens hebben ghemeenlick quade tanden.
| |
Van die regerende heeren des jaers80
Venus en Mars sullen dit jaer meest regneren: 81
Mars in 't oorloghen en Venus in 't boeleren. 82
Ende in de winter comender noch drie in 't lant:
Monsieur Blaeubeck, Druypnuese en Clippertant. 84
85
Die niet en wil betalen, schabbeken is goet pant. 85
| |
Van die vier tijden des jaers86
Ende eerst van den lenten
Die lente beghint en springt uuter muyten 88
Als 't loof en die bloemkens beghinnen uut te spruyten.
90
Och, hoe vrolick sal wesen elck venuscamenierken, 90
Makende met die liefste een blijde chierken, 91
Als een dierken doorschoten met Venus' schichte! 92
't Is: ‘Al goeden avont, cousijn’, ‘God groete u, nichte’. 93
| | | |
Zon
| | | |
Sy schicken 't seer lichte; 't is: ‘Vaert wech verdriet’.
95
Maer corts daernaer gaet den buyck op dat men 't siet. 95
Dan is 't: ‘Och lacen, och ermen, noyt meerder plaghen!’. 96
't Ware al lecker dinck, moest men gheen kint draghen: 97
Men vonde nauwe een maecht op seven mijlen in 't ronde. 98
Sy ontsien het kintdraghen meer dan die sonde. 99
100
Dees leelijcke wijfs sullen 't oock seer quaet hebben,
Die de mans een luttelken fraey en delicaet hebben. 101
Want die leelicste vrouwen, het dient hier vertelt,
Sullen meest zijn met die jalousije ghequelt.
In dees tijt sullen sulcke mans niet om verroecken 104
105
't Wijf wel laten sitten en een schoonder soecken.
Dan sal 't wijf allesins loopen ende rinnen:
‘Och, waer is dees man? Ick moet ontsinnen!’ 107
Tsavonts als hy thuys coemt wordt er groot ghekijf:
D'een sal roepen en tieren, d'ander sal smijten op 't lijf. 109
110
Van sulck bedrijf soude men wonder verhalen: 110
‘Ick behoef 't selve wel, ghi en dorft elders niet dralen,’ 111
Sal 't wijf segghen, ‘Ick wou dattet ware d'laetste.’ 112
Maer die de slaghen vangt die hevet 't quaetste.
Van sulcx vele te hooren ben ick wel ter cuere moe. 114
115
De pot loopt overe, nichte, sluyt die duere toe. 115
| |
Van den somere
Als die lente uut is, 's morghens naer de noene, 117
Beghint de somere met den heeten saysoene.
Dan mueghen die meyskens wel, die seer verladen sijn, 119
120
Henlieden in Sint-Jorisvissop baden fijn. 120
Want door die groote hitte sal men dan seere sweeten. 121
Sonder vier sal men qualick ovens connen heeten. 122
Dan comen die hontsdaghen en, soo 't volck wil callen, 123
Sullender alteveel misbrieven vallen. 124
125
Dan sal men oock thiende gheven van d'elfste schoven. 125
't Is: ‘Wacker knapen, wacker, laet seere hoven!’. 126
Dan sullen wy wel gaen brassen en vullen ons maghe.
Kase en broot, is dat ghebrast? Meester, 't is de plaghe. 128
| | | |

‘Dronckenscap’
| | | |
| |
Van den herft
130
In den herft sal men de welgheleerde seere soecken
Om appelen te lesen in allen hoecken. 131
Dan sal men t'Antwerpen roepen om den cost: 132
‘Hoort, mijnheeren, hoort! Ick hebbe goeden Rijnschen most! 133
Hael most, vrouwenlost die rueck en smaeck heeft!’ 134
135
Diesulcke wel om een os te crijghen eenen baeck gheeft. 135
Dan sal 't sijn: druyfmisse, appelmisse en peermisse, 136
En dronckaerts sullen dan hebben kermisse,
Drinckende by maten, dat 's: met potten en pinten. 138
En door het overgheven sal de weerdinne wel quinten. 139
140
Dies sullender tsanderdaechs veel ligghen, ick wedde, 140
Seer stenende van die keldercortse te bedde. 141
Maer om haest te becomen van sulcken verseere, 142
So moeten si achtervolghen dese nuttelijcke leere: 143
Is 't dat van drincken u 's morgensvroech
145
Deert het hooft oft hant versleten beeft,
So sult ghi nutten voor u ghevoech
Van het hayr des honts die u ghebeten heeft. 144-7
Tsavonts droncken: ligt nere; 's morghens sieck: drinct were. 148
Dit is die leere van Alexander; d'een fenijn verdrijvet d'ander. 149
150
Jan Pockaert met sijn verrotte schinckelen 150
Mochte op dit pas wel beghinnen te hinckelen. 151
Och ghildekens, ghildekens, dat sal u temmen! 152
't Is quaet water, sey de reygher, en hy en cost niet swemmen. 153
| | | |
| |
Van den winter
155
Men ghebiet ende laet weten van 's wintersweghen, 155
Dat ghi u moet van hout stofferen tedeghen, 156
Want 't sal cout sijn voorwaer in 't water als 't vriest.
God seghen u, compere, 't is wel gheniest. 158
Men sal niet veel coeyen in 't velt sien bijsen. 159
160
Jan Asschevijster sal het vier seer prijsen. 160
Daer wort sonder hout, steen, bert oft hamere 161
Ghemaect seer menighe gheschilderde camere. 162
Die winter is een vreemt ende onweert gast,
Maer Coppen Bontepelsse daer luttel op past. 164
165
't Sal reghenen als 't nat valt, ende sneeuwen mede,
Vriesen, haghelen en waeyen, soo 't laetstmael dede.
Och, hoe wel smaect by 't vier dan een lecker bete! 167
Vangt dat, sey de duyvel, en hi liet een schete. 155-68168

| | | |
| |
Van pays ende oorloghe169
170
't Wort oorloghe, 't wort pays; 't wort al dat men wille.
Raept op, knecht, sey de vrou, daer ontvalt mijn spille. 171
Door Martis' oppositie salder veel ghedrays wesen, 172
Maer door Venus' conjunctie sal 't wederom pays wesen. 173
Dit jaer en sal men niet veel kijven sonder spreken.
175
De vorsch sal dicwils teghen die crane willen steken. 175
De man sal op 't wijf dickwils vergrammen.
D'wijf sal 's mans hooft met eenen stoele kammen. 177
't Is tweëndertich jaer leden, luttel meer oft min,
Datter een oorloghe sal nemen haer beghin, 179
180
Daer sooveel ruyters sullen blijven ende knechten,
Datter seven vrouwen om een broeck sullen vechten. 181
Byloye, ick wil mijn broecken wel nauwe bewaren 182
Om daer eenen hoop vrouwen mede te vergaren!
Hoe ruyterlick sullen se malcanderen trommelen! 184
185
Dan sal ick in den hoop met al mijn broecken sommelen. 185
Ha ha, hoe sullen se onder die wijfs ghesletert sijn! 186
Een goey eerlijc vrouwe en mach niet verbetert sijn.
| |
Van den goeden ende dieren tijt188
Dit jaer sullen die vruchten eenen grooten loop hebben. 189
190
Al dat men ghegeven crijcht sal men goeden coop hebben.
Daer men leckerlick eet, sal men maken goey chiere. 191
't Sal al redelicken coop sijn, is 't niet te diere. 192
Het coren sal dit jaer vercocht worden by maten. 193
Dies veel incomen heeft, het sal hem baten. 194
195
Men sal coren en haver ter merct brenghen in sacken.
