Het zal koud zijn in 't water als 't vriest


auteur: anoniem Het zal koud zijn in 't water als 't vriest


bron: Het zal koud zijn in 't water als 't vriest. Martinus Nijhoff, Den Haag 1980.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 56]

Ulenspieghel

Al op de titelpagina en in de eerste regels van de eigenlijke tekst wordt nadrukkelijk gerefereerd aan de beroemde volksboekheld Ulenspieghel. Zeer waarschijnlijk gebeurt dat vooral om de aantrekkingskracht van deze spotprognosticatie op het 16e-eeuwse koperspubliek te vergroten. Niet alleen verbergt de auteur van deze in 1560 verschenen drukwerkproduktie zijn identiteit achter het pseudoniem ‘sloctoor Ulenspieghel’, ook de houtsnede op de titelpagina verwijst rechtstreeks naar de Ulenspieghelfiguur. We zien 'm daar op jonge leeftijd, terwijl hij bij zijn vader achter op het paard zit en de voorbijgangers, door het oplichten van zijn hemd, een blik gunt op zijn achterste. Een vrijwel gelijke voorstelling kun je aantreffen op de titelpagina van de oudst bekende Nederlandse editie van het volksboek van Ulenspieghel, die in of na 1525 door Michiel Hillen van Hoochstraten in Antwerpen werd uitgegeven.108 Daar verwijst de prent naar het hoofdstukje ‘Hoe Ulenspieghel achter sinen vader sadt op een peert thonende sijn scalcheyt’.109 In de spotprognosticatie heeft de houtsnede geen specifieke functie meer: er wordt niet verwezen naar een bepaalde passage uit de tekst. Tenslotte wordt in een monoloog (r. 13-34) verklaard hoe het komt dat Ulenspieghel, die volgens het volksboek immers al dood en begraven is, toch zijn medewerking kon verlenen aan de totstandkoming van de prognosticatie. De vindingrijke verklaring is: ‘Al sterft er een Ulenspieghel, oft al wort hi verloren, Daer wordtter wel seven daerteghen gheboren’ (r. 30-1). In de rest van de tekst - de proloog en de eigenlijke prognosticatie - wordt vervolgens nergens meer aan Ulenspieghel gerefereerd.

De tekst werd uitgegeven door Marie Ancxt, de weduwe van drukker Jacob van Liesveldt, die na de dood van haar man in 1545 de leiding in het bedrijf had overgenomen en haar activiteiten tot 1566 zou voortzetten. Haar fonds bestond voor een belangrijk deel uit Nederlandstalige volks- en triviaalliteratuur.110

Het enige bekende exemplaar van deze editie wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.111 Het gaat om een uitgave in quartoformaat, bestaande uit één katern van vier bladen. Noch in formaat, noch in omvang wijkt het daarmee af van de vorm waarin serieuze en spotprognosticaties doorgaans werden uitgegeven.

De aantrekkelijkheid van deze spotprognosticatie blijkt uit het feit dat er in 1606 een herdruk van verscheen, op de markt gebracht door een uitgever die zich verschool achter het schijn-adres tot Lovendeghem. By Colofon van Bacharach inde Sterre met de Steert.112 Er zijn enkele redenen om aan te nemen dat de katholieke polemist J. David (1545-1613) de kopij voor deze herdruk aan ‘Bacharach’ bezorgd heeft. Deze zelfde uitgever gaf namelijk in 1602 (niet in ‘Lovendeghem’ maar in ‘Land-uit’) een duidelijk door de traditie van de spotprognosticatie beïnvloede tekst van David uit, van wie we óók weten dat hij de Pantagruéline Prognostication van Rabelais (of zelfs een vertaling daarvan) ge-

[p. 57]

kend heeft, en dat hij zich in een veelheid van geschriften heeft gekeerd tegen de uitwassen van bijgeloof.113

Bij deze editie 1606 hebben we te maken met een zeldzaam rechtstreekse herdruk van de hier uitgegeven tekst; de schaarse substantiële varianten zullen in de aantekeningen besproken worden.

