|
|
|
| |
| | | |
| | | | | |
Antwoord aan Vestdijk1)
1. Van geen enkele polyneuritische kip en dus ook niet van de uwe heb ik het lijden ooit in twijfel getrokken. Ik ben heus niet zo, dat ik vind, dat ze allemaal de pip kunnen krijgen, want dat lijkt mij ook een heel akelig verschijnsel. Dat u het bijna steeds weet te voorkomen, dat de andere kippen haar op de kop pikken, verdient een innig ‘goed zo!’
2. De pijn van een kankerpatiënt is iets anders dan de cafard. Concrete pijnen, het lijden, dat de natuur of onze medemens ons aandoet, wens ik allerminst te bagatelliseren. ‘Cafard’ noemde ik alleen het onbestemde onlustgevoel, de mineurstemming zonder kiespijn. Het is dwaas, dat ik dit herhalen moet, want de tekst van mijn stuk laat daaromtrent geen twijfel. U beklaagt zich over mijn slecht lezen met tonnen boter op het hoofd.
3. Dat mijn als toekomstvisie ontworpen ‘jager’ het lijden overwonnen zou hebben, is ook weer een gratis toevoeging van een bar slechte lezer. Nergens heb ik het beweerd. Nergens heb ik het bedoeld. Ik heb er zelfs ernstig bezwaar tegen om te worden ingelijfd bij de kwakzalvers, die voorgeven ‘het lijden’ te zullen opheffen.
4. Sartre. Hier schijn ik speciaal op een gevoelige teen te hebben getrapt. Dat ik ‘L'Être et le Néant’ niet zou kunnen lezen, lijkt mij een kinderachtige bewering, die ik niet zal weerleggen. Wel vind ik het boek taai en bepaald náár om te lezen. Jeanson met de beide telefoonnummers geeft hem zelfs geheel onjuist weer, vrolijkt zijn leer op, maakt hem verteerbaar voor het grote publiek der keukenmeiden-romanlezers. Onbegrijpelijk, dat u, die beide boeken zo goed zegt te kennen, dat niet is opgevallen. U zou eens een critische beschouwing over deze filosofie moeten lezen, zoals Ayer in ‘Horizon’ geschreven heeft of, nog beter, het volkomen afdoend essay van W.F. van Leeuwen in Libertinage I, 2 en 3 (verkrijgbaar bij Van Oorschot, Herengracht 613, Amsterdam, ook telefoon).
Sartre gaat zo prettig en onarrogant met iedereen om, zegt u en op die grond zou ik mijn bezwaren tegen zijn filosofie moeten op- | | | | geven! Dat is een heel bijzondere en nieuwe manier van filosofische kritiek, waarop u patent zou kunnen aanvragen. U zult vooral op de instemming kunnen rekenen van handelsreizigers en radio-omroepers: allemaal prettige, onarrogante lieden, waarbij een brombeer als Schopenhauer in het filosofisch niet verzinkt: ‘De Etter en het Niet’.... De overwinning van de cafard - het is juist wat ik heb betoogd - voltrekt zich op duizend manieren, ook door middel van de cafard. Sartre's gezellige omgang met iedereen is de ‘pragmatic test’ voor de cafard-overwinnende werking van zijn existentialisme, zegt u en het is precies wat ik heb beweerd. Maar dat alle welgemutste, maatschappelijk soepel ingeschakelde lieden een onaantastbare filosofie achter zich hebben, gaat mij een beetje te ver. Ik zou graag de vrijheid willen houden een dergelijke filosofie op geheel andere gronden (zie voor de bewijsvoering het reeds genoemde essay van Van Leeuwen) een rammelende scholastiek te noemen en zijn lezers op een iets hoger plan dan die van de klassieke keukenmeiden-roman (die óók geen ‘keukenmeiden’ zijn, zie, slechte lezer, Libertinage II, 1, p. 16, regel 12-9 van onderen) te localiseren, zonder op uw ‘scheer je weg’ en uw ‘godverdomme’ getracteerd te worden.