T'Antwerpen sal men veel boeckweykoecken backen.
‘Loopt, loopt, Lisken, loopt, die boter is goede coop!’ 197
Men gheeft twee potten melcx voor eenen stoop. 198
Isser veel wijns ghewassen, men salder veel drincken. 199
200
Is 't anders, men sal se te poverlicker schincken. 200
't Sal goet sijn wijn te drincken met vollen horten,
Maer men sal gheen op 's vyleyns tafel storten. 202
Want datter ghebreck is, 't sy van anders oft van desen, 203
Van quade wijfs en salder ymmers gheen ghebreck wesen.
| | | |
205
Want Lijse Vroechrijpe en Beele metten tuyten
Schrijven in 't vierde bladt die Hebreeusche cluyten: 205-6
‘Hoort, goey mannen, hoort, wildy wat nyeus inbijten? 207
Een oude baghijne sal eenen nyeuwen foey schijten.’ 208
Maer liever haddick die pensen van een vercken.
210
Rasch in 't jonckwijf, knecht, de vrouwe is ter kercken! 210
| |
Van den loop ende cours der manen
Als die mane nyeu is, sal se seer cleen blincken. 212
Sulcke een groote koe hadde Gille Verclincken: 213
Als se vol is, sal se gheheel ront wesen, 214
215
Maer soudse altoos so blijven, het soude te bont wesen.
Als d'oude mane uut is, dan sal se weer vernyeuwen,
Die 't niet en wil ghelooven, die vraghe 't Hieuwen. 217
Al stondy op der kercken boven den weerhane, 218
Nochtans sal 't quaet pissen sijn teghen die mane. 219
220
Men vint veel mans t'Japick met quade broecken ane. 220
| |
Van die veranderinghe des weers
Als 't schoon weer is en die quaey wijfs niet en kijven,
't En sal niet haest veranderen, willet alsoo blijven. 223
Maer als 't verandert en nat beghint te vallen,
225
Dan sal 't reghenen, haghelen oft seer sneeuballen. 225
Maer al siet de locht leelick, en vervaert u niet, 226
't En is niet al reghen dat altemet leelick siet. 227
Want waer 't al reghen dat leelick siet op malcanderen,
Veel vrouwen souden dickwils in reghen veranderen,
230
Dies die mans hen drincken souden van droefheyt sat. 230
Vrouwe, wat lofdy u eyeren? De korf heeft een gat. 231
| |
Van die principale steden
Van Antwerpen
T'Antwerpen sal 't in den winter op 't strate vuyl sijn.
235
Veel sullender spelen van cust nu mijnen cuyl fijn, 235
| | | |
Laten hen lappen sien en 't gat aen de poorte vaghen. 236
Veel meyskens sullender nae d'oude behoorte waghen 237
Huer casteelkens te bestormen met cleen ghewelt. 238
Dan sal die vrouwe segghen: ‘Meysken, daer is u ghelt.’ 239
240
En als si sullen gheproeft hebben dat lecker morseel, 240
Dan sullen si gaen sitten in eenich bordeel
En crijghender dan die pocken door alsulck gheploch. 242
Gheraedt waer si varen? In 't gasthuys. Doen se? Jae, si toch. 243
Elck sal daer doen, maer 't wort in 't drinken goet bescheet. 244
245
‘Beso los manos, seinnor de vuestra merceed.’ 245
Die vroukens sullen gaen op si joffrouschs met doecken fijn. 246
‘Car j'ay veu son robin, ma mere, je veulx Robijn.’ 247
| |
Van Bruessele
Die Bruesselaers en mueghen wi niet vergheten:
250
Al sijn se lecker, si mueghen noch wel kiecxkens eten. 250
Maer een quaet vuyl wijf dient wel ghesmeten. 251

| | | |
| |
Van Lueven
Vis disputare? Ita. Quid est ita? Ick en weet 's niet. 253
Soo sijdy dan victus; 't is een schotel bescheets, siet. 254
255
Soo sullen achter straten loopen dees jonghe clercxkens. 255
Maer die groote sullen maken seer luttel wercxkens
Van in huyskens van luxuriën 's nachs te loopen, 257
Al souden si boecken, cleeren en credit vercoopen. 258
Ende want se van den Keyenberch soo sijn besmit, 259
260
Daeromme so sijn se op dees dillekens temeer verhit, 260
Soodat kappe en kuevel dicwils blijft voor 't ghelach. 261
Hou seg, hou! Is moeyer niet thuys? Alle goeden dach! 262
| |
Van Ghendt
't Sal dit jaer te Ghendt dicwils al over noene gaen. 264
265
Want die clocke salder een telcken saysoene slaen. 265
Veel sullender maken den poyaert en den moyaert, 266
Maer de waghens sal men vinden ontrent den Hoyaert. 267
D'wijf die den tol ontfangt spreect beter dan een stomme;
Conde se niet spreken, ick gaver noch twee corten omme. 269
270
Waerdy te Ghendt by een meysken alleen in haer celle, 270
Wat soudy se doen? Omhelsen! Soudy? Jae ick. Dat 's een gheselle! 271
Preut, sey de duyvel, en hi werp eenen Wael in de helle. 272
| |
Van Brugghe
't Is daer oock: ‘Beso les manos’, ‘Jan, coemt, cust mi nou’. 274
275
't Isser al berockelt! Dies gheve ick hem eenen jou. 275
't Sal te Brugghe redelijck al goeden spoet hebben,
Maer die rijcke lieden sullen d'meeste goet hebben,
Dees meyskens wordender seer haestelijck vlugghe: 278
Gheeft men se eens de nope, si vallen op den rugghe. 279
280
Alle bate helpt, sey de zee, en si piste in de mugghe. 280
| | | |
| |
Van Mechelen
Hebt u nu cloeckelijck, ghi Mechelse hanssen, 282
Oft Sinte-Gurck sal tot uwent comen danssen. 283
Wacht dat ghi niet, hoe dat u wijf kijft oft bast, 284
285
Voren en woont daer men de torven tast. 285
En ghi wijfs, om vry te sijn van sulck achterdincken, 286
Wilt Sinte-Gurcken dapperlijck beschincken, 287
Oft hi sal comen danssen voor u duere onversaecht,
In teeken dat ghi voorslaept en de broeck oock draecht. 289
290
Voorwaer, die een quaet wijf heeft, is deerlick gheplaecht!
| |
Van Iperen
‘Die ruese coemt, den draeck die volcht ernaer’, 292
Sullen de clocxkens spelen op den Tuyndach aldaer. 293
Al sijn die banckerotiers van de lotherie om den hoeck, 294
295
Nochtans schijt de lotherie in hueren broeck.
't Is wel ‘lotherie, dieverie’, soo men pleech te segghen,
Maer mocht ick 't hoochste lot crijghen, ick sou noch inlegghen.
Iperen sal nemmermeer in eenich beluyck quelen, 298
Want die borghers connen nu al crijchsghebruyck spelen. 299
| |
Alle d'ander Brabandtsche ende Vlaemsche steden
Sullen alle dit jaer leven in grooter vreden,
Sooverre als 't volc malcanderen niet en ontbiedt voor recht, 302
Sooverre als nyemant en slaet, stoot, kijft oft vecht.
De reste sal men weten als 't al openbaer is.