Op de voordrachttekst die aan U is voorafgegaan werd hiervóór (p. 43-5) al uitvoerig ingegaan: we nemen voor zeker aan dat de tekst een voor de drukpers omgewerkte versie van die voordracht van een zot met zijn marot representeert. Omdat bijna alle uiterlijke sporen van een rolverdeling ontbreken of zijn uitgewist, is het niet mogelijk om met zekerheid alle regels aan te wijzen die tot de tekst van de marot behoord hebben, al koesteren we toch gerede zekerheid over een aantal plaatsen die we in de aantekeningen nader zullen bespreken. Noodgedwongen volstaan we ermee te wijzen op de mogelijkheid dat de resterende onverwachte wendingen, burleskheden en onzinregels, en in het bijzonder de spreekwoorden, wendingen in zeispreuken, uitdrukkingen en verdraaiingen daarvan, hebben behoord tot de tekst van de marot. In zijn gedrukte vorm lijkt de tekst ook parodiërend te verwijzen naar de rederijkersballade, gelet op de kenmerken die een historielied in die vorm (over Maarten van Rossum) daarvan geeft: ‘... met vele scoone vermaningen ende doctrynen, met oeck gemeyn proverbien ende sluytregelen in elcke clausule [...]’.114

De citaten uit het dagelijkse leven van venters, kijvende vrouwen en hoertjes die een klant aan de haak slaan, kunnen waarschijnlijk het best worden toegeschreven aan de hiervoor met verdraaide stem sprekende zot.



illustratie

[p. 59]

Een schoone ende wonderlijcke prognosticatie
van sloctoors Ulenspieghels calculatie,2
in beede boeverijen seer hooghe gheleert,3
daeromme wort hi van groote hanssen gheëert.4
Naer d'ezele conste ghepractiseert sonder abuys5
op den meridiaen van 't verrevermaerde gasthuys.6
Coopt, leest, lacht ende wilt wel verstaen,7
daer en cleeft gheen dertichhondert guldens aen.8

9Gheprint t'Antwerpen met consente van den Hove, op die Camerpoortbrug-9 10ghe, in den Schilt van Artoys, by die Weduwe van Jacob van Liesveldt. Anno 11MDLX.

 

12Onderteekent, P. de Lens.12

Ulespieghel spreect

 
Eens was ick gheboren en dickmael genoopt.14
15
Mijn ouders hebben tevergeefs op mi ghehoopt,
 
want ick en wilde noyt mijn leven niet veel dueghen,
 
Nochtans en looch ick noyt cleene lueghen.
 
Al was uutermaten avontuerlijc mijn beghin,
 
't Vervolch en was niet avontuerlijcker te min.
20
En al meent eenyegelijck mijn guychelspel te weten,20
 
Ick en hebber nochtans noyt maer drie bescheten,
 
Maer ick hebber veel beveesten ende bedroghen;21-2
 
Segdy contrarie, soo hebdy seer gheloghen.23
 
Veel hoopten en baden dickwils om mijn sterven,
25
Maer quaet cruyt can al te qualijck bederven.25
 
Veel meenen oock dat ick doot ben en overleden,
 
Maer Ulespieghel leeft noch op den dach van heden.27
 
Al sijn die menighe seer herdt van opsette,28
 
Sy draghen nochtans Ulenspieghel onder die bonette.29
30
Al sterft er een Ulenspieghel, oft al wort hi verloren,
 
Daer wordtter wel seven daerteghen gheboren.
 
Aldus en can ick my tot sterven niet begheven,
 
Want Ulenspieghel sal eewelijck blijven leven.
 
't Is een fray constenaer die my heeft gheweven.
[p. 61]

Die Bachtenloghe35

 
Ick en weet wat van dees pronselinghe scrijven,36
 
Nochtans waer 't jammer dattet achter soude blijven.37
 
Aldus wil ick myselven daertoe gaen stouwen
 
Om een cleen prognosticatiken te brouwen.
40
Ende eerst voor de protelloghe suldy weten,40
 
Dat ghi d'eerste beetken moet nuchteren eten,41
 
's Morghens als ghy uut uwen bedde coemt ghesprongen.
 
Soo d'ouders pijpen sullen, so danssen die jonghen.
 