Sartre's cafardisme heeft zijn uitgangspunt in ‘échec’, ‘angoisse’, ‘nausée’, in allerlei mineur-gevoelens, die natuurlijk wel prachtig overwonnen worden, waarboven hij zich grandioos, zij het op het nippertje, verheft, maar zijn filosofie moet men toch wel blijven onderscheiden van een, die van majeur-gevoelens uitgaat, zoals bijvoorbeeld die van Nietzsche. Niemand zou deze schrijver kunnen verwijten, dat hij het lijden niet zou kennen of voorbijzien. Integendeel, zijn ontdekkingen vloeien juist voort uit de tegenstelling gezondheid - ziekte. Wantrouwen jegens een filosofie, die uit de ziekte stamt, is zijn uitgangspunt. Mijn ‘jager-om-te-leven’ is in zoverre Nietzscheaan, dat hij voor zijn levensbeschouwing alleen wil uitgaan van de gezondheid en de gezonde mens, terwijl hij het concrete lijden natuurlijk blijft erkennen, vrezen en respecteren.
5. Uw interpretatie van ‘Huis Clos’ als een moreel traktaatje over het gedrag in de hel lijkt mij onjuist. De boodschap van ‘Huis Clos’ is ‘L'enfer, c'est les Autres’. Het leven op aarde is de hel, omdat ‘de anderen’ er zijn, wier ‘blik’ ons veroordeelt. De moraal van dit stuk staat in dezelfde landerige toonaard als zijn cafardistisch uitgangspunt: ‘Continuons’.
6. Freud. Fijn, dat u mij eens even uitlegt, hoe dat nu zit met die psychanalyse. Ik heb bij dit soort passages, waarin u zo sterk is, altijd het gevoel, dat wij ons tussen zeer schrandere H.B.S.-ers bevinden, die elkaar omstandig uitleggen, wat zij in de reuze-moeilijke boeken gelezen hebben. Iemand schreef mij naar aanleiding van dit soort cursusjes: ‘Niet alleen moet je je diploma-“kennis-van-het-abc” altijd bij je dragen en op verzoek tonen, maar bovendien beloven dat je de wijding van de eerste schooldag (ook in de school des levens, hoor) nóóóóóit te boven zult komen.’ Welnu, ik heb ook zéér veel respect voor Freud vanwege zijn belangrijke bijdrage tot de wetenschap (wij kunnen dit in koor zingen). Ik heb zijn leer alleen als
| | | |
voorbeeld gebruikt (solo nu) voor de cafardistische therapie, dat wil zeggen voor een ziekte-bestrijding met de ziekte zelf. Nu zegt u, dat het soms werkt en soms niet. Inderdaad. Ik zei, dat ‘de dokters resultaat boekten’. Uw betoog, dat er van uit gaat, dat ik dit resultaat loochende, gaat dus langs het mijne heen. Ik heb Freud's voorschriften wel is waar onverstandig genoemd (behorende tot de groep voorschriften, die zeggen, dat men een kleine pijn onder de grotere moet begraven), maar ik heb niet in twijfel getrokken, dat zij in sommige gevallen succes hebben. Men kan pijn in zijn pink doeltreffend genezen met amputatie van de hand; men kan het oog, dat hindert, uitrukken (ook Nietzsche legt bij dat voorschrift verband met de askese door zijn kanttekening: ‘es ist nicht gerade das Auge gemeint’). Men kan symptomen bestrijden door de uitroeiing van de neurose, die men nodig had. Lukt het niet, dan zit men er pas goed mee; lukt het wel, dat zit men er pas goed zonder. Het Oedipus-complex, waarvan de arme wordt beroofd, is vaak het enige wat hij had.
7. Ik begrijp niet, waarom u de verwantschap loochent tussen uw ‘natuurlijk-volmaakte mens’ en Ter Braak's ‘menselijke waardigheid’ (ik heb niet gesproken van ‘afstamming’). Beide zijn religieuze principes, d.w.z. beide hebben een manco aan biologisch realisme en dat is de grond, waarop ik ze critiseer.
8. De Toekomst der Religie. Het is ook weer mijn gebrek aan de ‘wijding van de eerste schooldag’, waardoor het mij aan de ware eerbied voor uw lesjes ontbreekt. Ik houd niet van uw schouderklopjes (‘dat is een probleem, waarop hij goed deed de aandacht te vestigen’), vooral niet als die voor de docent zelf bedoeld blijken (‘hierin was ik hem reeds voor’). Wat moet ik overigens denken van een schrijver, die zelf toegeeft, dat zijn innerlijke distantie van het boek, dat hij verdedigt, zo groot is geworden, dat hij het graag en met instemming zou zien vernietigen, maar dat hij toch weer voor die niet meer aangehangen meningen wil vechten?