305
Men sal gheen procureurs vinden die segghen dat niet waer is. 305
| |
Conclusie
Adieu, tot weertastens toe, God wil u ghesparen wel. 307
Bidt voor my als ick achterstae, dat ick mach varen wel. 308
|
108NK 2088, ex.: KB Kopenhagen. Vgl. voor datering Vervliet 1973. Moderne edities: Ulenspieghel ed. 1943 en Ulenspieghel ed. 1948. Vgl. i.h.a. Debaene 1970 en Honegger 1973.
109Ulenspieghel ed. 1943, 5-6; Ulenspieghel ed. 1948, 3-4.
110Rouzet 1975, 129-30; Resoort 1971.
111BT 4360; BB, IV, 738; Zech-Du Biez 1903, nr. 109.
113Andere fake-adressen: ‘A Forchamp, Chez Colophon de Bacharach’ (1602); ‘Tot Lovendeghem, By Roosemondt Goemare, inden Voghelensanck’ (1606); ‘Tot Uranopoli In 't huys der Waerheydt’ (1611); ‘tot Hadopoli. By Poniroponus’ (1611). Vgl. BB, V, 76, 78-9, 90-1 en 91. Vgl. voor David voorts de inleiding op L (p. 163).
2Van, d.i. op basis van. sloctoor, verhaspeling van doctoor, met gedachten aan slocken, d.i. vreten en/of zuipen. Komische verbastering van deze titel was populair; vgl. b.v. K 9: bottoor, Geuzenliedboek, dl. I (ed. P. Leendertz, 1924), p. 74: snottoor en MRG, i.v.: sottoor. Ulenspieghel, pseudoniem van en spotnaam voor de auteur, ontleend aan de gelijknamige hoofdpersoon van het volksboek (vgl. inleiding op deze tekst. Men heeft reeds veel veronderstellingen gedaan over herkomst, betekenis en implicaties van deze naam, waaronder die van ‘spiegel der dommen ( en/of zotten)’ hier, ter typering van de humoristische en parodistische aard van de spotprognosticatie, zeker zal hebben gefunctioneerd. Deze tekst is wsch. de vroegst bekende waarin de Ulenspieghelfiguur buiten de context van het volksboek optreedt.
3In beede boeverijen, verdraaiing van de term ‘in beide rechten’ (= Lat.: ‘doctor iuris utriusque’), nl. het kerkelijk en het wereldlijk recht. Welke boeverijen er bedoeld kunnen worden, blijkt uit een zelfde grap in de Practica Teutsch (vgl. Appendix C, nr. 20) ‘... gemacht durch Eselberti trinckgern, yn beyden rechten, Trinck aus; Schenck ein, Doctoris [...]’, of in La prognostication des prognostications (vgl. inleiding, p. 34): ‘... composée par Caresme Prenant, Docteur es deux Facultez de Bacchus et de Venus [...]’.
4groote hanssen, hooggeplaatste lieden ( hanssen = wsch. ironisch-dubbelz. voor ‘sullen’ en refereert daarmee mgl. aan de hooggeplaatste maar makkelijk te bedriegen lieden uit het volksboek).
5ezele, verhaspeling van edele. Vgl. ook K 6 en 15.
6meridaen, astrol. term gasthuys, tehuis voor armen en zwervers; als grappig contrast met serieuze prognosticaties die gecalculeerd heetten te zijn op de meridiaen van een bekende stad.
7wel verstaen, goed begrijpen.
8D.w.z. ‘het drukwerkje kost niet veel’.
9consente, toestemming. van den Hove, d.i. van het Hof te Brussel.
12P[ hilip] de Lens, secretaris der Geheime Raad in Brussel, namens welke hij octrooien als deze ondertekende. Als zodanig actief tussen ca. 1546 en ca. 1566 (vgl. BB VII, 288).
14dickmael genoopt, dikwijls aangespoord of gestraft. Mgl. een woordspel met of corrupte weergave van gedoopt; vgl. althans Ulenspieghel ed. 1948, p. 1: ‘Hoe Ulespieghel driemaal op eenen dach ghedoopt was als hi gheboren was.’ Samen met r. 15-6 is het hier dan een verwijzing naar de jeugd van Ulenspieghel zoals beschreven in het volksboek, want ook daar wordt hij dikwijls gemaand om een eind te maken aan zijn ondeugden.
20guychelspel, bedrog, spot.
21-2Deze regels verwijzen naar de talrijke fecalische wapenfeiten van Ulenspieghel in het volksboek. maer = slechts; bescheten en beveesten = dubbelz. voor ‘voor het lapje gehouden’ en lett. ‘ondergescheten’.
23Segdy, segt ghy. contrarie, (het) tegendeel. hebdy, hebt ghy. Deze opmerking wordt wsch. gemaakt in samenspel met de marot of met het publiek.
27Ulespieghel, hier (en in de regels 29, 30 en 33 steeds) als het type van de graag spottende en bedriegende schavuit.
28Al is menigeen zeer vastberaden, serieus.
29Wsch. een variant van de uitdr.: ‘er schuilt veel boeverij onder de kap’ (vgl. Harrebomée I, 73 a), d.i. hier: menigeen heeft heimelijk of zonder het te weten Ulenspieghel-neigingen of -sympathieën ( bonette = hoed).
35Bachtenloghe, verhaspeling van prologhe, met bachten (= achter) als tegenovergestelde van Lat. pro (= voor). Hier mgl. opgevoerd als sprekend personage, ‘gespeeld’ door de marot; vgl. ook de gepersonifieerde Protelloghe in r. 58. Het verschijnsel van de zgn. ‘spelende proloog’ is ook bekend uit een aantal rederijkersspelen (vgl. bv. Hummelen 1968, nrs. 1 H 7 en 7 13 en W.M.H. Hummelen, Sinnekens i.h. rederijkersdrama, 1958, p. 167-202). De hele tekst wordt beheerst door het spel tussen zot, marot en publiek, zoals nog blijkt uit interrupties als in r. 23, 58, 128, 158, 243, 253-4 en 270-1, en ook uit de wsch. aan de balladestructuur ontleende paragraaf-afsluiting met gezegde of spreekwoord. Door de fixatie in druk als leestekst is het moeilijk om uit te maken welke regels door wie werden uitgesproken. Vgl. inleiding, p. 43-7.
36Ick ... wat, ik weet niets. pronselinghe, verhaspeling van pronsel(en), d.i. rommel(en) met gedachte aan pro(g)nosticatie; vgl. K 1, pronstelcatie.
37dattet ... blijven, dat 't achterwege zou blijven.
40protelloghe, verhaspeling van prologhe met protelen, d.i. pruttelen, zeuren. Hetzelfde wordt gepersonifieerd in r. 58; vgl. ook K 7. suldy, sult ghy.
41d'eerste beetken, 't eerste hapje.
44in 't smalle, omkering van de vaste formulering ‘in het brede’, waarmee men placht aan te kondigen dat iets uitvoerig en diepgaand behandeld zou worden; nu fungerend als brevitas-formule: ‘in het kort’ (vgl. Lausberg 1960, dl. 1, p. 154).
47Want wat verleden tijd is, is goed te duiden. Dit mag men opvatten als een hekeling van de door de verdedigers der astrologie vaak gehanteerde methode van de astrologische geschiedbeschouwing, waarbij men ten bewijze van de waarheid der astrologie achteraf vaststelde wat de relatie was tussen bepaalde voorvallen en gelijktijdige hemelverschijnselen; vgl. ook K 12-4.
48den keest smaken, uitdr.: het fijne van de zaak begrijpen ( keest = kern, pit).