Ick wil u nu hier in 't smalle gaen verclaren44
45
Wat ons toecomen sal van oude verre jaren
 
Ende wat ons eerghisteren staet te gheschieden,
 
Want dat gheleden is, is goet te bedieden.47
 
Dus luystert naer my ende wilt den keest smaken.48
 
Die minst gheslapen heeft sal aldermeest waken.
50
Al en come 't niet juyste alsoo 't hier staet ghescreven,50
 
Denct 't sal noch comen, muechdy langhe leven.51
 
Die 't niet en wil ghelooven, die gae sijn ganghen,
 
Hy en sal oock gheenen aflaet ontfanghen.53
 
Ick pleghe te schrijven veel wonderlijcke grillen
55
Van ijseren, tinnen, houten en ghelasen brillen,
 
Hoe men 't volck nu daeraf siet vliën en wijcken,
 
Omdat si al leeren door die vingheren kijcken.54-7
 
Swijcht nu Protelloghe, ick wil gaen beghinnen.58
 
Tsjarent sullender veel meyskens liever naeyen dan spinnen.59
60
Die meest in de kuecken is, crijcht die beste vinnen.60
[p. 62]



illustratie

[p. 63]

Van den eclipsis der manen61

 
Eclipsis, mipsis, hipsis, pripsis, calipsis,62
 
In 't hooghe schaelliënhuys, sittende op den tripsis,63
 
Driëndertich halve mijlen van 't Drakenhoot,64
65
Ontrent van sesthien scherpe puncten groot.65
 
Ick en weet van naelden, messen oft spellen;66
 
Gheraedt ghij er selve naer, ick en can niet tellen.
 
Den eclips sal dueren in 't keeren en in 't wenden al68
 
Van dat hi beghint totdat hi voleynden sal,
70
Tsanderdaechs voor Bamisse, te vijfthien uren70
 
Voor de noene, sal men dit al sien ghebueren.
 
Seer groot ende wonderlijck wort sijne operatie72
 
In kisten, tesschen, borssen en lappen t'elcker spatie,73
 
Sonderlinghe in de mijne, dies ben ick onverdult.74
75
God betert, sey vrouw Backers, en het was huer schult.
 
Noch sal hy causeren veel siecten ende plaghen,76
 
Door veel slampampens verquaedde maghen,77
 
Leepe ooghen, roode nuesen en bevende handen.78
 
D'oude wijfkens hebben ghemeenlick quade tanden.

Van die regerende heeren des jaers80

 
Venus en Mars sullen dit jaer meest regneren:81
 
Mars in 't oorloghen en Venus in 't boeleren.82
 
Ende in de winter comender noch drie in 't lant:
 
Monsieur Blaeubeck, Druypnuese en Clippertant.84
85
Die niet en wil betalen, schabbeken is goet pant.85

Van die vier tijden des jaers86
Ende eerst van den lenten

 
Die lente beghint en springt uuter muyten88
 
Als 't loof en die bloemkens beghinnen uut te spruyten.
90
Och, hoe vrolick sal wesen elck venuscamenierken,90
 
Makende met die liefste een blijde chierken,91
 
Als een dierken doorschoten met Venus' schichte!92
 
't Is: ‘Al goeden avont, cousijn’, ‘God groete u, nichte’.93
[p. 64]
 


illustratie
Zon


[p. 65]
 
Sy schicken 't seer lichte; 't is: ‘Vaert wech verdriet’.
95
Maer corts daernaer gaet den buyck op dat men 't siet.95
 
Dan is 't: ‘Och lacen, och ermen, noyt meerder plaghen!’.96
 
't Ware al lecker dinck, moest men gheen kint draghen:97
 
Men vonde nauwe een maecht op seven mijlen in 't ronde.98
 
Sy ontsien het kintdraghen meer dan die sonde.99
100
Dees leelijcke wijfs sullen 't oock seer quaet hebben,
 
Die de mans een luttelken fraey en delicaet hebben.101
 
Want die leelicste vrouwen, het dient hier vertelt,
 
Sullen meest zijn met die jalousije ghequelt.
 
In dees tijt sullen sulcke mans niet om verroecken104
105
't Wijf wel laten sitten en een schoonder soecken.
 
Dan sal 't wijf allesins loopen ende rinnen:
 
‘Och, waer is dees man? Ick moet ontsinnen!’107
 
Tsavonts als hy thuys coemt wordt er groot ghekijf:
 
D'een sal roepen en tieren, d'ander sal smijten op 't lijf.109
110
Van sulck bedrijf soude men wonder verhalen:110
 
‘Ick behoef 't selve wel, ghi en dorft elders niet dralen,’111
 
Sal 't wijf segghen, ‘Ick wou dattet ware d'laetste.’112
 
Maer die de slaghen vangt die hevet 't quaetste.
 