Van belang lijken mij ten slotte niet de détails, die u noemt, waar ik heus wel mijn bestrijding weer tegenover zou kunnen stellen, maar het verschillende uitgangspunt, dat ons scheidt. U heeft de overtuiging, dat hartstochten alleen tot teleurstelling kunnen leiden en niet tot ‘bevrediging’. U heeft daarbij alleen sexuele hartstochten op het oog, want ‘hartstocht voor bridgen is niet bedoeld’, zegt u er bij, alsof dat zonder meer vanzelf spreekt, alsof iedereen wel weet, hoe men de behoeften, begeerten, hartstochten, waar het op aan komt, moet scheiden van de onbelangrijke en blijkbaar bevredigbare. Over de veronderstelde samenhang tussen belangrijkheid en onbevredigbaarheid van de behoeften glijdt u gemakkelijk heen. Ook schijnt het u niet te bevreemden, dat de onbevredigbaarheid van de sexuele behoefte voor u een argument oplevert tegen de sexualiteit, terwijl de onbevredigbaarheid van de religieuze behoefte eerder meetelt als een argument vóór de religie. Misschien zou een grotere onbevangenheid tegenover beide verschijnselen tot andere conclusies leiden.
Wat ik in ‘De Toekomst der Religie’ afwijs, is het défaitisme tegenover de hartstochten en de menselijke relaties. Het uitgangspunt van
| | | |
uw boek is, dat de liefde tot teleurstellingen leidt. Het erkent geen duurzame genegenheid, geen vriendschap, geen levenskunst, geen avontuur. Het besluit tot navelstaren als alles omvattende troost en uitkomst. U kunt nu komen vertellen - en u zult het zeker doen - dat u de door mij gemiste gevoelens op p. 1142 uitdrukkelijk noemt, maar dat verandert niets aan de onmiskenbaar défaitistische mentaliteit.
Ik kan mij een in iets minder grauwe stijl geschreven toekomstvisie voorstellen als vervolg op ‘De Toekomst der Religie’ en als nog afschuwwekkender pendant van Orwell's ‘1984’, waarin alleen maar zo iets onschuldigs als een absolute partij-dictatuur beschreven wordt. ‘In dit boek’, zou de flap van de omslag vermelden, ‘schildert de schrijver ons zijn adembenemend visioen van een vrije, verdraagzame, te midden van zuurkoolstank beheerst onanerende en navelstarende mensheid, die in opperste geestelijke wellust de volstrekte zaligheid bereikt in haar vereniging met Alles’. Ik hoop, dat u het niet schrijven zult.
H.A. GOMPERTS
| |
Economie in de kinderkamer
Voor de lezers van ‘De Nieuwe Stem’, het maandblad van de meelopers van Moscou en van de meelopers dier meelopers, geeft prof. Wertheim een verklaring van de werking der moderne kapitalistische maatschappij, van het koloniale stelsel en het Marshall-plan.
De zaak is heel eenvoudig: wie het kinderspel ‘Monopoly’ kent, heeft er het fijne van begrepen.
Dat lijkt me een goede verklaring, zoals ook de verklaring die de matroos van de hemel gaf: ‘Net zoveel eten als je wilt, en alles in jenever gekookt’, een goede verklaring was voor zijn omgeving, die echter geen intellectuele pretenties had.
Van de 8 blz. waarin prof. Wertheim de moderne, buiten-Russische en dus verdorven, wereld verklaart, heeft hij ook nog een halve bladzijde kunnen besteden aan dwaasheden die ik in ‘Libertinage’ (Jan.-Febr. '48) ten aanzien van het Marshall-plan heb begaan. ‘Gelooft de wereldwijze heer De Kadt dus werkelijk nog in Sinterklaas, en denkt hij dat deze heilige thans in Washington huist...’ etc. Alsof ik niet wist dat Sinterklaas sedert jaren in het Kremlin woont! En die brave Sinterklaas wordt er met de baard bijgesleept omdat ik schreef: ‘Zeker, in dit plan speelt het eigen-belang van Amerika een grote rol. Maar het is, om met de “Economist” te spreken, een welbegrepen eigenbelang van een zodanig formaat, dat het tot een nieuw en eerbiedwaardig beginsel in de wereldpolitiek is geworden’.
