|
|
|
| |
| | | |
| | | |
Barricade
Tweede open brief
Waarde Heer Gomperts,
Mijn erkentelijkheid voor uw breedvoerige missive wordt slechts geevenaard door mijn instemming met de ietwat spijtige, doch alleszins overtuigende wijze waarop u de vinger hebt gelegd op de wonde plek van zoveel, toch wel belangwekkende of onderhoudende polemieken: het vooronderstellen van kwade trouw bij de tegenstander. Ten uwen opzichte heb ik dit echter nergens gedaan; ik heb alleen geconstateerd, dat u op één bepaald punt mijn woorden verdraaid heeft, waarbij ik volkomen in het midden liet, of dit opzettelijk en bewust dan wel in de gauwigheid en hitte des gevechts is geschied. Ik sprak dan ook van ‘hinderlijk’, niet van ‘vals’ of ‘gemeen’. Ik neem aan, dat u nog steeds van soortgelijke milde gedachten bezield bent ten mijnen opzichte, en dat u mijn voorspraak wilt zijn bij de redactie van Libertinage om deze tweede brief nog te willen plaatsen. Ontmoet u tegenstand, dan zou u er op kunnen wijzen, dat ik er de vorige maal, ten gevolge van een zachte wenk tot zelfbeperking, ietwat bekaaid ben afgekomen wat de plaatsruimte betreft. En in aphorismenstijl polemiseren kan men zich alleen veroorloven op 3000 m hoogte (Nietzsche, e.a. asceten en kluizenaars).
Dat, wat het bedoelde punt betreft, mijn eigen woorden met salto-mortales maken begonnen zouden zijn, heeft mij veel hoofdbreken gekost. Houden wij ons aan L' Être et le Néant, - waarvan ik overigens in het geheel geen slaafs aanhanger ben, naar u schijnt te veronderstellen, alleen omdat ik Sartre verdedig, - dan is er wel degelijk sprake van een ‘pessimistische’ philosofie, - veel pessimistischer nog dan die in Die Welt als Wille und Vorstellung is neergelegd. ‘Zogenaamd’ wordt dit pessimisme van Sartre eerst, wanneer wij het boek in zijn entourage neerzetten: de overige werken van Sartre, en de door hem geautoriseerde commentaren. Het blijkt dan al spoedig, dat we hier te doen hebben met een philosofie, of beter levensleer of moraalleer, van actief-kathartische stempel. ‘Pessimistisch’ is alleen het uitgangspunt: de wereld zoals zij ‘is’, zolang de mens niet ingrijpt. Dit is althans de pretentie van het existentialisme, waaraan eventuele fouten, tegenstrijdigheden of logische onmogelijkheden weinig afdoen. De waarde van een moraalleer, u zult
| | | |
dit moeten toegeven, is eigenlijk alleen practisch te toetsen, en niet in de laatste plaats aan de persoon van de ontwerper ervan. In een stoïcyn, die zich niet stoïcyns gedraagt, stellen wij geen vertrouwen, en in zijn leer evenmin, tenzij hij die van anderen heeft overgenomen. Verschijnt nu een isegrim, vrouwenhater en syphilislijder voor mijn geestesoog, dan is een klein schokje toegebracht aan mijn vertrouwen in zijn heilsleer, althans in de resultaten daarvan voor hemzelf (al kan men altijd nog volhouden, dat hij nóg onuitstaanbaarder geweest zou zijn zónder die leer); kom ik daarentegen in contact met een opgewekt man, van wie ik ten overvloede aannemen mag, dat hij vroeger minder opgewekt was (de Sartre van La Naussée, in casu), dan vormt dat een pleidooi (ik heb nooit gezegd: een beslissend pleidooi; hij kan ten slotte opgewekt zijn geworden door heel andere oorzaken dan zijn z.g. pessimistische philosofie), een positief argument onder vele mogelijke positieve (en negatieve) argumenten, voor de waarde van zijn leer. Dat u aan die waarde twijfelde, zónder enig ernstig te nemen argument, was de directe aanleiding tot deze, blijkbaar zoveel kansen op misverstand in zich bergende gedachtengang. Twijfelde, inderdaad; want wanneer u mij vraagt: ‘Wij waren het toch eens over de cafard-overwinnende werking van het sartrisme?’ - dan kan ik daar alleen maar ontkennend op antwoorden. U heeft deze werking op zijn best van korte duur geacht, u heeft haar beïroniseerd, ‘denigrerend aan kant gezet’, om uw eigen woorden te bezigen, en tot de ‘onverstandige voorschriften’ gerekend. Uiteraard is dit uw goed recht, en ook ik ben niet blind voor sommige uitwassen van het existentialisme, die overigens grotendeels al weer tot het verleden schijnen te behoren; maar ik houd nu eenmaal van argumenten iets indringender dan uw reacties ‘taai’ en ‘naar’, of de mededeling, dat Jeanson Sartre onjuist weergeeft (met medeweten van Sartre, dus is Sartre waarschijnlijk gaga aan het worden).