Van sulcx vele te hooren ben ick wel ter cuere moe.114
115
De pot loopt overe, nichte, sluyt die duere toe.115

Van den somere

 
Als die lente uut is, 's morghens naer de noene,117
 
Beghint de somere met den heeten saysoene.
 
Dan mueghen die meyskens wel, die seer verladen sijn,119
120
Henlieden in Sint-Jorisvissop baden fijn.120
 
Want door die groote hitte sal men dan seere sweeten.121
 
Sonder vier sal men qualick ovens connen heeten.122
 
Dan comen die hontsdaghen en, soo 't volck wil callen,123
 
Sullender alteveel misbrieven vallen.124
125
Dan sal men oock thiende gheven van d'elfste schoven.125
 
't Is: ‘Wacker knapen, wacker, laet seere hoven!’.126
 
Dan sullen wy wel gaen brassen en vullen ons maghe.
 
Kase en broot, is dat ghebrast? Meester, 't is de plaghe.128
[p. 66]



illustratie

‘Dronckenscap’


[p. 67]

Van den herft

130
In den herft sal men de welgheleerde seere soecken
 
Om appelen te lesen in allen hoecken.131
 
Dan sal men t'Antwerpen roepen om den cost:132
 
‘Hoort, mijnheeren, hoort! Ick hebbe goeden Rijnschen most!133
 
Hael most, vrouwenlost die rueck en smaeck heeft!’134
135
Diesulcke wel om een os te crijghen eenen baeck gheeft.135
 
Dan sal 't sijn: druyfmisse, appelmisse en peermisse,136
 
En dronckaerts sullen dan hebben kermisse,
 
Drinckende by maten, dat 's: met potten en pinten.138
 
En door het overgheven sal de weerdinne wel quinten.139
140
Dies sullender tsanderdaechs veel ligghen, ick wedde,140
 
Seer stenende van die keldercortse te bedde.141
 
Maer om haest te becomen van sulcken verseere,142
 
So moeten si achtervolghen dese nuttelijcke leere:143
 
Is 't dat van drincken u 's morgensvroech
145
Deert het hooft oft hant versleten beeft,
 
So sult ghi nutten voor u ghevoech
 
Van het hayr des honts die u ghebeten heeft.144-7
 
Tsavonts droncken: ligt nere; 's morghens sieck: drinct were.148
 
Dit is die leere van Alexander; d'een fenijn verdrijvet d'ander.149
150
Jan Pockaert met sijn verrotte schinckelen150
 
Mochte op dit pas wel beghinnen te hinckelen.151
 
Och ghildekens, ghildekens, dat sal u temmen!152
 
't Is quaet water, sey de reygher, en hy en cost niet swemmen.153
[p. 69]

Van den winter

155
Men ghebiet ende laet weten van 's wintersweghen,155
 
Dat ghi u moet van hout stofferen tedeghen,156
 
Want 't sal cout sijn voorwaer in 't water als 't vriest.
 
God seghen u, compere, 't is wel gheniest.158
 
Men sal niet veel coeyen in 't velt sien bijsen.159
160
Jan Asschevijster sal het vier seer prijsen.160
 
Daer wort sonder hout, steen, bert oft hamere161
 
Ghemaect seer menighe gheschilderde camere.162
 
Die winter is een vreemt ende onweert gast,
 
Maer Coppen Bontepelsse daer luttel op past.164
165
't Sal reghenen als 't nat valt, ende sneeuwen mede,
 
Vriesen, haghelen en waeyen, soo 't laetstmael dede.
 
Och, hoe wel smaect by 't vier dan een lecker bete!167
 
Vangt dat, sey de duyvel, en hi liet een schete.155-68168



illustratie

[p. 71]

Van pays ende oorloghe169

170
't Wort oorloghe, 't wort pays; 't wort al dat men wille.
 
Raept op, knecht, sey de vrou, daer ontvalt mijn spille.171
 
Door Martis' oppositie salder veel ghedrays wesen,172
 
Maer door Venus' conjunctie sal 't wederom pays wesen.173
 
Dit jaer en sal men niet veel kijven sonder spreken.
175
De vorsch sal dicwils teghen die crane willen steken.175
 
De man sal op 't wijf dickwils vergrammen.
 
D'wijf sal 's mans hooft met eenen stoele kammen.177
 
't Is tweëndertich jaer leden, luttel meer oft min,
 
Datter een oorloghe sal nemen haer beghin,179
180
Daer sooveel ruyters sullen blijven ende knechten,
 
Datter seven vrouwen om een broeck sullen vechten.181
 
Byloye, ick wil mijn broecken wel nauwe bewaren182
 
Om daer eenen hoop vrouwen mede te vergaren!
 