Bij het Marshall-plan is dus volgens mij (en volgens de ‘Economist’, een blad dat de kapitalistische belangen behartigt, en er werkelijk meer van weet dan de familie Romein-Wertheim) eigenbelang de drijfveer. Wat dit met Sinterklaas te maken heeft, zal men in Moscou wel weten. In ieder geval wist de enige econoom van formaat en beschaving die men in Moscou had, de heer Eugen Varga, het drommels
| | | |
goed, toen hij, in een nu verboden en afgezworen boek, tot de conclusie kwam, dat het Amerikaanse kapitalisme van thans, iets anders is dan het Britse kapitalisme van Marx, of het ‘imperialistisch’ kapitalisme waarover Lenin (Hobson en Hilferding plunderend) zijn weinig oorspronkelijk en overtuigend verhaal schreef. Het boek van Varga, waarin werd erkend dat het moderne kapitalisme zoveel zelfkennis heeft, dat het door wijs beleid een evenwicht kan vinden, en dat het bovendien zodanig door sociale en politieke factoren wordt beïnvloed dat het welvaartspolitiek kan voeren en zelfs op vreedzame wijze naar een democratisch socialisme kan overgaan, was voor de oudbakken Marxisten van het Kremlin al evenmin te verteren als voor de nieuwbakken marxist Wertheim.
De heer Wertheim is een specialiteit in het doceren van dingen waaromtrent hij minder weet dan de gemiddelde leek. Zijn ‘vak’ is het ‘Recht’, maar als Stalin-likker heeft hij terecht begrepen, dat zo'n vak niets voor hem is. Ofschoon hij de eerste beginselen van de sociologie nog moest leren, niets van geschiedenis wist en bovendien een volkomen onhistorische geest is, werd hij door de Romein-kliek tot ‘hoogleraar in de geschiedenis en de sociologie van de Indische Archipel’ gebombardeerd.
En nu is hij blijkbaar ook al docent in de economie geworden.
Dat deze docent in de economie over het Marshall-plan schrijft en doet alsof het Amerikaanse kapitalisme geweldige materiële belangen bij dit plan heeft, ligt voor de hand. Maar het maximum-bedrag dat per jaar via het Marshall-plan door Amerika werd geëxporteerd, bedroeg ruim 5 milliard dollar, bij een nationaal jaarinkomen van 260 milliard dollar. Zoals men ook kan weten gaat de Amerikaanse economie, dank zij de wijze waarop het Amerikaanse kapitalisme gedirigeerd wordt (iets anders dan de Russische plannenmakerij, die alles stevig in handen neemt, zo stevig dat de helft altijd kapot gedrukt wordt) in een zodanige richting, dat in een jaar of vijf, dat nationale inkomen 350 milliard zal bedragen. Met een dergelijk inkomen kan men zich iets permitteren, hoe onaangenaam de Wertheims het ook vinden.
Europa wordt door de Amerikanen doodgeconcurreerd, klagen en schuimbekken de meelopers van het Kremlin.
En de Amerikanen doen niets anders dan Europa aansporen, ja voorzover mogelijk zelfs dwingen, tot één grote economische eenheid te worden, die met Amerika kan concurreren, die op eigen benen kan staan, en die van Amerika kan kopen.
Maar in de Europese kinderkamer is men nationalistisch, provinciaal, dogmatisch, socialistisch, afgunstig, nijdig, Moscovitisch, wat al niet. Vrijwel alle Europeanen doen hun best om het gezond worden van Europa tegen te werken. Doet men dit ‘in opdracht van de tijd’, ‘in opdracht van het Kremlin’, of ‘in opdracht van z'n eigen warhoofdigheid’? Bij de econoom, in opdracht van de Romein-kliek, is het zeker een mengseltje van dit alles. Doch de kinderachtigheid ligt als een vermakelijk sausje bovenop dit mengseltje.
J. DE KADT
| | | |
| |
Brief over Camus
Geachte Redactie,
Naar aanleiding van het artikel ‘Camus en zijn Duitse vriend’, (Libertinage 1949, No. 2) moet mij toch het volgende van het hart.
Mijns inziens berust dit artikel grotendeels op 'n verkeerd begrijpen van Camus' boekje, hetgeen ik illustreren zal o.m. aan de volgende voorbeelden:
‘Beroep op la “Justice” is een onwaardige argumentatie.’ (Vanwaar die hoofdletter?)... Hetzelfde geldt voor de Idee gerechtigheid, die het uitgangspunt van Camus' veroordeling is... Beroep op de hemel of hemelse attributen als gerechtigheid blijft zonder effect’ - waar Camus juist beweert: Parce que vous étiez las de lutter contre le ciel, vous vous êtes reposés dans cette épuisante aventure, où votre tache est de mutiler les ames et de détruire la terre. Pour tout dire, vous avez choisi l'injustice, vous vous êtes mis avec les dieux, (pag. 78). De heer Wentinck heeft dus wel 'n fundamenteel ander idee, van wat ‘justice’ is, dan Camus...