50Al ... juyste, al komt het niet zo uit.
53aflaet, door een geestelijke na de biecht verstrekte (en in de 16e eeuw door de Roomse kerk kwistig rondgedeeld en verkocht bewijs van) vergeving van tijdelijke zondestraffen; ghelooven in r. 52 wordt hierdoor dubbelz. voor ‘geloven in God’.
54-7Deze regels vormen een variant op een bekend spreekwoord waarin de uitdrukkingen ‘zonder bril zien’ en ‘door de vingers zien’ (in de zin van: ‘net doen of je neus bloedt’, ten eigen bate) met elkaar worden gecombineerd tot een vorm als: ‘die door de vingeren kan zien heeft geen bril van doen’ (vgl. Harrebomée I, 91 a; WNT 3, 1375 en F.A. Stoett, Ndl. spreekw., spreekwijzen, uitdr. en gezegden, dl. 2, 1916, p. 387, nr. 2282).
58Vgl. aant. r. 35 en 40; het in de woordspeling vervatte protelen = pruttelen heeft hier, doordat het min of meer als scheldwoord gebruikt wordt, ook de bijbetekenis van het pruttelen uit alle daarvoor in aanmerking komende lichaamsdelen, dat ook van elders van de marot bekend is (vgl. inleiding, p. 36-43).
59Tsjarent, volgend jaar. liever ... spinnen, uitdr.: liever onkuis dan kuis zijn, liever ledig dan onledig zijn; naeyen = dubbelz. voor neuken; spinnen = bekend beeld voor deugdzaamheid (vgl. J.B. Bedeaux e.a., Tot lering en vermaak, catalogus 1976, p. 41-3 en 49, Degroote 1947, p. 333, r. 163, en ook L 235).
60vinnen, stukjes vlees, hapjes.
62Wsch. in betekenisloze parodie op toverformules als ‘hocus pocus pas’, al hoeft het geen toeval te zijn dat de beginletters van deze brabbelwoorden overeenstemmen met die van termen en jargon uit titel en proloog (resp. m eridiaen, h uys, p rognosticatie en cal culatie).
63schaelliënhuys, huis met dakpannen; wsch. met gedachten aan de astrol. term huys. Tevens een bekende, vaker voorkomende Antwerpse huisnaam (vgl. Cartotheek Stadsarch. Antwerpen), zodat een referentie aan één bepaald huis (met voor ons onbekende implicaties) tot de mogelijkheden behoort. tripsis, mgl. een verwijzing naar de astrol. term ‘driehoek’, dubbelz. voor een driepotig krukje (vgl. ook S 63).
64mijlen, astrol. term en ‘aardse’ afstandsmaat van 2000 schreden. Drakenhoot, astrol. term; mgl. dubbelz. verwijzend naar een zo geheten huis.
65puncten, astrol. term: synoniem van graad; hier dubbelz. voor spitsen.
66Ick en weet, ik weet niet. spellen, spelden.
68eclips, eig. astrol. term; hier dubbelz. (vgl. r. 73-4) voor gebrek, schaarste. Het gebruik van deze in de hier uitgegeven teksten populaire term ‘... in schertsende toespeling op eene verdwijning van iemands middelen’ (vgl. WNT 3, 3771) is ook van elders bekend.
70Tsanderdaechs, de volgende dag. Bamisse, Sint-Bavodag (1 oktober), de dag waarop de jaarlijkse pacht en huur geïnd werd.
73borssen, geldbeurzen. t'elcker spatie, op elke plaats, overal.
74Sonderlinghe, vooral. dies ... onverdult, hierover ben ik vergramd.
76hy, nl. de eclips. causeren, veroorzaken.
77slampampens, geslemp. verquaedde, bedorven.
82boeleren, liefde bedrijven, vrijen.
84Blaeubeck ... Clippertant, drie spotnamen voor personificaties van de (gevolgen der) winterse kou. Clippertant en Druypnuese treden, ook wel in elkaars gezelschap, vaker op in onze literatuur ter typering van armoelijders en zwervers. Vgl. bv. Dietsce Rime (ed. K. de Gheldere, 1896), p. 140, VGD ed. 1899, p. 103, r. 23, Styevoort ed. 1930, dl. l, p. 159, r. 4, Ordinantien 1560, fol. [A2] recto, A 31 en S 26, en vgl. ook VGD ed. 1899, p. 93, r. 11-8.
85schabbeken ... pant, uitdr.: er is altijd nog wel iets om te verpanden ( schabbeken = versleten manteltje).
88springt uuter muyten, uitdr.: springt tevoorschijn ( muyte = kooi); vgl. ook aant. A 35.
90venuscamenierken, lichtzinnig meisje.
91Pret maken met haar geliefde.
92Venus' schichte, pijl door Venus afgeschoten ter opwekking van liefde.
93Weergave in dialoogvorm van de manier waarop het venuscamenierken haar liefste aan de haak slaat; cousijn en nichte zijn eufemistische aanspreekvormen voor ‘vrijer’ resp. ‘vrijster’.
95gaet ... op, zwelt de buik.
96Och lacen, uitroep: och wee. meerder, groter.
97't ... dinck, d.i. het zou al te mooi zijn.
98Men vonde, men zou vinden. nauwe, amper.
99ontsien, zich schamen voor, opzien tegen; vgl. voor dit standpunt ook Jan de Weerts Nieuwe Doctrinael (ed. J. Jacobs, 1915), r. 1072-7.
101Die een beetje flinke ( of levenslustige) en aantrekkelijke echtgenoten hebben.
104niet om verroecken, allergekst (?). De bet. van verroecken is onzeker, doch het meest wsch. dezelfde als die van verrocken, nl. ‘gek worden’ (vgl. P.G.J. v. Sterkenburg, Een glossarium v. 17e-eeuws Nederlands, 1975, i.v., en ook het Duitse verrücken; Ulenspieghel 1606 heeft ‘verbeterd’ tot het evenmin heldere vertroecken); niet om ... is een omschrijving van de superlatief.
107ontsinnen, waanzinnig worden.
109smijten, slaan, meppen.
110wonder verhalen, wonderlijke dingen (kunnen) vertellen.
111Ick... wel, nl. dat wat de echtgenoot met een andere vrouw uitvoert. ghi... dralen, je hoeft niet elders rond te hangen.
112Ick... d'laetste, d.i. ik eis dat het de laatste keer geweest is(?).
114ter cuere, door en door.
115Uitdr., blijkbaar: schertsend gezegd tegen iemand die teveel praat; vgl. ook Harrebomée I, 129 a.
120Henlieden... baden uitdr.: zich aan hun geile lusten overgeven. De herkomst van de vele, vooral in 16e-eeuwse literatuur aangetroffen uitdrukkingen met Sint-Jorisvissop (bijna altijd met sexuele implicaties) is nog steeds duister. Vgl. WNT 7, 442-3 en MRG, p. 500-1.
121hitte, dubbelz. voor geilheid.
122vier, vuur. ovens, dubbelz. voor vagina's. heeten, verhitten. Vgl. K 91.
123hontsdaghen, de periode 19 juli - 18 augustus, de heetste tijd van het jaar. callen = kwaadspreken; dubbelz. voor traditionele gelegenheid tot (openbaar?) biechten in deze periode (vgl. ook aant. A 85-6) of dubbelz. verwijzend naar een van de feesten waarop men het recht had elkaar onverbloemd de waarheid te zeggen, zoals bv. in het tegenwoordige Sinterklaasgedicht (vgl. Van Gilst 1974, p. 45-6) (?).