Hoe ruyterlick sullen se malcanderen trommelen!184
185
Dan sal ick in den hoop met al mijn broecken sommelen.185
 
Ha ha, hoe sullen se onder die wijfs ghesletert sijn!186
 
Een goey eerlijc vrouwe en mach niet verbetert sijn.

Van den goeden ende dieren tijt188

 
Dit jaer sullen die vruchten eenen grooten loop hebben.189
190
Al dat men ghegeven crijcht sal men goeden coop hebben.
 
Daer men leckerlick eet, sal men maken goey chiere.191
 
't Sal al redelicken coop sijn, is 't niet te diere.192
 
Het coren sal dit jaer vercocht worden by maten.193
 
Dies veel incomen heeft, het sal hem baten.194
195
Men sal coren en haver ter merct brenghen in sacken.
 
T'Antwerpen sal men veel boeckweykoecken backen.
 
‘Loopt, loopt, Lisken, loopt, die boter is goede coop!’197
 
Men gheeft twee potten melcx voor eenen stoop.198
 
Isser veel wijns ghewassen, men salder veel drincken.199
200
Is 't anders, men sal se te poverlicker schincken.200
 
't Sal goet sijn wijn te drincken met vollen horten,
 
Maer men sal gheen op 's vyleyns tafel storten.202
 
Want datter ghebreck is, 't sy van anders oft van desen,203
 
Van quade wijfs en salder ymmers gheen ghebreck wesen.
[p. 73]
205
Want Lijse Vroechrijpe en Beele metten tuyten
 
Schrijven in 't vierde bladt die Hebreeusche cluyten:205-6
 
‘Hoort, goey mannen, hoort, wildy wat nyeus inbijten?207
 
Een oude baghijne sal eenen nyeuwen foey schijten.’208
 
Maer liever haddick die pensen van een vercken.
210
Rasch in 't jonckwijf, knecht, de vrouwe is ter kercken!210

Van den loop ende cours der manen

 
Als die mane nyeu is, sal se seer cleen blincken.212
 
Sulcke een groote koe hadde Gille Verclincken:213
 
Als se vol is, sal se gheheel ront wesen,214
215
Maer soudse altoos so blijven, het soude te bont wesen.
 
Als d'oude mane uut is, dan sal se weer vernyeuwen,
 
Die 't niet en wil ghelooven, die vraghe 't Hieuwen.217
 
Al stondy op der kercken boven den weerhane,218
 
Nochtans sal 't quaet pissen sijn teghen die mane.219
220
Men vint veel mans t'Japick met quade broecken ane.220

Van die veranderinghe des weers

 
Als 't schoon weer is en die quaey wijfs niet en kijven,
 
't En sal niet haest veranderen, willet alsoo blijven.223
 
Maer als 't verandert en nat beghint te vallen,
225
Dan sal 't reghenen, haghelen oft seer sneeuballen.225
 
Maer al siet de locht leelick, en vervaert u niet,226
 
't En is niet al reghen dat altemet leelick siet.227
 
Want waer 't al reghen dat leelick siet op malcanderen,
 
Veel vrouwen souden dickwils in reghen veranderen,
230
Dies die mans hen drincken souden van droefheyt sat.230
 
Vrouwe, wat lofdy u eyeren? De korf heeft een gat.231

Van die principale steden
Van Antwerpen

 
T'Antwerpen sal 't in den winter op 't strate vuyl sijn.
235
Veel sullender spelen van cust nu mijnen cuyl fijn,235
[p. 75]
 
Laten hen lappen sien en 't gat aen de poorte vaghen.236
 
Veel meyskens sullender nae d'oude behoorte waghen237
 
Huer casteelkens te bestormen met cleen ghewelt.238
 
Dan sal die vrouwe segghen: ‘Meysken, daer is u ghelt.’239
240
En als si sullen gheproeft hebben dat lecker morseel,240
 
Dan sullen si gaen sitten in eenich bordeel
 
En crijghender dan die pocken door alsulck gheploch.242
 
Gheraedt waer si varen? In 't gasthuys. Doen se? Jae, si toch.243
 
Elck sal daer doen, maer 't wort in 't drinken goet bescheet.244
245
‘Beso los manos, seinnor de vuestra merceed.’245
 