Frapper, quand on ne peut réfuter, als enig ‘eerlijk’ argument tegen het nazisme? - Dat zou wel ‘'n leer met zijn eigen middelen bestrijden’ zijn.
En als eens onze keuze te leven volgens wat dix siècles d'intelligence ons geleerd hebben, in flagrante tegenspraak was met dit adagium? Dan onze keuze verraden?
Camus meent dat justice de meest elementaire spelregel is, de enige mogelijkheid voor de communaute absurde - vooropstellende als ‘héros absurde’ niet n'importe qui maar l'homme créateur, qui sait, que tout est inutile. L'Homme est périssable, il se peut, mais périssons en résistant! (let op het meervoud hier!)
Vanuit deze houding bestrijdt hij la Violence (tout lecteur, qui veut bien lire les lettres à un ami allemand, comme un document de la lutte contre la violence, admettra que je puisse dire maintenant que je n'en rime pas un seul mot (in de inleiding).
Op de vraag van zijn Duitse vriend, nog voor de oorlog of hij Hamlet of Siegfried koos, gaf hij voor het eerst in dit boekje 'n antwoord.
Toentertijd meende hij: il me paraissait que l'Occident fut ailleurs que dans cet équilibre entre la force et la connaissance.
Had hem dit niet zo toegeschenen, dan had hij misschien geen van zijn helden het ‘frapper, quand on ne peut réfuter’ laten zeggen.
Er bestaat 'n zekere parallel tussen le héros absurde en der authentische Mensch van Heidegger. Ook een authentische Mensch mag geen ‘Raubtier’ worden, (om de zinloosheid van zijn bestaan te vergeten), kan evenmin geloven in 'n Reich of 'n hiernamaals. Beide stellen ‘grundige’ Ehrlichkeit als basis van hun moraal.
(De minder ethische heer Wentinck gunt de goegemeente zoals hij het noemt, ‘de borrel en de preek’, om de absurditeit van het Dasein te vergeten - het edelfascisme van von Salomon is 'n ‘op zichzelf wel aanvaardbare houding’, (Cit. C.W.) ‘eerlijker’ dan die van de
| | | |
Reichaanbidder. Raubtier versus staatsslaaf. (De grotere eerlijkheid van de eerste ontgaat me.)
De conquistadores, zoals door Camus beschreven, en de nazistrijders op een lijn stellen, is zonder meer ongegrond. De eersten waren de ‘héros absurdes’ die ‘ondernamen zonder te hopen’, de tweeden hoopten op 'n duizendjarig rijk, of misschien, gingen naar het front, uit wanhoop, om de absurditeit van deze wereld te vergeten.
Maar Camus veroordeelt niet... hij licht zijn Duitse (nazi)vriend in over de houding, die hij gekozen heeft, voelt zijn vriend, die het tegenovergesteld standpunt inneemt aan: Votre logique n'était que trop apparente. Hij zeilt onder het motto: on ne montre pas sa grandeur pour être à une extrémité, mais bien en touchant les deux à la fois.’
Zijn keuze dwingt hem tot ‘réfuter’, niet, omdat hij uitgaat van 'n absolute waarheid of rechtvaardigheid, maar omdat hij partij koos voor ‘l'intelligence’. Zijn spelregels sluiten justice en honnêteté in.
F. BERGER
| |
Naschrift.
De bedoeling van mijn vertoog over Camus' brieven aan zijn duitse vriend was vooral, aan te tonen dat het weinig zin heeft iemand te veroordelen op grond van een mening die de veroordeelde niet deelt. Het oordeel is dan niet meer dan een breedsprakige slag in de lucht. In dat verband doet het weinig ter zake of Camus zijn idee over gerechtigheid aan de hemel ontleend heeft of niet: hij stelt er waarschijnlijk prijs op, er niet meer in te zien dan een door verheven geesten uitgedachte spelregel, die hij voor zijn spelletje wel wil gebruiken. De duitser denkt er een beetje anders over en verwerpt die spelregel - wat hem hoger noch lager stelt dan Camus, die hem meent te moeten aanvaarden - omdat hij van oordeel is, dat zijn leven dan een plezieriger verloop kan hebben. De duitser wenst zich in zijn opvatting van plezier niet te laten belemmeren door volstrekt willekeurige ficties als door een traditie geheiligde spelregel en doet, alsof die niet bestaat. Wanneer Camus, dat wetende, tòch die duitser veroordeelt vanuit een verontwaardiging, die als vertrekpunt een door de duitser niet gedeelde fictie heeft, blaast hij wel mooie bellen, maar hij pretendeerde, te willen overtuigen. Waarom schreef hij anders?