124D.i. zullen er veel misdaden in de openbaarheid komen.
125thiende, i.c. de schooftiende, een belastingheffing ter grootte van ééntiende deel van de opbrengst van het weiland. van d'elfste schoven, vormt wsch. een verwijzing naar het ontduiken van de schooftienden.
126Wacker... hoven, d.i. zoveel als: ‘schiet op, jongens, schiet op, laten we flink feestvieren’.
128Wsch. een spoor van woordenwisseling tussen zot en marot. plaghe = gewoonte (dus: ‘dat is alledaagse kost’) of onheil, pest (dus: ‘dat is de pest’).
131lesen, plukken; hier dubbelz. voor het lezen van letters.
132roepen ... cost, d.i. verkoopleuzen uitroepen om aan de kost te komen.
133most, appelwijn. De manier waarop hier een verkoopleus geciteerd wordt, doet sterk denken aan de wijze waarop dat gebeurt in de zgn. ventersliedjes (vgl. daarvoor Pleij en Resoort 1974/5, p. 402-3).
134vrouwenlost, ‘vrouwenlust’, dat wat vrouwen lekker vinden; most stond blijkbaar bekend als een typisch vrouwendrankje (ook blijkens K 289; vgl. ook Styevoort ed. 1930, dl. 1, nr. 83, op de stok: ‘Haelt most wat cost tes vrouwenlost’.
135Diesulcke, zo iemand. baeck, stuk spek.
136- misse, eig. moes; hier dubbelz. in toespeling op H. Mis, eucharistieviering. Vervolgens ook, in de eig. betekenis als eufemisme voor alcoholische drank.
138by maten, met mate; hier dubbelz. voor drinkgerei met zekere inhoud.
139overgheven, dubbelz. voor overreiken (van geld) en braken. quinten, verdienen.
140Dies, hierdoor. tsanderdaechs, de volgende dag.
141stenende, steunend, kreunend. keldercortse, eufem.: kater (van drank).
142haest, spoedig. verseere, kwelling.
143achtervolghen, opvolgen, zich houden aan.
144-7Deze regels geven een nep-recept. Het parodiëren van recepten is een bekend verschijnsel in (volksfeest-)literatuur; vgl. H. Pleij, in: Populaire literatuur (1975), p. 34-106, m.n. 39 en Pleij 1976, p. 59. Ze springen ook in het drukje enigszins in; samen met het feit dat ze, in afwijking van de rest van de tekst, omarmend rijm bevatten, geeft dat te denken dat ze uit een bepaalde bron of bij wijze van citaat van een bekende grappige volkswijsheid zijn overgenomen. het ... heeft (r. 147) = cryptische omschrijving van sterke drank; vgl. Stoett 1974, p. 110, nr. 543: ‘het haar van de hond’, d.i. ‘dat wat het kwaad veroorzaakt heeft, zal het ook weer genezen’, vooral gebruikt m.b.t. katerigheid, en a.w., p. 131, nr. 654: ‘Hij is van de brouwershond ( of des stokers hond) gebeten’, d.i. hij is dronken. Dezelfde auteur meent (vgl. FA. Stoett, in: TNTL 12, 1893, p. 251-67) dat de eerste uitdr. is ontstaan uit het volksgeloof dat men een wond die door een hondebeet veroorzaakt is, kan genezen door er wat haar van het dier op te leggen.
148Deze regel dient als uitleg van r. 143-7. Ook hier noopt het afwijkende rijm tot de veronderstelling dat er, samen met r. 149, sprake is van een ‘citaat’ als in de aant. op de vorige regels omschreven.
149Alexander, een naam die door veel beroemde Arabische medici werd gebruikt, en daarom niet nader te identificeren; missch. juist om die reden hier, als pseudo-autoriteit, genoemd.
150Pockaert, spotnaam voor syfilislijder ( pock = syfilitische zweer). verrotte schinckelen, d.i. met zweren bedekte benen (een symptoom van syfilis).
151op dit pas, d.i. om deze reden, nl. de inhoud van de leer van Alexander: om van een ziekte te genezen (in het geval van Pockaert is dal syfilis), moet men zich nog eens met de ziektehaard (i.c. sexueel verkeer met vrouwen) infecteren. hinckelen, hinken, mank lopen; hier ook in zedelijke zin.
152ghildekens, schuinsmarcheerders.
155van 's wintersweghen, vanwege, namens de winter, die hiermee gepersonifieerd wordt tot uitvaardiger van het mandement. Het personifiëren van de seizoenen gaat i.h.a. terug op de oude volksgebruiken m.b.t. het inhalen en uitleiden van zomer en winter, bv. door middel van het processie-gewijs binnen of buiten het dorp brengen van personen die door die respectieve seizoenen speelden (vgl. Van Gilst 1974, p. 100-2 en W. Liungman, Der Kampf zwischen Sommer und Winter, 1941). Vgl. voor vroegere gedramatiseerde verwerkingen van dit thema ‘Tspel vanden somer ende vanden winter’ (ed. in: Leendertz 1907, p. 436-41) en het abel spel Vanden Winter ende vanden Somer (bv. ed. van G. Stellinga, z.j. 2).
158compere, vriend, i.c. de marot. Vgl. voor de marot als kwistig lichaamsvochten en -dampen afscheidende dwarsligger: inleiding, p. 36-43. 't ... gheniest, eig. in aansluiting op de door r. 157 geïmpliceerde verkoudheid; hier wsch. dubbelz. als uitdr. met de betekenis ‘het is waar’, gezegd als men niest terwijl men iets bevestigt, alsof het niezen een bewijs der waarheid is (vgl. A. de Cock, Spreekw., zegsw. en uitdr. op volksgeloofberustend, dl. 1, 1920, nr. 181).
159bijsen, driftig lopen met de staart omhoog, vaak als gevolg van tochtigheid.
160Asschevijster, spotnaam voor luiaard, voorgesteld als iemand die bij het vuur of de assche zit te vijsten, d.i. winden laten. Het leggen van relatie tussen de produktiviteit van de aars en luiheid was zeer populair: vgl. bv. aant. r. 208 en H 137-9. vier, vuur.
162gheschilderde, d.i. met poep ondergespetterde; wsch. door diarree veroorzaakt via consumptie van winterkost. Vgl. voor variaties op de grap K 190, S 194-5 en H 138-9. Zie ook Soens 1900/2, p. 335.
164Coppen Bontepelsse, scheldnaam voor rijkaard. Vgl. ook aant. H 123.
167vier, vuur. bete, hapje.
155-68Deze passage is bijna letterlijk overgenomen in of uit Ordinantien 1560. Vooralsnog is het niet mgl. aan te wijzen welke tekst hier oorspronkelijker is: vóór U pleit dat de parallelpassage de enige regels op rijm in de betreffende tekst bevat èn dat de regels 155-68, met marot-interruptie, zeispreuk en de andere bekende humoristische procédés uitstekend binnen de rest van U passen; ertegen pleit dat deze regels, als wezensvreemde vertegenwoordiging van het genre van het zgn. spotmandement, eigenlijk beter thuishoren in Ordinantien 1560, dat in z'n geheel een specimen is van dat genre. Spotmandementen zijn t.g.v. volksfeesten e.d. geschreven en voorgedragen parodieën op vanwege de overheid of door verenigigen uitgevaardige mandementen, edicten, statuten, ordinanties, reglementen, enz. (vgl. Pleij 1976, p. 56-7). De onderhavige regels zullen ongetwijfeld als een kort maar uitstekend binnen het geheel passend ‘gastoptreden’ van het ene genre (nl. het spotmandement) in het andere (nl. de spotprognosticatie) herkend en gewaardeerd zijn.