Over Freud en de Freudianen; over Richardson en de Grooten; over de ‘boodschap’ van Huis Clos (u had de aanhalingstekens moeten laten staan, want daar ging het hier om; boodschappen levert Krishnamurti); over de onmogelijkheid om, moeizaam de kruin van een boom bereikt hebbende, op te merken, dat andere bomen hoger zijn, en daaraan zonder aantoonbaar zelfbedrog het recht te ontlenen tot zelfcritiek in welke vorm ook; over vrouw Jacob, onvernietigbaar, ja vuurvast als haar eigen kannetjes; over de ‘kluizenaarstrucjes’ van asceten, en de ‘gezondheid’ der phallusdiensten (welke ‘gezondheid’ ik een orgiastische fantasie noemde, d.w.z. een onjuistheid over de orgiasmus; de bedoeling was niet te suggereren, dat ú zich in ziekelijke orgiastische fantasieën vermeit); over het lichaam van de ‘natuurlijke’ mens (waaraan u, nom de tonnere, al wéér vergeten hebt het woord ‘volmaakt’ of een andere verhelderende bepaling toe te voegen; hieraan wijdde ik tien kostbare regels (één gulden) in mijn eerste stuk, Libertinage 1949, pag. 385); over het probleem van de ‘totaliteit’ (dat de religieuze mens naar de totaliteit streeft, betekent nog niet, dat de religie alles omvat), en nog enkele andere scherts-artikelen, wil ik verder niet uitweiden. Terecht vraagt u van mij aandacht voor de ‘verschillende uitgangspunten. ‘Bedoelt u daar echter mee het thema der sexualiteit onder religieus gezichtspunt, dan moet ik ver- | | | | stek laten gaan, aangezien in mijn eerste stuk zowat alles stond wat ik daarover te zeggen had. Alleen wens ik nog op te merken, dat uw citaat van pag. 343 uit De Toekomst der Religie al te zeer uit zijn verband is gerukt om mijn bedoeling recht te doen wedervaren. Dit blijkt uit de context, en maakt hernieuwde polemiek overbodig.
Uw hypothese (‘aanpassingsmoeilijkheid bij de overgang naar het menselijk stadium’) verwerp ik geenszins. Dat het menselijk lijden qualitatief en quantitatief afwijkt van het dierlijke, vind ik plausibel genoeg, en zo men wil kan men een eventueel ‘overschot’ aan lijden aan de kant van de mens interpreteren als een, al of niet bewust heimwee naar de dierlijke staat. Maar welke zijn de hoedanigheden van dit ‘overschot’? Dat alleen de mens de cafard kent, het dier niet, moet ik ten sterkste betwijfelen. Waarom zou een dier geen ‘onbestemde onlustgevoelens’ kunnen ervaren? Bedoelt u met ‘onbestemd’: ‘objectloos’, dan is dat al evenmin in te zien als wanneer u er ‘ondefiniëerbaar’ onder verstaat (b.v. een depressieve stemming, bestaande uit een niet nader te analyseren mengsel van angst, wanhoop, verveling, e.t.q.). Een eenzaam wegkwijnende tijger in een dierentuin, zegt men, leeft op, wanneer men hem een wijfje verschaft; dat hij hieraan behoefte had, ‘wist’ hij niet; zijn malaise, zijn ‘cafard’ was zonder object (niet zonder oorzaak uiteraard). Anderzijds duidt niets erop, dat vage, onbepaalde mengstemmingen de dieren vreemd zijn. Wat nu de objectloosheid betreft moet men zelfs een aanzienlijk surplus vaststellen aan de kant van het dier, aangezien de mens zich veelal bewust kan maken waaraan hij behoefte heeft in wat hij mist. Uw eigen voorbeelden wijzen in die richting: de Prediker heeft de ‘cafard’ (voelt zich ongelukkig, lijdt), omdat hij last heeft van de onbestendigheid der dingen, de schooljongen omdat hij gezakt is, de alcoholist omdat hij zonder drank zit. Zo bezien - maar hier staat en valt natuurlijk alles met uw nadere opvattingen omtrent de cafard - is deze laatste juist veel karakteristieker voor het dier dan voor de mens, en zou men de stelling kunnen lanceren, dat met de menswording een stadium werd ingeluid, waarin het individu met de vaagheden van de cafard geen genoegen meer nam en deze trachtte te verhelderen tot een begrijpelijk lijden, een lijden met een object, of met een oorzaak. Dat deze verheldering een langdurig en moeizaam proces is, kan dan de illusie wekken, dat de cafard juist een typisch menselijke aangelegenheid is: omdat men er zich meer mee bezighoudt.