Wat is er overigens op tegen om een leer met eigen middelen te bestrijden; het is een oud vooroordeel dat men beter doet, zich daartoe niet te laten verleiden, maar het kon wel eens zijn, dat men, een zwaard bezittend, en op het punt zijnde, te worden aangevallen met een sten-gun, er goed aan doet zich ijlings van een dergelijk wapen te voorzien. Wanneer gehechtheid aan het zwaard ons daarvan weerhoudt, is ook daar niets op tegen, al volgt zeer waarschijnlijk een snelle dood. Spelregels hebben alleen dan zin, als men elk ogenblik bereid is, ze tegenover vijanden in de steek te laten, en onder vrienden te handhaven in het l'art pour l'art gevecht, dat een tournooi heette. Wie bezwaar maakt tegen een dergelijke instelling kan rustig heilige worden, en de ander diens corruptie verwijten. Alleen, het verwijt
| | | |
treft weinig, omdat die ander niets zou weten in te brengen tegen de eigen dubbele moraal.
Wanneer Camus meent dat ‘justice’ de meest elementaire spelregel is, wens ik hem zover te volgen, dat ik die regel wel aanvaard, maar allerminst als elementair. Elementair is geen enkele regel; de moraal, dat web van regels, werd door de Abels uitgedacht om er zich de Kaïns voortaan mee van het lijf te houden. Elementair is: tien ogen om één oog en een gebit om een tand. Maar - kennende mijn afkeer van krachtmeting - geef ik de voorkeur aan een abstracte gerechtigheid, die mij de wraak uit handen neemt en haar als rechtspraak laat uitoefenen door een instantie, die daar nette middelen toe bezit. Ik zie echter weinig winst aan gerechtigheid in die keuze, en ben bovendien elk ogenblik bereid, wanneer de lust daartoe in mij opkomt, diegene regelrecht in het gezicht te slaan die het er voor mijn gevoel naar maakte (of een ruit in te gooien, zelfs zonder achteraf mijzelf aan te geven...). Want de spelregel heb ik aanvaard, en als het mij zo uitkomt, dat ik meer plezier heb bij het verwerpen van die regel, doe ik dat. Hetzelfde geldt voor de ‘violence’: ik ben niet erg ingesteld op een efficiënte zelfverdediging, zodat het mij beter past, mijzelf en vooral mijn tegenstander ervan te overtuigen, dat een vredige oplossing ‘beter’ is, - beschaafder en zo. Ik stel mij echter voor, dat ik, onder andere omstandigheden veel zou voelen voor die ‘violence', en dat het mij echt meer zou opluchten dan het telefonisch inroepen van de hulp der agenten. Ik weet wel, dat het heel plezierig is, dat het langzamerhand een goede gewoonte wordt geacht, af te zien van die ‘Violence’, en evenzeer, dat ik er wel bij vaar. Nochtans is zelfs dat inzicht niet voldoende om mij uit meer dan zeer opportunistische overwegingen te scharen aan de zijde der vredelievenden. Dat een ‘authentischer’ Mens geen ‘Raubtier’ mag (mag? van wie?) worden is een hoop die ik eigenlijk wel wil onderschrijven, hoewel ik soms met kennelijk plezier in mijzelf aan de roofdierstaat herinnerd word, en ik de roofdiermannetjes uit ‘Die Geächteten’ een edeler en plezieriger mensenslag vind dan de vrouwen ener vredesbeweging. Eerlijk vind ik de houding van Salomon's figuren omdat ze zich niet veel wijsmaken en ook geen kolder nodig hebben om, daaraan bezat, te doen zoals zij willen doen. Ik heb de conquistadores en de nazi's niet op één lijn gesteld, al deden ze in wreedheid en huichelarij weinig voor elkaar onder. De eersten brachten een Geloof en de tweeden brachten een Geloof; het resultaat was in elk geval gelijk: de cultuur werd uitgeroeid en het goud gestolen. Dat Camus niet veroordeelt maar inlicht is een onderscheid dat alleen voor Jezuitische breinen vatbaar is. Trouwens, Camus verwerpt het duitse standpunt wel degelijk en stelt er het zijne als juist tegenover. Dat hij het er tegenover stelt is toe te juichen en ik juich en stel dan graag wat mee. Dat hij het als ‘juist’ er tegenover stelt lijkt mij echter hypocrisie. Waar ik liever niet aan mee doe. Zo maar.