168De parallelregel in Ordinantien 1560 gunt de duivel minder: ‘Vangt dat seyde de Duivel / en liet een cleyn schete.’
171Zeispreuk, wsch. met de implicatie dat de vrou de knecht uitnodigt tot het bedrijven van de liefde; vgl. in deze trant Geuzenliedboek, dl. I (ed. P. Leendertz, 1924), p. 37, r. 14, waar een non een pater tot hetzelfde aanmoedigt met: ‘Jae, jae Pater, kust my eens, en raept myn spille’ (spille = weefklos).
172Martis' oppositie, astrol. term: oppositie van Mars. ghedrays, onrust.
173Venus' conjunctie, astrol. term; waarbij conjunctie hier erotisch-dubbelz. verwijst naar de ‘samenstand’ van minnaars.
175vorsch, kikvors. crane, kraanvogel, de erfvijand van de kikvors; hier samen voorgesteld als oorlogspartijen, wier strijd in serieuze prognosticaties steeds wordt voorspeld met vaste aanduidingen als dat de ene partij tegen de andere ‘zal willen steken’ (vgl. ook H 168).
177met ... kammen, d.i. met een (driepotig) stoeltje op het hoofd rammen. Ook op contemporaine afbeeldingen van echtelijke ruzies ziet men de vrouw vaak zo een stoeltje hanteren; vgl. Bax 1949, p. 16, noot 92 en ook K 31.
179oorloghe, nl. de Gelderse oorlog (1527-1528), die mede gefinancierd werd door Antwerpen. De Geldersen werden daarin gestraft voor het door hen aangerichte onheil in de Antwerpse Kempen (vgl. F. Prims, in: Bijdr. tot de Gesch. bijz. v.h. oud hertogdom Brabant 21, 1938, p. 72-8, m.n. 72).
181Uitdr.: gezegd waar een tekort is aan mannen; vgl. J.B. Vervliet, in: Ons Volksleven 5 (1893), p. 182, nr. 56, J.R. Verellen, in: Oudheid en kunst 35 (1952), p. 58. De ‘strijd om de broek’ is een bekend thema in de laatmiddeleeuwse populaire literatuur en prentkunst; vgl. Pleij 1976.
182byloye, uitroep ter bekrachtiging.
184ruyterlick, ironisch: dapper.
185sommelen, wsch.: frommelen.
186ghesletert, aan flarden gescheurd.
188den dieren tijt, de dure tijd.
189grooten loop hebben, overvloedig groeien of verkocht worden.
191maken goey chiere, uitdr.: het er goed van nemen.
192redelicken coop, redelijk goedkoop, te diere, te duur.
193by maten, met mate; hier dubbelz. voor korenmaten.
197‘Citaat’ van een ventersroep (vgl. aant. r. 132). Loopt ... loopt = zoveel als: ‘kom, kom, meisje, kom’ ( Lisken = aanroepnaam voor een meisje waarvan men de echte naam niet kent).
198stoop, inhoudsmaat; hier in het kader van een evidentievoorspelling, ter grootte van twee potten.
199ghewassen, gegroeid; wsch. grappig gezegd van wijn en niet, naar men zou verwachten, van druiven; vgl. Eduard de Dene, Testament Rhetoricael, fol. 344-5 op de stok ‘Maer ghegroeyde wijn dryncke ick wel’.
200te poverlicker, des te kariger.
202vyleyn, slechterik, schurk. storten, morsen.
203Want, dit redengevend voegwoord wordt hier en in r. 204 gebruikt om scherts-argumenten (die het voorgaande immers in het geheel niet verklaren) in te luiden, wsch. als parodie op de slecht beargumenteerde serieuze voorspellingen.
205-6Deze regels vormen een literaire reminiscentie aan het volksboek Die evangelien vanden spinrocke metter glosen bescreven ter eeren vanden vrouwen (ca. 1520, facs.-ed. G.J. Boekenoogen, 1910), een satire op de babbelzucht en het bijgeloof van vrouwen. Beele mitten tuten figureert daar op fol. A6 verso, terwijl lizen vroech rype vlak daarvóór op A6 recto en later nog eens op C5 recto (als Vrou vroechrijp) optreedt; Hebreeusche cluyten kan wsch. worden beschouwd als een referentie aan het woord evangeliën. Lijse Vroechrijpe = pseudo-autoriteite: eig. spotnaam voor babbel- en minzieke vrouw (vgl. voor het aspect ‘minziek’ van Lijs: WNT 8, 2373-4); Beele metten tuyten = pseudoautoriteite: spotnaam voor babbel- en minzieke vrouw ( tuyten = vlechten, een symbool van lichtheid van zeden; vgl. bv. Spel v. sinne v. Charon, ed. W. de Vreese, 1896, p. 39, r. 458, waar men lichte meisjes vermaant: ‘... die vlechtkens vliet, want deynde is pijne.’); in ... bladt = niet overeenkomend met de bekende edities van Die evangelien... en daarom zo goed als zeker een quasi-nauwkeurige ‘literatuurverwijzing’; Hebreeusche cluyten = schertsende aanduiding van astrol. geschrift ( Hebreeusche = hier dubbelz. voor onverstaanbare, onbegrijpelijke taal: vgl. WNT 6, 231; cluyten = verzinsels, kluchtige vertellingen).
207wildy, wilt ghy. inbijten, gretig nuttigen.
208baghijne, begijn, d.i. zuster van een vrije geestelijke orde, vaak als lui gestereotypeerd (vgl. ook K 190). eenen ... schijten, wsch. een grappige variant van het scheldwoord foeikak, d.i. een zeer lui persoon (vgl. ook aant. r. 160), of burleske grap: foey (= fooi) in de bet. verrassing.
210jonckwijf, dochter des huizes of dienstmeisje. vrouwe, bazin.
213Gille Verclincken, blijkbaar gekozen als typische naam voor boer, zonder duidelijke implicaties.
214Als ... is, nl. de maan; maar hier dubbelz. ook de (uier van de) koe.
217D.i. een variant van aansporingen zoals men die vaker aantreft aan het slot van sterke verhalen; vgl. bv. r. 52 en ‘De strijt tusschen den Haringh en de kabeliau’, in: VGD ed. 1899, p. 195, r. 8: ‘En diet niet en ghelooft / mach het gaen besiene’; Hieuwen is dus wsch. een vanwege het rijm gekozen naam voor een denkbeeldige autoriteit.
219Behalve als evidentie-voorspelling, is deze regel wsch. ook bedoeld als grappige variant op de uitdr. ‘tegen de maan pissen’, d.i. ergens ongelukkig vanaf komen (vgl. Grauls 1957, p. 210-20). quaet = dan dubbelz. voor moeilijk en onvoordelig.
220Japick, onbekend toponiem. met ... ane, uitdr.: de schadelijke gevolgen van iets ondervonden hebben (vgl. Harrebomée I, 92 b). Misschien refereert deze passage (vanaf r. 218) aan één van de vele ‘maanblusserijen’ die men in de loop der eeuwen aan inwoners van diverse dorpen en steden heeft verweten (vgl. J. Cornelissen, Ndl. volkshumor, dl. I, 1929, p. 201-6 en passim). De maanblus-incidenten gaan nl. vaak terug op het feit dat er brandalarm werd geslagen, omdat men de door de raampjes van een kerktoren schijnende maan aanzag voor een vuurgloed; de schadelijke gevolgen voor de mans t'Japick zouden er dan uit bestaan dat ze het onderwerp werden van de spot van inwoners van andere plaatsen.