Intussen waren dit niet de punten waarop ik u becritiseerde. Mijn voornaamste bezwaar gold de ‘bagatellisering’ van het lijden. Het verheugt mij, dat u deze ‘bagatellisering’ nu zelf toegeeft. Als motief daartoe noemt u de doorlichting vanuit het evolutionair-biologisch standpunt. Het verband is mij niet helemaal duidelijk, maar dit is van weinig belang, omdat een tweede motief mij veel belangrijker voorkomt, n.l. uw behoefte om bij wijze van slotapotheose een cafardvrije jager te vertonen. Maar vooral nu u de cafard plotseling met ‘geestelijk lijden’ gelijkstelt (dat is heel wat, waarde heer Gomperts, en een niet onaanzienlijke concessie aan mijn critiek), doet zich des te onafwijsbaarder de vraag voor: hoe is de jager dan toch van dit lijden afgekomen? Het verwaarlozen van dit punt was mijn tweede bezwaar. Zonder enige toelichting poneert u de van de
| | | |
cafard verloste, de niet meer geestelijk lijdende jager, en verder doet u weinig anders dan de pogingen van anderen om het lijden realiter te bestrijden (en dit lijden is bij de mens toch zeker voor 90% ‘geestelijk’ van aard) te ridiculiseren of verdacht te maken. En waarom is de jager nog wél bang voor pijn, of voor verminking, of voor de dood? Ik neem tenminste aan, dat hij dit is. En is deze angst geen ‘geestelijk lijden’?
Deze tegenstrijdigheden worden er niet minder op door uw star vasthouden (in uw dupliek) aan de oorspronkelijke, letterlijke definitie van ‘cafard’. Ik houd u graag aan uw woord, maar u bent er zelf de man niet naar om u door een woord te laten weerhouden. Onder uw handen (niet onder de mijne) groeide dit begrip ‘cafard’ tot iets geheel anders, - tot iets algemeners, iets waarvan de blijken wel niet overvloedig maar verraderlijk genoeg in uw essay verspreid liggen, en waaraan u niet kunt ontkomen met behulp van de bezweringsformule ‘onbestemde onlustgevoelens.’ ‘Bijna alles wat de mens op aarde verricht heeft, werd ondernomen ter bestrijding van deze ziekte.’ (Jagen om te Leven, pag. 270). Bijna alles! Ter bestrijding dus van de cafard, dat geheimzinnige ‘onbestemde onlustgevoel’, - en niet van de angst voor iets, de wanhoop om iets - de mogelijkheid of de werkelijkheid van pijn, ziekte, de dood, de smart, de kou, de honger, etc. etc. - waarvan de cafard inderdaad het, onvoldoende bewust gemaakte ‘oppervlakteverschijnsel’ is, zonder dat ik kan inzien dat u ook maar iets ondernomen hebt om onder deze oppervlakte door te dringen. Voor uzelf kunt u dat gedaan hebben, maar er staat niets van in het essay. Zou de mens zich werkelijk zo hebben ingespannen, alleen om iets uit te bannen, waarvan hij het object niet kent, terwijl hij dit object, of deze objecten, zich toch wel bewust had kunnen maken? Ik kan het niet geloven, dat dit uw mening is, of ook maar is geweest, bij de aanvang van uw voorstudies tot Jagen om te Leven. Van meet af aan betekende cafard voor u veel meer dan cafard alleen. Nu de cafard ook het ‘geestelijke lijden’ vertegenwoordigt, zult u dit moeilijk kunnen ontkennen - tenzij u alle geestelijk lijden, of een groot deel daarvan, al evenzeer ‘objectloos’ (een van de twee mogelijke interpretaties van ‘onbestemd’) acht als de cafard in letterlijke betekenis, in welk geval u ‘plus existentialiste que les existentialistes’ zou zijn. Wat ik al evenmin kan aannemen.
Mijnerzijds geef ik toe, dat het voorbeeld van de kankerlijder onhandig gekozen was. Tegenover de cafard (als ‘onbestemd’ geestelijk lijden, in welke zin dan ook) had ik beter een ‘zwaar’ en motiveerbaar geestelijk lijden (b.v. een hevige smart om iets) kunnen stellen dan ‘pijnen’, die van hun kant de geest trouwens evenmin onberoerd zullen laten. Geestelijk en lichamelijk lijden zijn niet zo gemakkelijk van elkaar te scheiden. Misschien behoort kiespijn al een weinig tot de cafard, en wie weet, zien wij de jager nog eens op een bladerhoop liggen met een pijl door zijn Achillespees, bang en vertwijfeld, omdat het jagen hem voortaan is ontzegd, en daardoor eerst recht de ondragelijkheid van de pijn ervarende.
Met de meeste hoogachting,
S. Vestdijk
Hierop zeg ik geen ja, maar wel amen.
H.A. Gomperts.
|
|
|