CH. WENTINCK
| | | |
| |
Keffertje
Naar aanleiding van een onqualificeerbaar stukje van Anne Wadman in het nummer van September-October 1949 van ‘Podium’ noteer ik, dat dat tijdschrift zich aan de zijde van het obscurantisme plaatst, als het kan meedoen aan een rel tegen ‘Libertinage’. Wadman interesseert mij niet, maar verantwoordelijk voor zijn beledigingen, die Victor van Vriesland de bescherming van de justitie deden inroepen, zijn: Vestdijk, de strijder tegen de fatsoenrakkers, Sierksma, de theoloog, Rodenko, die toch zelf van het eerste ‘vieze’ woord niet gebarsten is, Nagel, die als criminoloog wel speciaal verstand van beledigingsaffaires zal hebben. Is het alleen een ordinaire concurrentie-nijd, die hen tot zulke dingen bracht? Wat mij betreft, ik ben inderdaad zo hooghartig, dat ik behoefte heb noch aan rechterlijke bijstand noch aan een polemiek met een keffertje.
H.A.G.
| |
Een geval van plagiaat
Litteraire critiek heeft geen enkel nut. Het is een spelletje waaraan de criticus, de schrijver van het besproken boek en de uitgever soms pleizier beleven. Het is ook prettig dat er critiek bestaat, want zoveel critische artikelen zijn veel beter geschreven dan vele romans of gedichten. (De verstaander zal het ons vergeven dat wij geen namen noemen). Daar echter de critiek veelal in het ‘verdomhoekje’ zit zal het velen verheugen, dat er een tijd lang in Nederland niets dan ‘creatief’ werk is gepubliceerd en geen critiek. Dit was in de laatste helft van de afgelopen oorlog.
Niet dat men bijzonder creatief was (de resultaten wijzen meestal op het tegendeel) maar het was nu eenmaal uiterst gemakkelijk om iets gedrukt te krijgen, al waren het maar blanco bladzijden, want ook de aesthetico-bibliomanie kende gulden tijden.
Een uitgave die in pretentie voor velen niet hoeft onder te doen, was ‘Gargouille’ van Anthony Bosman. Het is een klein boekje van 32 bladzijden. De eerste is blanco. De tweede is een pentekening. Dan volgt het titelblad en daarna weer een witte pagina. Op de twee volgenden zijn twee gedichten gedrukt. Dan komt er weer een witte, dan weer een pentekening en daarna het verhaal. Het boekje wordt besloten met drie blanco bladzijden, een lange colophon en een lijst van de eo tempore opera omnia van Bosman. De tekenaar, de twee dichters en de auteur hebben in alle exemplaren hun handtekening gezet. De zetter, drukker en binder niet, waarschijnlijk omdat het dan niet meer op een gedrukt boek lijken zou.
Voor wij verder gaan wensen wij hier op te merken dat de tekeningen en één van de twee gedichten voortreffelijk zijn en dat wij voor wat volgt alleen Bosman verantwoordelijk achten.
Wat het verhaal betreft, toen wij het indertijd ontvingen waren wij
| | | |
enigszins huiverig om hard te schelden, want men komt, scheldende op ‘experimentele kunst’ altijd in zulk naar gezelschap. Maar binnenskamers hebben wij (hier inderdaad meervoud) ons er zeer mee geamuseerd en er een opera van gemaakt, waarvan het ontroerendste duet luidde:
‘Wat vond je onder de boom?’
‘Neen, neen, onder de andere boom?’
‘Neen, neen, onder de andere boom?’
Ook herinneren wij ons nog met vreugde de ingewikkelde meerstemmigheid van de finale. ‘Het is niet goed om naakt te zijn’...
Kort geleden bladerden wij in werk van Dylan Thomas, een Brits auteur die ons niet geheel onverschillig laat al vinden wij hem soms wel zeer ‘litterair’. Tot onze verbazing stuitten wij daar op de volgende litanie:
What did you find under the tree?
No, no, under the other tree?
I found a bottle of foetus.
No, no, under the other tree?
Wij vergeleken. En hoewel onder Dylan Thomas' bomen blijkbaar andere dingen gevonden worden dan onder die waardoor men Bosman niet meer ziet, leek de verwantschap ons groter dan een, die als Thomas eens dood en groot is en Bosman niet vergeten, het schrijven rechtvaardigen zou van een academische dissertatie ‘De Invloed van Dylan Thomas in de Nederlandse litteratuur’.