225sneeuballen, d.i. grappige vervanging van sneeuwen door ‘met sneeuwballen gegooid worden’.
226en ... niet, maakt u niet bang.
227altemet, wel eens. leelick, eig. adjectief bij weersgesteldheid; hier dubbelz. toegepast op kijken.
230Dies, om welke reden of waarvan. In de tweede bet. wordt de strekking van de regel extra ironisch.
231lofdy, looft ghy. De regel in z'n geheel slaat wsch. terug op de ironische dubbelzinnigheid in r. 230 en wil dan uitdrukken dat de droefheyt van de mannen nogal tegenvalt.
235cust ... cuyl, uitdr.: ‘kus me (nu) de kont’, ter aanduiding van onverschilligheid; i.s.m. de uitdrukkingen in r. 236 en de strekking van r. 237-47 wsch. erotisch-dubbelzinnig.
236Laten ... sien, uitdr., zoveel als: ‘de rug toekeren’, als teken van onverschilligheid ( lappen = schoenzolen of het hielgedeelte daarvan). 't ... vaghen, uitdr, zoveel als: ‘er zijn gat mee afvegen’, ter aanduiding van onverschilligheid (vgl. een afb. op Brueghels ‘De Nederlandse spreekwoorden’, Staatl. Museen Berlin-Dahlem).
237waghen, op het spel zetten.
238Overdrachtelijk voor: hun maagdelijkheid ( of eerbaarheid) vrijwel zonder weerstand prijsgeven. cleen = weinig. Vgl. voor dit soort, in de laatmiddeleeuwse literatuur zeer gewone, aan de gewapende strijd en het militaristische spel ontleende, sexueel-dubbelzinnige beeldspraak: Pleij 1972/3, p. 208-13.
239die vrouwe, d.i. de hoerenwaardin.
240als ... hebben, d.i. als ze eenmaal de smaak te pakken hebben. morseel, stuk, i.c. penis.
242pocken, syfilis. gheploch, geploeg; dubbelz. voor geslachtelijke omgang (vgl. bv. Van den Berghe ed. 1950, p. 15, r. 253: ‘... den ploech trecken met grooten labuere’, de aant. t.z.p., Tafelspel van Al Hoy, ed. P. de Keyser, 1964, r. 46, De Roovere ed. 1955, p. 402, r. 5-6 en Van Gilst 1974, p. 162).
243De antwoorden zijn van de marot. In 't gasthuys, deze waarschuwing voor jonge meisjes - hoerdom leidt via venerische ziektes naar het armenhuis - heeft een topistisch karakter; vgl. Schoon Liedekens-Boek (ed. W. Gs. Hellinga, 1941), nr. 171, Eedt 1552, fol. A2 verso-A3 recto.
244Elck ... doen, d.i. elk zal daar heengaan. maer ... bescheet, maar het is zeker dat ze er flink zullen drinken ( goet bescheet = in toepassing op een dronk waarmee men een andere dronk beantwoordt, en hier: vise versa).
245Spaans [eig. las manos]: ik kus de handen van mijnheer uwe genade; d.i. een satirische typering van de galanterie van de leden der Spaanse koopmansnatie, aansluitend op het voorafgaande, en daarmee refererend aan hoerenloperij van Spanjaarden, meer specifiek aan de manier waarop zij door de hoertjes tegemoet worden getreden. Ook onder Brugghe (r. 274) worden Spanjaarden zo aangeduid. Rond 1560 verbleven er een honderdtal in Antwerpen; het centrum van hun handelsactiviteiten lag echter in Brugge. Het ‘beso las manos’ moet een bekende spotnaam geweest zijn: de onderhavige regel vindt men in z'n geheel een aantal keren terug in macaronische spotgedichten (vgl. Petit I, nr. 160, H. Thys, in: Land van Ryen 10, 1960, p. 74-8 en Joris Hoefnagels Patientia, facs.-ed. R.v. Roosbroeck, 1935, p. 21 en pl. VII). In Frans Fraets Een present van Godt Loondt, Grammerchijs, Besolos Manos (vgl. Hummelen 1968, p. 34, nr. 1 D 10) treedt hij, als typische Spanjaard, zelfs als spelend personage op. In 17e-eeuwse literatuur kan men het in een steeds meer verbasterde vorm, bv. als baselmanis (vgl. WNT 2, 1048-9), aantreffen.
246Die vroukens, nl. de hoertjes. op si joffrouschs, ironisch: ‘op z'n juffrouws’, d.i. als echte dames.
247[ veulx verbeterd uit: velux]. Een referentie aan een 14e eeuws Frans dansliedje ‘Ma mère, je veux Robin’, dat handelt over een meisje dat haar verlangen naar een ‘ami’ aan haar moeder bekend maakt, door deze hierom bedreigd wordt met insluiting, maar zichzelf daarop voorhoudt dat ze haar minaar toch wel zal krijgen (vgl. V. Vedel, Ridderromantiek der franse en duitse m.e., 1919, p. 49), als hekeling van de algemene belustheid van meisjes op mannen. In deze context als aanduiding van de eerste stap op weg naar het gasthuis (vgl. r. 243). Robin = dubbelz. voor penis.
250lecker, kieskeurig. si ... eten, d.i. een referentie aan de bekende spotnaam voor Brusselaars, nl. kiekeneters (vgl. J. Cornelissen, Ndl. volkshumor, dl. I, 1929, p. 34).
253Vis ... ita, Lat.: wilt u disputeren? Ja. Wat is ja?; met het eropvolgende ‘Ick ... niet’ is dit een parodie op de disputatio, d.i. een geleerde twistspraak aan de middeleeuwse universiteit. De antwoorden zijn van de marot.
254sijdy, sijt ghy. victus, Lat.: overwonnen; de verliezer van de disputatio. 't ... bescheets, [ bescheets] (ook in Ulenspieghel 1606) verbeterd uit beschees], d.i. 't is niet meer dan een schotel stront, het stelt niks voor of ‘het is doorgestoken kaart’, ‘twee handen op één buik’; vgl. voor het laatste J. Sartorius, Adagiorum chiliades tres (Antverpiae, J. Loeï, 1561), fol. 201 verso, nr. 27, waar de uitdrukking ‘hoeren ende boeven is een ghespan’ wordt gelijkgesteld met ‘daer is een schotel vuijl ghemaect’.
255achter straten loopen, over straat zwerven. clercxkens, studentjes.
257huyskens van luxuriën, bordelen.
258credit vercoopen, kredietwaardigheid verliezen (?). Het thema van de aan lager wal rakende student is reeds bekend in de vagantenpoëzie; vgl. Goliard poets (ed. G.F. Whicher, 1949), p. 109 e.v., 227, 269, 277. Zowel de herbergiers als de klanten hadden het recht om kleding als betaling te eisen, resp. aan te bieden; vgl. B.H.D. Hermesdorf, Herberg in de Nederlanden (1957), p. 152 e.v. (zie ook r. 261).
259want ... besmit, d.i. want ze zijn (namelijk) zo zot. Keyenberch = zotheids-toponiem: eig. een vaker voorkomende naam voor een berg of heuvel, hier dubbelz. voor ‘plaats waar de zotten verblijven’ (vgl. ook WNT 7, 2053 en 2059). Volgens het volksgeloof werd waanzin veroorzaakt door een kei in het hoofd (vgl. ook T 127); besmit = besmeten of besmet.