Die vroukens sullen gaen op si joffrouschs met doecken fijn.246
 
‘Car j'ay veu son robin, ma mere, je veulx Robijn.’247

Van Bruessele

 
Die Bruesselaers en mueghen wi niet vergheten:
250
Al sijn se lecker, si mueghen noch wel kiecxkens eten.250
 
Maer een quaet vuyl wijf dient wel ghesmeten.251



illustratie

[p. 77]

Van Lueven

 
Vis disputare? Ita. Quid est ita? Ick en weet 's niet.253
 
Soo sijdy dan victus; 't is een schotel bescheets, siet.254
255
Soo sullen achter straten loopen dees jonghe clercxkens.255
 
Maer die groote sullen maken seer luttel wercxkens
 
Van in huyskens van luxuriën 's nachs te loopen,257
 
Al souden si boecken, cleeren en credit vercoopen.258
 
Ende want se van den Keyenberch soo sijn besmit,259
260
Daeromme so sijn se op dees dillekens temeer verhit,260
 
Soodat kappe en kuevel dicwils blijft voor 't ghelach.261
 
Hou seg, hou! Is moeyer niet thuys? Alle goeden dach!262

Van Ghendt

 
't Sal dit jaer te Ghendt dicwils al over noene gaen.264
265
Want die clocke salder een telcken saysoene slaen.265
 
Veel sullender maken den poyaert en den moyaert,266
 
Maer de waghens sal men vinden ontrent den Hoyaert.267
 
D'wijf die den tol ontfangt spreect beter dan een stomme;
 
Conde se niet spreken, ick gaver noch twee corten omme.269
270
Waerdy te Ghendt by een meysken alleen in haer celle,270
 
Wat soudy se doen? Omhelsen! Soudy? Jae ick. Dat 's een gheselle!271
 
Preut, sey de duyvel, en hi werp eenen Wael in de helle.272

Van Brugghe

 
't Is daer oock: ‘Beso les manos’, ‘Jan, coemt, cust mi nou’.274
275
't Isser al berockelt! Dies gheve ick hem eenen jou.275
 
't Sal te Brugghe redelijck al goeden spoet hebben,
 
Maer die rijcke lieden sullen d'meeste goet hebben,
 
Dees meyskens wordender seer haestelijck vlugghe:278
 
Gheeft men se eens de nope, si vallen op den rugghe.279
280
Alle bate helpt, sey de zee, en si piste in de mugghe.280
[p. 79]

Van Mechelen

 
Hebt u nu cloeckelijck, ghi Mechelse hanssen,282
 
Oft Sinte-Gurck sal tot uwent comen danssen.283
 
Wacht dat ghi niet, hoe dat u wijf kijft oft bast,284
285
Voren en woont daer men de torven tast.285
 
En ghi wijfs, om vry te sijn van sulck achterdincken,286
 
Wilt Sinte-Gurcken dapperlijck beschincken,287
 
Oft hi sal comen danssen voor u duere onversaecht,
 
In teeken dat ghi voorslaept en de broeck oock draecht.289
290
Voorwaer, die een quaet wijf heeft, is deerlick gheplaecht!

Van Iperen

 
‘Die ruese coemt, den draeck die volcht ernaer’,292
 
Sullen de clocxkens spelen op den Tuyndach aldaer.293
 
Al sijn die banckerotiers van de lotherie om den hoeck,294
295
Nochtans schijt de lotherie in hueren broeck.
 
't Is wel ‘lotherie, dieverie’, soo men pleech te segghen,
 
Maer mocht ick 't hoochste lot crijghen, ick sou noch inlegghen.
 
Iperen sal nemmermeer in eenich beluyck quelen,298
 
Want die borghers connen nu al crijchsghebruyck spelen.299

Alle d'ander Brabandtsche ende Vlaemsche steden

 
Sullen alle dit jaer leven in grooter vreden,
 
Sooverre als 't volc malcanderen niet en ontbiedt voor recht,302
 
Sooverre als nyemant en slaet, stoot, kijft oft vecht.
 
De reste sal men weten als 't al openbaer is.
305
Men sal gheen procureurs vinden die segghen dat niet waer is.305

Conclusie

 
Adieu, tot weertastens toe, God wil u ghesparen wel.307
 
Bidt voor my als ick achterstae, dat ick mach varen wel.308
 
 
 
Finis.