Wij zochten verder en vonden bij Dylan Thomas:
‘Welcome, said the devil to the madman. Cast your eyes upon me. I grow and grow. See how I multiply. See my sad Grecian stare. And the longing to be born in my dark eyes. O that was the best joke of all.
I am an asylum boy tearing the wings of birds. Remember the lions that were crucified. Who knows that it was not I who opened the door of the tomb for Christ to struggle out?
Bij Bosman:
‘Welkom’, zei de duivel tegen Gargouille. ‘Zie mij aan en weet hoe ik groei. Zie mij aan en weet hoe ik mij vermenigvuldig. Zie hoe het verlangen in mijn donkere ogen geboren wordt. Ik ben de man die vleugels van vogels scheurde. Herinner je de leeuwen, die gekruisigd werden? Wie kan zeggen, dat ik het niet was, die het graf van Christus opende!’
Het grapje kon er blijkbaar niet af.
Ook vindt men bij Thomas:
‘With tears in his cheeks and with a hard pain in his heart, he fell
| | | |
to sleep, coming at last to where his father sat in an alcove carved in a cloud.
Father, he said. I have been walking over the world, looking for a thing worthy to love, but I drove it away and go now from place to place, moaning my hideousness, hearing my own voice in the voices of the corncrakes and the frogs, seeing my own face in the riddled faces of the beasts.’
Bij Bosman:
‘Vader’, zei hij, ‘ik heb de grenzen van tijd en ruimte verbroken om te zoeken naar iets dat ik kon liefhebben, maar altijd weer heb ik het verdreven. Ik heb gezworven van plaats tot plaats, van streek tot streek, klagend over het licht, horend mij eigen stem in het gerimpeld kwaken der vorsen, ziende mijn eigen gelaat in de wrede gezichten der doggen.’
Een slechte vertaling, zult U zeggen, maar laten we nog even voortgaan.
‘Awake girl, he said. I am your lover come in the night.
She awoke at his voice.
Who called me?
I called you.
Where are you?
I am om the pillow by your head, speaking into your ear.
Who are you?
I am a voice.
Stop calling into my ear, then, hop into my hand that I may touch and tickle you. Hop into my hand, voice.
He lay still and warm in her palm.
Where are you?
I am in your hand.
Which hand?
The hand on your breast, left. Do not make a fist or you will crush me... etc.
Bosman:
‘Word wakker, vrouw!’ zei de stem. ‘Ik ben in de nacht gekomen’.
De vrouw ontwaakte en vroeg: ‘Wie riep mij?’
‘Ik riep’, zei de stem.
‘Waar ben je?’
‘Bij het venster.’ (De stem is hier wat verlegen. L.Th. L.)
‘Kom op het kussen en spreek in mijn oor.’
De stem ging naar het kussen.
‘Wie ben je?’
‘Ik ben een stem.’
‘Kom dan in mijn hand, zodat ik je kan voelen.’
De stem lag stil en warm in de palm van haar hand.
‘In welke hand ben je?’
‘In de hand op je borst, de linkerhand. Maak geen vuist, want dan dood je mij’... etc.
In deze passages blijkt zelfs al dat Dylan Thomas, wat men ook van hem denken mag, zijn woorden beter kiest dan Bosman.
| | | |
Men zou nog lang door kunnen gaan. Niet altijd zo vlot als hier, want vele passages van Thomas zijn uit elkaar gerukt en de stukken op verschillende plaatsen in ‘Gargouille’ gestrooid. Veel dingen van Thomas' verhaal staan niet in ‘Gargouille’, maar het eerste is ook veel langer. Bij Bosman staan ook dingen die men bij Thomas niet vindt en zonder tegenbewijs moet men aannemen, dat ze van Bosman zijn.
De conclusie is dan wel, dat het verhaal ‘Gargouille’ voornamelijk samengesteld is uit min of meer verwrongen passages uit het verhaal ‘The Mouse and the Woman’, voorkomend in de bundel ‘The Map of Love’ van Dylan Thomas, voor het eerst uitgegeven in 1939.
Dit is blijkbaar geschied; zonder humor en (blijkens de omvang van het boekje) zonder materiële noodzaak, in de zekerheid dat dit boek van Thomas Nederland niet voor het eind van de oorlog zou bereiken en de veronderstelling dat daarna weinigen het zouden lezen.
Zodat de afwezigheid van een litteraire critiek soms gemakkelijk is.
L.Th. Lehmann

|
|
|