261kappe en kuevel, uitdr.: alles, hun hele hebben en houden (lett.: kap en mantel); vgl. aant. r. 258.
262Hou, uitroep om opmerkzaam te maken. alle, meew. vw.: iedereen.
264over noene gaen, evidentievoorspelling; tevens dubbelz. als uitdr.: in de war raken (vgl. L.L. de Bo, Westvlaamsch idioticon, 1873, p. 650 b).
265die clocke, d.i. wsch. de Roelandsklok (ook wel: Schepenen- of Banklok), die in 1544 ‘boven in den nieuwen lanteren’ werd opgehangen, waar ze voortaan het uur had moeten slaan. De klok was echter uiterst moeilijk in beweging te brengen en bracht een lelijk geluid voort (vgl. F. de Potter, Gent, v.d. oudsten tijd tot heden, 1883, p. 532-50, m.n. 519-20). salder ... slaen, zal er telkens het uur slaan; d.i., gelet op r. 264, ongetwijfeld een ironische mededeling.
266maken ... moyaert, d.i. de zuiplap en de fat uithangen. poyaert = afleiding van pooien, d.i. zuipen.
267De relatie met r. 266 is niet duidelijk. Lievevrouw-Coopman 1950-1, p. 551 a vermeldt de Hoyaert als naam voor de plaats waar de hooimarkt werd gehouden (M. Gysseling, Gent's vroegste gesch., 1954, p. 50 noemt nog een tweede Hooiaard); mgl. met gedachten aan het motief van de hooiwagen (vlg. A 148).
269corten, kleine muntjes.
270Waerdy, waert ghy. celle = kamertje.
271De marot geeft de antwoorden. soudy, soudt ghy. se, haar. gheselle, maat, makker.
272Variant van bekende zeispreuk (vgl. C. Kruyskamp, Allemaal mensen... Apologische spreekw., 1965, p. 25, nr. 160), waarin een paap in de hel wordt geworpen.
274Beso les manos, vgl. aant. r. 245. Jan ... nou [ nou verbeterd uit nu; Ulenspieghel 1606 heeft ‘verbeterd’ tot een evenmin oogrijmend (quasi-Spaans?) rijmwoord mino], nabootsing van de activiteit der Brugse lichte meisjes, nagespeeld door zot en marot.
275't ... berockelt, blijkbaar: 't is geheel berocheld, nl. het lichaamsdeel (i.c. de hand?) dat de zot op uitnodiging aan de marot heeft voorgehouden voor een kus; vgl. voor deze stereotype marot-actie de aant. op. r. 158, sub compere. Dies, daarom. eenen jou gheven, uitdr.: een jouw, een uitbrander geven.
278haestelijck, onverwacht snel, vroegtijdig. vlugghe, rijp voor geslachtsverkeer.
280Komische omkering van de bekende zeispreuk ‘alle beetjes helpen, zei de mug, en piste in de zee’.
282Hebt ... cloeckelijk, gedraagt u nu verstandig. hanssen, sullen die door vrouwen overheerst worden. Vgl. voor de literaire typeringen van dit soort lieden, vaak hennentasters genoemd, Pleij en Resoort 1974/5, p. 392-6 en Grauls 1957, p. 141-7. Van een dergelijke reputatie van Mechelaars is uit andere bron overigens niets bekend (vgl. echter aant. A. 7-8, sub Hennen).
283Deze regel geeft wsch. een (variant op een) uitdrukking. Sinte-Gurck = blijkbaar de scherts-patroon van de hennentasters, ons alleen bekend uit de 17e-eeuwse krachtterm (b)y Gurcke (vgl. WNT 5, 1308, waar o.i. ten onrechte rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat gurk een verbastering is van God). De naam is missch. een variant van Jurjen of Jeurken, d.i. Joris; deze naam wordt in MRG, p. 500 (s.v. vischsop(pe), opm. III) in verband gebracht met zotten of narren.
285Uitdr.: d.i. zich door de vrouw laten overheersen; vgl. bv. Refreinenbundel ed. 1940, dl. 2, p. 207, r. 28-9: ‘Ic lache als ic Jan treetsacht sie wonen Daermen die torven tast [...]’, Harrebomée I, 314 a: ‘hij is de waard van het turfhok’, en ook K 159. Er is een duidelijke, mogelijk associatieve verwantschap met het woord hennentaster (vgl. aant. r. 282).
286achterdincken, verdenking.
287dapperlijck beschincken, flink op drank trakteren of overladen met geschenken.
289voorslaept, d.i. blijkbaar: ‘in bed de plaats inneemt van de man’, slapend aan de kamerzijde van het bed, terwijl de vrouw achter de rug van de man, aan de muurzijde ‘hoort’ te liggen. Het woord is ons alleen bekend uit de parafrase op het ‘Leenhof der gilden’ (Van den Berghe ed. 1950, p. 37), r. 13, waar ‘[allen die wijffven] die altijt voerslapen’ door de editeur beslist maar nogal cryptisch wordt verklaard met: ‘vooraan in bed, de bedstede liggen, zodat de man “achter de batterij” ligt’. Vgl. ook Volksboek v.d. X esels (ed. A.v.d Elslander, 1946), p. 24, r. 79: ‘Hannen ligt achtere’. en ... draecht, vgl. aant. r. 181.
292Mgl. de titel van een lied, i.i.g. als zodanig gepresenteerde aanduiding van het feit dat de reus na klokgelui tevoorschijn placht te komen, zoals ook in het bekendste reuzenliedje ‘Als de grote klokke luidt / De reuze komt uit’ al aangegeven wordt (vgl. C. de Baere, Onze Vlaamsche Reuskens, 1941, p. 78-9 en F.v. Duyse, Het oude Ndl. lied, dl. 2, 1915, p. 1242-9). De regel refereert aan de feeststoet op Tuyndach (r. 293), waarin ondermeer beelden van een reus en een draak werden rondgedragen.
293Tuyndach, feestdag op de eerste zondag van augustus, gevierd in Ieper ter ere van O.L.V. van Tuin, ter herdenking van haar hulp bij de overwinning over een met Gentenaren verbonden Engels bezettingsleger (vgl. r. 298-9). Vgl. voor de verdere tradities van dit feest A. Vandenpeereboom, Tuindag et Notre Dame de Tuine (1881).
294lotherie, van een met enige regelmaat gehouden Ieperse loterij hebben we geen spoor kunnen vinden; mgl. betreft het hier een referentie aan een t.g.v. Tuindag gehouden loterij, die gedurende een korte tijd enige faam genoot. In de late middeleeuwen werden regelmatig loterijen gehouden, doorgaans met charitatieve doeleinden; vgl. G.A. Fokker, Gesch. der loterijen in de Ndl. (1862) en A. Hallema, in: De nieuwe gids 54 (1939), p. 304-18.
298in ... quelen, onder enige belegering lijden.
299Wsch. als één der festiviteiten op Tuindag.
302ontbiedt voor recht, voor het gerecht daagt.
305procureurs, zaakwaarnemers, advocaten. die ... is, ironisch: ze draaien er nl. altijd omheen, een stereotiepe kritiek in de standensatire op advocaten en rechters (vgl. J. Mann, Chaucer and the medieval estates satire, 1973, p. 89-90). dat = dat 't.
307tot weertastens toe [verbeterd uit tot weertasteys toe], verhaspeling van tot weerzien s toe.
308als ick achterstae, wanneer ik wegga.
|
|